'Heppe stond voor lol en improvisatie'

Veel kunstenaars zijn geïnspireerd door andere kunstenaars. Deze week: jazzpianist Michiel Borstlap over zijn oom, beeldend kunstenaar Heppe de Moor....

Als kind al leerde Michiel Borstlap een belangrijke les over het kunstenaarschap. Daarvoor hoefde hij alleen maar naar Heppe de Moor te kijken. De Moor, broer van zijn moeder, echtgenoot van Margriet, beeldend kunstenaar, hartstochtelijke man, keiharde werker, sjouwend met zijn beelden, genietend van het leven, en gul. ‘Hij was niet’, zegt Borstlap, ‘zoals zoveel kunstenaars, alleen maar met zichzelf bezig. Hij was geïnteresseerd in de wereld, in de ander. Hij was begaan met mensen die het minder hadden dan hij. Heppe zei altijd: ‘Wie heeft, geeft’. Dat heeft hij gedaan, voluit, tot hij dood ging, veel te vroeg.’

Van zijn vierde tot zijn veertiende was Michiel Borstlap (43) kind aan huis bij Heppe de Moor. Zijn ouders waren gescheiden, zijn vader een tijd uit beeld. ‘Mijn vader heeft dat inmiddels ruimschoots goedgemaakt. Maar destijds was Heppe mijn toevluchtsoord. Hij was de vader die ik niet had, de man die me leerde drinken, roken, achter de meisjes aangaan. Maar er was meer dan dat. Er was ook dat heerlijke huis, waar altijd muziek werd gedraaid. Bach, Miles Davis, Jimi Hendrix. Waar iedereen een instrument speelde. Ik zie ons nog samen spelen, hij op de dwarsfluit, ik op de piano. We waren altijd aan het improviseren. Alles ging op gevoel. Slauerhoff heeft ooit geschreven: Alleen in gedichten kan ik wonen. Voor mij geldt: in Heppes huis woonde ik. Artistiek gezien. Daar ligt de basis voor mijn eigen kunstenaarschap.’

Michiel Borstlap is jazzpianist. De bekendste van Nederland. Cum laude afgestudeerd aan het conservatorium in Hilversum, in 1992. Vier jaar later had hij zijn eerste prijs op zak: de prestigieuze Thelonious Monk Award, voor een eigen compositie, Memory of enchantment. Herbie Hancock en Wayne Shorter, grootheden in de jazz, namen het op voor hun album 1+1.

Dat hij in de muziek terecht zou komen, leek voorbestemd, met een moeder die piano speelde en een vader, Dick Borstlap, die avant-gardecomponist was. ‘Toen ik een jaar of achttien was, en ons contact weer redelijk was hersteld, hebben we een keer samengewerkt. Hij had een compositie geschreven, ik speelde piano. We traden op in de IJsbreker, plieng ploink, je kent het wel, en ineens stond de zangeres poedelnaakt op het podium. Ik weet niet, er hing altijd een soort bedruktheid rond die avant-gardekring van mijn vader. Veel tobben, en noot voor noot componeren, met de ganzenveer. Alsof het iets heel verhevens is. Come on! Niet zo veel nadenken! Dan spoelt het hart weg.’

Het was een cruciaal moment, zegt Borstlap, in zijn ontwikkeling. Weten dat hij dát niet wilde, en bijna meteen erachteraan denken: Heppe. Niet dat die ooit tegen Michiel Borstlap heeft gezegd: die kant van je vader moet je niet op. ‘Heppe zei wel altijd: ‘Je moet het doen, om te weten dat je het niet moet doen’. Nee, het was meer: als ik aan Heppe dacht, dacht ik aan lol en improvisatie. Zo wilde ik het. Zo moest het zijn. Mooie dingen maken, keihard werken en een goed mens zijn. Ik heb nog steeds niemand ontmoet die daarin zijn gelijke is.’

Heppe de Moor begon als schilder, maar werd bekend met zijn beelden in de openbare ruimte; opdrachten van de overheid en het bedrijfsleven in heel Nederland.

Een immens beeld van Schönberg, gemaakt voor het Koninklijk Conservatorium in Den Haag, in 1981, vindt Borstlap het mooiste beeld dat zijn oom maakte. Het bestaat uit drie delen. Het eerste, een blok steen van twee meter zestig hoog, staat buiten. Binnen in het gebouw, op dezelfde lijn, staat het tweede deel, het silhouet van Schönberg in polyester. Het derde deel is een standbeeld van Schönberg dat uit het silhouet lijkt gehouwen. ‘Stoer en toch poëtisch. Abstract en figuratief. Het raakt me, ik kan niet precies uitleggen waarom. Misschien wel omdat het beeld symbool staat voor wie Heppe was. Niet onder een noemer te brengen. Ook dat heb ik van hem meegekregen: laat je niet in hokjes duwen, maak wat je zelf mooi vindt – en probeer daar veel geld mee te verdienen. Dat was in zijn tijd vloeken in de kunstkerk, en dat is het eigenlijk nog steeds.’

Borstlap kan het weten. Kunst en marketing: in de Verenigde Staten, waar hij woonde en nog steeds veel optreedt, is het de normaalste zaak van de wereld om na te denken over hoe je je cd het beste aan de man brengt, en hoe je je zalen vol krijgt. ‘Daar gaan talent en ondernemerschap hand in hand. In Nederland niet. Hier geldt: je hoeft niet de beste te zijn, en je krijgt toch subsidie. Dat is aan het begin van je carrière hartstikke fijn, maar je moet er toch niet aan denken dat je vijftig jaar lang bij het Rijk aanklopt omdat je aan de kassa geen inkomsten hebt? Als niemand komt kijken, voor wie speel je dan?’

En zeg nu niet, dat hij concessies doet aan de smaak van het brede publiek. Nee, nee, en nog eens nee, antwoordt hij dan. ‘Ik heb altijd gespeeld wat ik mooi vind.’ Alles heeft hij de afgelopen twintig jaar gedaan: jazzstandards gespeeld, crossovers gemaakt naar pop en r & b, met Edsilia Rombley, Trijntje Oosterhuis, Gino Vanelli. Een opera geschreven voor de emir van Qatar. ‘Omdat ik alles wilde uitproberen, en omdat het voor mij geen verschil maakt of ik jazz speel, klassiek, of pop.’

Kan niet, zegt hij, in het nog steeds verzuilde Nederland. Ligt ook aan de recensenten, ‘veelal oude mannen met grijs haar en vieze sokken aan’. Hij geeft een voorbeeld. Joe Zawinul, oprichter van Weather Report, samen met Chick Corea en Herbie Hancock een van de eersten die, in de jaren zeventig, elektronische piano’s en synthesizers in de jazz gebruikten. In 1998 kwam er een nieuwe cd uit: World Tour. ‘Daar stond een solo pianonummer op, When there was royalty. Een recensent, ik noem geen naam, vond het niks. Een jaar later kwam hij bij me thuis, voor een interview. Ik zeg: ‘Mag ik jou een blindfold laten horen?’ Ik zet dat ene nummer op. De man zegt: ‘Wow, dit lijkt Duke Ellington wel’. Ik laat hem de hoes van Joe Zawinul zien en zeg: ‘Je moet het voortaan anders gaan doen. Laat je vooroordelen los’.

‘Nooit meer iets over gehoord. Ik had verwacht dat hij een nieuwe recensie zou schrijven waarin hij toegaf: ik heb me vergist. Maar die toegeeflijkheid had hij niet.’

Afgelopen jaar kwam zijn cd uit met enkel improvisaties, Solo 2010. Het is de meest ingetogen plaat die hij maakte, jazz met een toets klassiek, en veel ruimte tussen de noten – Erik Satie en Keith Jarrett zijn steeds dichtbij. En ja, dan moet hij toch toegeven dat hij in zijn carrière lange tijd heeft willen bewijzen wat hij allemaal in huis had, op het gebied van stijl en virtuositeit. Met Solo 2010 slaat hij een nieuwe weg in. Niet meer imponeren om het imponeren. Hij hoort het zijn oom nog zeggen: ‘Dat hoofd geloven we wel, het gaat om het hart.’

Laat Solo nou net de cd zijn geworden die het best heeft verkocht.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden