Voorpublicatie

Henk van Straten: 'Mijn broers noemden mij koekoeksjong'

Van jochie met drie grote halfbroers en een sombere moeder werd Henk van Straten eerst een puber die eenzaam drugs gebruikte op zijn zolderkamer en daarna schrijver. In Wij zeggen hier niet halfbroer vertelt hij het verhaal van zijn jeugd. Een voorpublicatie.

Henk van Straten.Beeld Marie Wanders / de Volkskrant

Een van mijn broers heeft ooit een Playmobilpoppetje in zijn anus gestopt. Of, althans, het hoofd van een Playmobil-poppetje. Welke broer dat is geweest weet ik nu niet meer, maar wat ik nog wel weet, is dat we daarna om beurten aan dat poppetje hebben geroken.

Ik herinner me een middag bij mijn vriendje Jan thuis. Jan had een jongere halfbroer, maar toen ik hem een keer zo noemde, 'halfbroer', kreeg ik op mijn donder van hun moeder.

'Wij zeggen hier niet halfbroer', zei ze.

Je moet weten: ik ben een nakomertje. Ik heb drie oudere halfbroers, hierna te noemen B1, B2 en B3. Zij zijn volle broers van elkaar. Ze hebben een andere vader. Of hadden, want hun vader is dood.

Bij ons thuis mocht je wel gewoon halfbroer zeggen. Al noemden mijn broers me vaker bastaard en koekoeksjong.

Maar laat ik bij het begin beginnen.

Ik werd geboren in Delfshaven, Rotterdam, op 31 januari 1980. In het flatje van mijn vader, aan de Gijsingstraat. Een Waterman van gemiddeld gewicht. Geen idee wat dat uitmaakt, dat ik een Waterman ben, maar ik weet dat sommigen van jullie daar graag allerlei conclusies aan verbinden.

De zwangerschap was gepland, ik was een liefdesbaby. Het regende heel hard, wat het gevoel van intimiteit en knusheid moet hebben versterkt. De vroedvrouw kwam doorweekt binnen. Even, in de euforie van het moment, zal het geweest zijn alsof wij maar met z'n drieën waren. Alsof er 132 kilometer verderop niet nog drie jongens waren. En nog een man.

We hadden dus dezelfde moeder, mijn broers en ik.

Schoolfoto, circa 1980.

Mijn moeder trouwde op haar 24ste met mijn stiefvader. Hij was in- en verkoper bij een bedrijf dat deed in leren jassen. Hij zou er blijven werken tot het faillissement, zo'n dertig jaar later. Naar eigen zeggen had mijn moeder al spijt van het huwelijk op de dag dat het was bezegeld. Ze kregen drie zoons, in Eersel, een dorpje een half uur rijden ten zuiden van Eindhoven, waar ik nu woon. Mijn moeder was kleuterjuf, maar ze was ook bezig met amateurtoneel. Een knappe vrouw, sereen, mooie donkere krullen. Opgegroeid in België, in rijkdom. Ze speelde in de bossen. Vier broers, drie zussen.

Ze volgde dezelfde regiecursus als mijn vader. Hij speelde heel goed piano en had lang haar en een baard. Een kunstenaar. Ze zullen blikken hebben gewisseld, hij zal haar aan het lachen hebben gemaakt. Zoals die dingen gaan. Mijn moeder tot over haar oren verliefd. Misschien wel voor het eerst. In ieder geval voor het laatst, geloof ik. Later zou hij toneelstukken schrijven die zij regisseerde. 'Ik was zijn muze.' Dat heb ik haar vaak horen zeggen.

Na mijn geboorte nam ze ook mijn drie halfbroers mee naar mijn vader, naar Rotterdam, waar hij woonde in een oud flatje in Delfshaven. Aan de Gijsingstraat, zoals ik eerder al zei. Hij was muzikant en ook acteur in een gezelschap dat jeugdvoorstellingen maakte. Ze zaten daar met hun baby en mijn drie halfbroers. Die waren toen 6, 8 en 10. Ineens waren ze niet meer in Eersel, maar in Rotterdam. Bij een vreemde man. Al flinke jongens toen, zeker in zo'n klein flatje. Mijn vader deed zijn best, speelde monopoly met dropkatjes in plaats van pionnen, beet dan ineens een hoofd eraf en maakte mijn broers zo aan het lachen. Maar ze misten hun vader en hun huis. En hun vader miste hen.

Je had dat flatje moeten zien. Drie kamers aan elkaar vast, meer was het niet. Piepklein keukentje, amper een badkamer. Een wijk in Rotterdam die toen behoorlijk arm en smerig was. Er lagen injectienaalden in de goot; het was het tijdperk van de heroïnejunks. Onvoorstelbaar dat we daar met z'n zessen hebben gezeten. Drie jongens die thuis niet anders deden dan buitenspelen en kattenkwaad uithalen, die alleen dat dorp kenden, plots versleept naar die stad en dat flatje. Daar kwam nog bij dat ze ineens met mij te maken hadden, en met mijn vader natuurlijk.

Henk (5 jaar oud) met zijn stiefbroers in Eersel.

Het werkte niet. Dat begrijp ik nu. Mijn moeder gunde haar drie oudste zoons hun eigen vader. En hij, mijn stiefvader - want zo noemde ik de vader van mijn broers en zo noem ik hem nog steeds - had tegen mijn moeder gezegd dat hij er niet mee kon leven: zijn jongens alleen in de weekenden zien. Dan maar liever helemaal niet meer. Chantage? Nee, ik denk het niet. Eerder wanhoop.

Ze kon niet kiezen tussen het ene leven en het andere. Dus nam ze haar zoons mee terug naar hun vader, naar Eersel. En mij nam ze ook mee. In de weekenden reed ze dan weer met me naar Rotterdam.

B1 zal 10 of 11 zijn geweest toen mijn moeder hem opdroeg het wiegje van zolder te halen. Het was het wiegje waarin als eerste hij en daarna ook B2 en B3 hadden gelegen. Mijn moeder zei het achteloos, zich van geen kwaad bewust. En hij deed het, maar hij besteeg de trappen gonzend van woede. Híj moest dat wiegje gaan halen? Voor mij? Het koekoeksjong?

Maar de kaarten waren geschud. Hier moesten ze het mee doen. En ik ook.

Vijftien jaar lang zou dit de situatie zijn. Het eerste huis in Eersel kan ik me niet meer herinneren; ik was een baby. Na haar terugkeer betrok mijn moeder haar eigen slaapkamer. Ze was terug in het huis van mijn stiefvader, maar ze was niet bij hem terug. Ze zat klem tussen twee mannen. Ze kon hen beiden eigenlijk alleen maar teleurstellen.

Mijn stiefvader en mijn moeder waren nu officieel gescheiden. Dat proces moet zijn verlopen in stiltes, verbeten woorden, verborgen explosies, doorwaakte nachten; alles buiten het zicht. En daarna dus nog steeds tot elkaar veroordeeld.

Van de ene man was ze de geliefde: mijn vader, die haar en mij vrijdags te zien kreeg en ons iedere zondagavond of maandagochtend weer moest laten gaan. En van de ander was ze de ex-vrouw: mijn stiefvader, die door haar was verlaten, die haar in huis had en haar ieder weekend naar haar nieuwe man zag vertrekken. En ook haar drie oudste jongens moest ze achterlaten. Ieder weekend. Ze was als een vlieg in een spinnenweb: met iedere beweging raakte ze verder verstrikt.

We woonden in dat huis in Eersel tot mijn 6de. Pas vanaf onze verhuizing naar Eindhoven werd ik me wat meer van de dingen bewust. Van een gevoel van niet-behoren. Want het mocht dan misschien nobel zijn geweest, van die moeder van mijn vriendje Jan, om haar tweede zoon door niemand halfbroer te laten noemen, maar als je je half voelt, dan voel je je half.

In Eindhoven beginnen de werkelijke herinneringen. Een twee-onder-een-kaphuis in een mooie, best wel dure wijk. De 'villawijk', noemden ze die zelfs. Mijn stiefvader verdiende genoeg om het te kunnen kopen, maar niet genoeg om de boel mooi in te richten of goed te onderhouden. Binnen was alles een beetje oud, een beetje gaar. Vier jongens slopen natuurlijk ook sneller dan je kunt repareren en vervangen.

Henk in 2017.Beeld Marie Wanders / de Volkskrant

Ik ging naar de basisschool bij ons in de straat; ik hoefde alleen maar over te steken. De eerste jaren sliep ik met mijn jongste broer, B3, in de grote slaapkamer op de eerste verdieping. Op zolder waren nog twee kleine slaapkamers, voor B1 en B2.

Op de eerste verdieping waren ook de slaapkamers van mijn moeder en mijn stiefvader. Hij had de andere grote kamer en zij had het kleintje; er pasten net een eenpersoonsbed en een bureautje in. Als ik me het kamertje nu voor de geest haal, zie ik het voor me zonder haar, leeg, als een monument voor haar eenzaamheid en verdriet. Ik zie de literfles Hemawijn staan, de asbak ernaast, het boekje met kruiswoordpuzzels en - evenwijdig aan de kaft - het vulpotlood. Ik kan er naar binnen lopen, als een geest, en de laatjes van haar bureau opentrekken. Daar zie ik de brieven liggen, de dagboeken, de doosjes met sieraden.

Het was in dat kamertje, aan dat bureau, dat mijn moeder iedere avond, na een dag van zorgen en de was doen en koken en opruimen en poetsen, zich overgaf aan de pijn van haar verstrikt-zijn. Mijn stiefvader te hebben gekwetst en steeds opnieuw te moeten kwetsen. Mijn vader te hebben gekwetst en steeds opnieuw te moeten kwetsen. Mijn broers te hebben gekwetst en steeds opnieuw te moeten kwetsen. En geen uitweg zien, behalve 's avonds met de wijn en de halfzware Drum en de kruiswoordpuzzels. Tot de roes sterk genoeg was om te kunnen slapen.

Wij zeggen hier niet halfbroer verschijnt op 14 maart bij uitgeverij Nijgh & Van Ditmar.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden