'Hella moet het woord krijgen, door mijn stem'

Hij was een jaar of 15 toen Tante Jo Verplak hem in Indië Oeroeg meegaf. Pas tien jaar later, op de Toneelschool in Nederland, ging Willem Nijholt het lezen....

Het begon met een verzoek van de CPNB. Of hij, Willem Nijholt, in het kader van de campagne Nederland Leest Oeroeg, de Lofrede zou willen schrijven.

Zijn eerste reactie was: kan ik niet. ‘Ik dacht dat ik een recensie moest schrijven.’

Toen dat niet de bedoeling bleek te zijn, riep hij door de telefoon: ‘Maar dat boek wilde ik nooit lezen!’

Want Oeroeg, de novelle waarmee Hella S. Haasse in 1948 debuteerde, dat was Indië, en Indië, daar had Nijholt lange tijd alleen de slechtste herinneringen aan – herinneringen uit het Jappenkamp.

Toch staat Nijholts Lofrede nu in bijna een miljoen exemplaren van Oeroeg afgedrukt. En daar is het niet bij gebleven. Op 20 november, de laatste dag van Nederland Leest, vertolkt hij in Carré een door Yvonne Keuls geschreven monoloog – een theaterbewerking van het boek. Kern van het verhaal: ‘Dat kinderen uit twee culturen zich nog zo verweven kunnen voelen met elkaar, maar dat hun vriendschap uiteindelijk door de maatschappij wordt afgepakt. Dat je niet verandert omdat je elkaar niet meer lief hebt, maar dat je verandert omdat andere mensen zich ermee gaan bemoeien.’

Morgen is de eerste try-out, Nijholt slaapt er al weken niet van. ‘Ik heb hersens van 75 jaar oud, die pakken niet zo veel meer.’

Tante Jo Verplak. Die gaf hem Oeroeg mee. 15 zal hij geweest zijn. Tante Jo was een vriendin van zijn moeder – een Indische. ‘Zó’n boezem had ze, die noemde ze haar snoeptafel. Als ik thee bij haar ging drinken, vouwde ze een servetje open op haar boezem, en legde ze er drie koekjes op. Leuk mens, ik was dol op haar.’

Maar Oeroeg las u niet.

‘Tot ik in het eerste jaar van de toneelschool zat. Ik moest in De scharlaken stad spelen, ook van Hella Haasse. Een prachtig boek, zo beeldend geschreven.’

Bij de boekhandel vroeg Nijholt of ze nog meer hadden van Hella Haasse.

‘Oeroeg’, zei de boekverkoper.

Nijholt acteert met de schrik in zijn ogen: ‘Oeroeg, dacht ik, dat is het boek van Tante Jo!’

Wat trof u het meest toen u het boek dan eindelijk las?

‘Die kapot gelopen vriendschap. Ik was op de leeftijd dat ik wist dat ik homoseksueel was. Die jongetjesvriendschap tussen de verteller en Oeroeg ging zó voor mij leven. Gejankt heb ik, aan het eind wilde ik gewoon niet geloven dat het misging.’

Dit zijn zijn herinneringen aan zijn eerste jaren in Indië: spelen met Njo, het zoontje van de kokkie. ‘Ik mocht niet op blote voeten, hij liep vaak naakt.’ Moeder die dreigde met momok, het spook, als hij niet op tijd naar bed ging. Op schorpioenenjacht als ze een nieuw huis betrokken. Moeder die hem een draai om zijn oren gaf toen hij een keer naar de baboe had geschreeuwd dat hij water wilde. ‘We hebben bedienden om iets aan te vragen’, zei ze, ‘niet om te bevelen, en zeker niet om tegen te schreeuwen.’

Was u zich bewust van het verschil tussen u en de bedienden? Tussen u en Njo?

‘Nee. Mijn vader was een KNIL-militair, een lage; hij was adjudant. Hij leidde inlanders op voor het leger, hij sprak Madoerees, werd geadoreerd door zijn jongens. Mijn moeder heb ik ook nooit horen zeggen: met inlanders moet je niet omgaan. Ze verbood het me alleen om met de Duits-Joodse buurjongens te spelen. Want die waren te ruw.’

Later: ‘Weet je, het rare is: heel veel mensen denken dat ik Indisch ben. Wies van Maarseveen, een heel strenge indovrouw die veel in de Indische gemeenschap te zeggen had, heeft wel eens tegen me gezegd: ‘Geef nou eens toe dat je een Indische jongen bent.’ Waarop ik zei: ‘Maar Wies, mijn moeder komt uit Gelderland en mijn vader uit Overijssel, wat moet ik nou?’

Door die opmerking van Wies ben ik erover gaan nadenken. En ik kwam hier op: als je de eerste jaren van je leven meer tegen de huid van de baboe hebt aangelegen dan tegen de huid van je moeder, als je de klapperolie hebt geroken waarmee ze zich insmeerde, de woordjes hebt gehoord waarmee ze je troostte – misschien dat je dan iets van haar meekrijgt dat altijd bij je blijft: haar cultuur.’

De idylle eindigde toen de Japanners het land binnenvielen. De familie Nijholt woonde toen in Sumenep, op het eiland Madoera. ‘Ik zie ze nog aankomen: op fietsen, met van die kromme beentjes. Wat hebben we ze uitgelachen.’

Vier uur later waren de eerste vier mensen uit Sumenep onthoofd. ‘Typisch voor de Jap’, zegt Nijholt, ‘eerst onschuldig binnenkomen, en dan keihard onthoofden.’

Zijn vader werd te werk gesteld aan de Birmaspoorlijn. Zijn moeder kwam met drie kinderen in een interneringskamp. Nijholt was toen 8.

Nog meer herinneringen: ‘Toen ik 10 was, moest ik naar het jongenskamp. Mijn broer Jan zat er al. Ik had me verheugd op ons weerzien, maar Jan had al geleerd: als je wilt overleven, moet je alleen maar aan jezelf denken.

‘Hee, Wil’, zei hij die eerste dag, ‘als je nou handig bent, dan kijk je of je een plas door het matras naast je ziet lopen, want als ze plassen, dan gaan ze dood. En dan moet je niks zeggen tot het eten wordt uitgedeeld, want dan kun jij een extra portie halen.’ Ben je 10, en krijg je zo’n levensles mee.’

Hoe heeft u die drie jaar in het kamp doorstaan?

‘Door te denken aan wat onze oppas in Atjeh ooit antwoordde toen ik hem vroeg wat hij deed als hij bang was: ‘Als doen of niet bestaat, kwaad kan jou niet raken.’

Daar heb ik veel aan gehad. Ik stond in de houding, deed precies wat de Jap van me vroeg, ik boog, knielde en stond weer op, maar in gedachten was ik ergens anders.’

In de winter van ’45 kwam het gezin Nijholt – ‘Zonder vader, hij overleefde de Birma spoorlijn maar werd meteen terug naar Indië gestuurd om te vechten tegen zijn eigen jongens’ – in Millingen terecht, een dorp bij Nijmegen.

Zeiden de mensen: ‘Komde uut Indië? Waarom zeje dan niet zwart? En heje deur ok kiepe? Oe god, en hoe zien die kiepe d’r uut dan? En haje ook school?’

Nijholt: ‘En ik dacht: wat dóm zijn die mensen hier.’

Had u heimwee naar Indië?

‘Nee, wat denk je? Indië was ellende. Ik wilde zo snel mogelijk een Hollandse jongen worden.’

Was het lezen van Oeroeg, tien jaar nadat u in Nederland kwam, een eerste stap in de richting van verzoening met uw geboorteland?

‘Ach, nee. Dat is geleidelijk aan gegaan. Ik kan niet zeggen: op woensdag 24 mei 1947 was ik klaar met de Jap. Er kan soms ineens weer een vlaag van haat boven komen.’

Vorige maand was hij voor het eerst weer terug in Sumenep, voor een programma over Indonesië, gemaakt door Wieteke van Dort. Aansluitend reisde hij in het gevolg van de CPNB mee met de Oeroeg-persreis – van Jakarta, door de Preanger, naar Bogor.

Tijdens de reis werd hij vooral geraakt door het contact met de mensen. ‘Want dan zit je in Jakarta in het Hyatt, op de zestiende verdieping, in de badkamer liggen alle dure merken shampoo voor je klaar, je gaat ontbijten, alles is chique. Je loopt de tent uit, met het groepje journalisten dat door de CPNB is uitgenodigd, stapt in een busje, en je komt in de haven, waar de Indonesiër nog leeft op de grond – dicht bij de aarde, gehurkt, zijn handel uitgestald. Daar sta je dan, met je scherpe schoenen en je fototassen, en de Indonesiërs glimlachen: selamat pagi – goedemorgen en die hele groep, die smelt. Ach man! Iedere Nederlander zou een half jaar moeten rondlopen in Indonesië. Om weer eens te komen tot normale sociale vriendelijkheid.’

Hij is inmiddels een week terug in Nederland. Zijn dagen worden gevuld met het geven van interviews, en met het instuderen van zijn tekst voor de monoloog.

Daarbij had hij dit beeld voor ogen: ‘Ik zit in een Hollandse crapaud. Ik ben een oude man, en ik denk na over Oeroeg. Ik hoor de klokken van de Westertoren, en die klokken veranderen in de klanken van de gamelan. Ik begin, met die prachtige eerste zin: ‘Oeroeg was mijn vriend. Als ik terugdenk aan mijn kindertijd en jongensjaren, verschijnt zonder uitzondering het beeld van Oeroeg in mij.’ Dan sta ik op, en loop over het podium, en dan zou het mooi zijn als er ineens een Indonesich meubel in het licht staat.’

Kleine kans dat het er morgenavond tijdens de eerste try-out ook zo uit zal zien. Nijholt: ‘Vorige week dacht ik ineens: nee jongens, kom, het is een literair gebeuren, geen productie. Het is tékst waar het om gaat. Hella moet het woord krijgen, door mijn stem.’

Acht pagina’s kent hij al – nog zeven te gaan. Voor de zekerheid heeft hij bij de opticien een paar leeslenzen besteld. ‘Ik wíl niet voorlezen, maar stel dat ik op het podium ineens mijn tekst vergeet. Dan kan ik niet met een bril op voorlezen, dat ziet er niet uit.’

Zei de opticien: ‘Meneer, met leeslenzen ziet u de zaal niet meer.’ Laat dat nou net Nijholts bedoeling zijn.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden