Hemelse muziek, kwebbelend publiek Het onbedwingbare plezier van pianist Herbie Nichols

Een buitenbeentje dat te bescheiden was om succes te hebben. Dat was jarenlang het beeld van de in armoede gestorven jazzpianist Herbie Nichols....

VIJFENDERTIG JAAR na zijn dood is Herbie Nichols' tijd gekomen. Het is waar, daar heeft het al eerder op geleken: in 1955 (toen hij een contract tekende met Blue Note), in 1966 (toen A.B. Spellmans grafrede in het boek Four Lives in the Bebop Business hem op een voetstuk plaatste), in 1975 (toen de platen van de pianist/componist voor het eerst werden heruitgegeven), in 1982 (toen anderen serieus zijn werk begonnen te spelen), en in 1987 (toen Mosaic Records in beperkte oplage een royale terugblik uitbracht).

En nu zijn Nichols' klassieke, doorgaans niet leverbare Blue Note-triostukken verschenen in een doos met drie cd's. De enige plaat die op de Blue Notes volgde, Love, Gloom, Cash, Love op het Bethlehem-label, is ook weer beschikbaar. En daarbovenop zijn er de aan Nichols gewijde programma's van andere muzikanten, plus verspreide opnamen van zijn stukken door pianisten als Geri Allen, Ted Rosenthal en Ethan Iverson.

Spellmanns toegewijde, maar donkere portret bracht Nichols postume faam als een onafhankelijke geest, die te talentvol en te bescheiden was om in zijn eigen dagen succes te hebben. (Hij maakte weinig platen, en niet één in de laatste zes jaar van zijn leven, toen hij hoofdzakelijk dixieland speelde. Hij overleed aan leukemie in 1963.) Om kort te gaan: Nichols werd een jazzcliché - wat treurig genoeg is, aangezien je in zijn muziek juist geen enkel cliché zult vinden. In jazz zijn tragische figuren dik gezaaid, maar moet je naar eersterangs componisten wat langer zoeken. En daarom is het goed dat Nichols de laatste tijd meer en meer om de kwaliteit van zijn stukken wordt herinnerd.

Nichols' uitgangspunt was doorgaans het AABA-schema van 32 maten, dat de pasmunt is van de jazz, maar bij hem altijd een onvoorziene draai kreeg. Hij had zich verdiept in Jelly Roll Morton, die zijn stukken opbouwde uit duidelijke zinnen van vier en acht maten. Maar bij Nichols werden de eenheden 31/2, 81/2, 9 of 10 maten lang, zelfs als de hele compositie uiteindelijk netjes op 32 uitkwam. In herhalingen konden die kleine eenheden uitdijen en veranderen, en soms zette hij de melodie in de ene toonsoort en de akkoorden in een andere - een tijdje apart van elkaar wegdobberend, voor hij ze weer samen liet komen.

Hij woonde bijna zijn hele leven in New York, en hield van de muziek in die stad. Hij was goed thuis in de klassieke muziek, in de jazzgeschiedenis en in show-liedjes. Zijn ouders kwamen uit West-Indië, en echo's van calypso-ritmen en steeldrum-klanken duiken in zijn composities en improvisaties op, net zoals je er straatgeluiden, tapdansers en andere muzikanten in kunt terughoren.

Misschien heeft geen andere muzikant na Charles Ives zo vaak sociaal-muzikale situaties in zijn werk beschreven. Het eerste deel van zijn compositie The Gig is liefst negen maten lang, omdat het de eerste bijeenkomst van een groep muzikanten beschrijft, die struikelen over een passage. Chit Chatting verbeeldt hoe muziek zich vermengt met het gekwebbel van een onoplettend publiek - een klank die Nichols goed kende, en die hij oproept door gebruik te maken van zijn brede repertoire van uitbarstingen, haperingen en gemompel op het klavier.

Meer nog dan collega-pianisten die net als hij timbres en boventonen uitbuitten - Monk en Cecil Taylor bijvoorbeeld -, hield Nichols echter van welluidende klanken. En van subtiele. Waar hun dissonanten brutaal en fors klinken, blijven de zijne fluisterzacht op de drempel van het hoorbare.

Niet dat Nichols de piano niet helder kon laten zingen, als hij dat wilde: dan slalomt hij door korte, resonerende, in octaven gespeelde zinnen. Hij had grote belangstelling voor Afrikaanse muziek, en het is niet moeilijk verbanden te horen tussen de dirty West-Afrikaanse timbres en zijn dichte, donkere pianocommentaren.

Zijn leven lang - en ook daarna nog - is Nichols lastig gevallen met vergelijkingen met Monk. Hoe verschillend hun muziek ook klinkt, er zijn inderdaad opvallende overeenkomsten. Als je op de gewone manier in hun stukken improviseert - door nieuwe melodieën over de akkoorden te leggen -, mis je het effect waarvan de componisten je juist een hint proberen te geven, via het stuk zelf of anders wel via hun eigen improvisaties.

Als Nichols speelt, krijgt hij het voor elkaar in zo'n beetje elke geïmproviseerde zin de melodie te parafraseren. (Wat dat betreft klinkt hij, net als Monk, als een pianist van vóór de bebop.) Hoe abstract hij soms ook wordt, doorgaans laat hij om de zoveel maten de melodie even doorschemeren. Dat doet hij om de luisteraar houvast te geven, maar ook omdat zijn melodieën zó pakkend zijn, dat hij en wij er geen genoeg van kunnen krijgen.

De revival begon in 1982 met de lp Regeneration, onder aanvoering van de Amerikaanse trombonist Roswell Rudd en pianist Misha Mengelberg. Mengelberg kende Nichols' Blue Note-platen vanaf het moment dat ze voor het eerst verschenen, en was al een leven lang fan. Hij transcribeerde een flink aantal van Nichols' stukken, en hield van de manier waarop hij sombere, on-jazzachtige akkoorden combineerde met levendige melodieën die die akkoorden totaal negeerden.

In 1966 nam Mengelberg zelf zijn Remember Herbie op, en in de jaren tachtig schreef hij enkele prachtig bewerkte arrangementen van Nichols' composities, die zijn ICP Orchestra nog steeds af en toe speelt. House Party Starting zette hij in 1996 opnieuw in triobezetting op cd (No Idea, DIW).

Rudd beschikte over eerstehands kennis. De jonge trombonist en de oudere pianist waren elkaar in 1960 in het New Yorkse dixieland-circuit tegen het lijf gelopen. Alletwee hadden ze liever nieuwere muziek gespeeld, maar elke gig was welkom. Ze kwamen bijeen om Nichols' stukken in te studeren, die de componist zelden door blaasinstrumenten had horen spelen (voor enkele sessies haalde Rudd er de saxofonist Archie Shepp bij).

Na Nichols' dood werd Rudd de belangrijkste conservator van zijn nalatenschap. Hij bewaarde zijn partituren, en ook een stapel gedichten die een idee geven van Nichols' speelse kijk op het leven (een van zijn favoriete gedichten gaat er over hoe hij moest leren van spaghetti te houden).

Rudds uitgebreide toelichtingen bij de eerdere heruitgaven zijn de beste portretten die we hebben van Nichols en zijn muziek. Net als andere muzikanten die voor de Mosaic-doos werden geïnterviewd, beschrijft Rudd Nichols als een man die wist wat hij waard was, die bepaald niet blij was met de geringe aandacht voor zijn werk, maar die terwijl zijn leven in rap tempo absurd begon te worden zijn gevoel voor humor niet verloor.

In 1960 kwam Nichols onverhoeds vast te zitten op Jamaica, doordat een cruiseschip waarop hij als muzikant werkte zó slecht was, dat de passagiers muiterij pleegden. Een andere keer speelde hij een maand lang op een Amerikaanse militaire basis binnen de Poolcirkel. Maar een concert in een fatsoenlijke New Yorkse club zat er voor hem niet in. Veel mensen (niet Rudd) denken bij Nichols aan Monk, maar van diens off/minor-houding viel bij Nichols niets te bespeuren.

Een Italiaanse organisator bracht Rudd en Mengelberg samen in een kwintet met Steve Lacy en Han Bennink. Rudd nam wat niet op plaat gezette muziek van Nichols mee, maar Mengelberg kreeg Rudd niet zo ver dat hij er fotokopieën van mocht maken. Tussen de verschijning van Regeneration en de in 1984 verschenen opvolger Change of Season (met George Lewis in plaats van Rudd en met Arjen Gorter op bas), onthulden Mengelberg c.s. drie 'nieuwe' Nichols-stukken. Omdat hij Nichols' voorkeur voor betekenisvolle titels kent, en zijn belangstelling voor Afrika, had Mengelberg graag een blik geworpen op diens Some Wandering Bushmen, maar Rudd gaf geen toestemming.

Dankzij Mengelberg is Nichols bekender in Nederland dan in de VS. Een paar jaar geleden had je in Amsterdam tenminste meer kans House Party Starting op een sessie te horen, dan in New York - een kleine kans misschien, maar toch.

Nu is het dan eindelijk tijd voor Herbie Nichols in de VS, met alleen al vier cd's met cover-versies, waarvan er drie het afgelopen jaar verschenen. De bassist Buell Neidlinger was nog zo'n New Yorkse modernist die in Nichols' kring verzeild raakte. De pianist had er altijd naar verlangd zijn stukken eens met blazers en strijkers te horen. Op Neidlingers Blue Chopsticks uit 1994 speelt een bezetting met twee jazzblazers en een bluegrass-achtig trio van viool, altviool en Neidlingers cello. Van stukken als The Gig maken ze een soort country hoedown, een onwaarschijnlijke zet die mede werkt doordat het kwintet eendrachtig samenwerkt en daarbij de melodieën onder handbereik houdt.

De fingerpicking gitarist Duck Baker heeft al eerder laten horen hoe je pianomuziek op inventieve manier voor gitaar kunt bewerken. De toelichting op zijn aan Nichols gewijde cd Spinning Song demonstreert dat hij precies weet wat deze muziek bijzonder maakt.

Toch is zijn cd hooguit een heroïsche mislukking. Als je muziek voor tien vingers vertaalt naar zes snaren (die bovendien minder octaven omvatten), krijgt elke noot een enorm gewicht te torsen; er blijft geen ruimte over voor Nichols' gefluisterde terzijdes of interne contradicties. Afgezien van een extatische vlucht door Nick at T's (weer zo'n portret van muzikanten in actie), klinkt Baker alsof hij moet worstelen. Maar zijn suggestie van een Django Reinhardt-vibrato past heel mooi in Lady Sings the Blues, de Nichols-compositie waarvan Billie Holiday haar lijflied maakte.

Roswell Rudds The Unheard Herbie Nichols vol. 1 biedt een trio met een onbekende gitarist en drummer, die weinig meer doen dan hem discreet terzijde staan. Rudd slaat aan het dollen; zijn blèrende toon en stormachtige aanpak komen er op hun voordeligst uit. Gezien de geringe frequentie van zijn plaatopnamen is dat al aanbeveling genoeg, maar er is meer.

On Prancin' Pretty Women en een zestien minuten lange versie van de calypso Jamaica (door Nichols geschreven kort na de ongelukkig verlopen cruise) mengt de trombonist expressionistische uithalen met stevige doses van de melodie - net als zijn idool.

Een aantal jaren geleden begonnen de pianist Frank Kimbrough en bassist Ben Allison hun eigen Nichols-repertoire-project. De toelichtingen bij de recente Blue Note-heruitgave van Nichols met Art Blakey of Max Roach op drums zijn van hun hand. Als alle commentaren op Nichols (ook die van ondergetekende) leunen hun observaties zwaar op Rudds herinneringen en analyses. Maar Kimbrough en Allison vertekenen ook enkele feitjes, en benadrukken Spellmans beeld van een gebroken, bittere Herbie Nichols.

Love Is Proximity van Kimbroughs en Allisons 'Herbie Nichols Project' is nogal arty en zwaarwichtig. De lyrische trompettist en saxofonist proberen Nichols' melodieën mooier te maken - alsof ze dat nodig hebben. Terwijl ze over de akkoorden improviseren, schenken ze te weinig aandacht aan de melodieën, en ze missen wat elk Herbie Nichols-project heeft: het onbedwingbare plezier dat je in staat bent deze muziek te maken. Want dat is de muzikale situatie die hij uiteindelijk in al zijn stukken beschrijft: zijn spel geeft weer hoe goed het voelt om te spelen.

En toch is Love Is Proximity Herbie Nichols' doorbraak. Als je zóveel discipelen trekt dat een paar ervan niet meer doorhebben waar het allemaal om draait, dan heb je het gemaakt, in de jazz.

Herbie Nichols: The Complete Blue Note Recordings. Blue Note CDP 7243 8 59352 2 0.

Herbie Nichols: Love, Gloom, Cash, Love. Bethlehem 20-30112.

Roswell Rudd, Misha Mengelberg e.a.: Regeneration. Soul Note 121054.

Mengelberg, George Lewis e.a.: Change of Season. Soul Note 121104.

ICP Orchestra: Two Programs - Nichols and Monk. ICP 026.

Buell Neidlinger: Blue Chopsticks. K2B2 3169.

Duck Baker: Spinning Song. Avant 040.

Roswell Rudd: The Unheard Herbie Nichols Vo. 1. CIMP 133.

Frank Kimbrough/ The Herbie Nichols Project: Love Is Proximity. Soul Note 121313.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden