Reportage Met corpsleden kijken naar Niemand in de stad

‘Hele dagen samen nietsdoen in het dispuutshuis komt in het echt niet meer voor’

Voor zijn roman Niemand in de stad liet Philip Huff zich inspireren door zijn studententijd bij het Amsterdamse corpsdispuut Beets. Haro Kraak, zelf ook Beetsiaan, keek de boekverfilming met vijf huidige inwoners van het dispuutshuis. Is de film realistisch?

Inwoners van het studentehuis van Litterarisch Dispuutgezelschap Beets aan de Keizersgracht, Amsterdam. Beeld Ivo van der Bent

De film is net begonnen als een dampende seksscène in een studentenhuis bruut wordt verstoord. Jongens in jas-das doen de deur open, stommelen naar binnen en maken een grapje over het schaamhaar van het meisje, terwijl het stelletje zich bedekt en schuldbewust lacht. ‘Je moeder staat beneden’, zegt een van de jongens tegen zijn huisgenoot Philip, de jongen in bed.

In het zaaltje – waar vijf twintigers en één dertiger kijken naar een afgeleide van hun eigen studententijd, in de vorm van speelfilm Niemand in de stad – wordt gelachen en gejoeld. Spottend: ‘Nice!’ En: ‘Mooi, man!’

Anderhalf uur later, tijdens het napraten over de film, zegt student Jan (21): ‘Als je bij ons thuis op zo’n moment per ongeluk binnenkomt, zeg je ‘O, sorry’ en dan doe je de deur meteen weer dicht.’

Precies, beaamt David (24). ‘Dus niet dat je alle tijd neemt, erbij gaat staan en zegt: ‘Hé, lekker bezig, ouwe.’’

Aan het woord zijn bewoners van het Beetshuis, een dispuutshuis op de Keizersgracht, verbonden aan het ASC/AVSV, het Amsterdamse corps dus. Zij kijken naar een film die zich afspeelt op het Weeshuis, een dispuutshuis op de Prinsengracht. Het dispuut Beets, vernoemd naar schrijver Nicolaas Beets (1814-1903), is min of meer vervangen door het fictieve dispuut Vondel, uiteraard vernoemd naar Joost van den Vondel (1587-1679).

De film Niemand in de stad is gebaseerd op Philip Huffs gelijknamige roman uit 2012. Huff werd in 2003 Beetsiaan. Zelf kwam ik enkele jaren later aan, in 2006, en we woonden een paar jaar samen op het Beetshuis. In de roman beschrijft Huff – onder veel meer – hoe twaalf huisgenoten in een afgesloten biotoop leven waar je onbekommerd vrij kan zijn en het volwassen, burgerlijke leven wordt uitgesteld. Tot het onvermijdelijke moment dat je uit het huis moet.

Niemand in de stad draait om de bedeesde Philip en zijn twee vrienden Matt, de impulsieve versierder, en Jacob, de melancholicus en intellectueel. Ze worstelen met meisjes, vreemdgaan, studies, toekomstplannen, moeizame vader-zoonrelaties en de vraag wat vriendschap betekent. Moet je ingrijpen als je denkt dat het slecht gaat met een vriend?

Het boek las als de geschiedenis van mijn studententijd. Ik ben benieuwd of de jongere garde, de huidige bewoners, nog steeds diezelfde vrijheid ervaart. En wat zij ervan vinden dat er nu een film is die geïnspireerd is op het leven op het Beetshuis. Hoe is het om naar een verfilming van je eigen leven te kijken? En hoe kijken zij naar het beeld dat van corpsballen wordt neergezet in films en in de media?

Aan de hand van een aantal thema’s bespreek ik met Huibert (22), Jan (21), David (24), Tim (21) en Maarten (20) de film. Ze willen alleen bij hun voornamen worden genoemd. Omdat er de laatste jaren zo negatief over het corps wordt bericht in de media zijn ze bang dat ze meegesleurd worden in het verhitte debat. Op de foto gaan vinden ze dan weer geen probleem. Maarten: ‘Ik wil niet dat als je mijn naam googelt dat je dan bovenaan een artikel over het corps ziet.’

De Volkskrant over Niemand in de stad

De film Niemand in de stad, het speelfilmdebuut van regisseur Michiel van Erp, kreeg vier sterren in de Volkskrant. ‘Het is knap hoe Van Erp de kijker langzaam voor zijn gemankeerde helden weet te winnen’, schreef Pauline Kleijer. Dat de film ‘feitelijk een debuut is, valt nergens aan af te zien’. De jonge acteurs maken indruk, schrijft ze, en ‘maken Niemand in de stad tot een film die irriteert, steekt, raakt en ontroert’.

Beets

Eerst wat over Beets, het oudste dispuut van het ASC, uit 1879. Beets heeft bij het corps een literair imago, al moet dat niet te serieus worden genomen. Hoewel een van onze liederen ‘Wij lezen dikke boeken’ luidde, deden de meeste Beetsianen dat niet bepaald dagelijks in mijn tijd. Wel was er in de ontgroening een nadruk op psychologische en intellectuele uitdagingen, in plaats van fysieke.

In de film wordt het intellectuele aspect van het dispuut Vondel nauwelijks belicht. Jacob, een van de twee beste vrienden van hoofdpersoon Philip, doet zich belezen voor en speelt een liedje van Bill Evans op piano. Maar voor de rest gaat de film zo goed als niet in op specifieke tradities of rituelen van Beets.

Jan: ‘Het had zich bij elk dispuut kunnen afspelen.’ Twee keer werd er wel een specifiek liedje van Beets gezongen, waaronder een nummer dat al decennia lang op de fleurrondes – de periode waarin nieuwe leden worden geworven – wordt ingezet, een zeemanslied dat begint met de regel ‘Al lig ik in mijn kooi’. ‘Dat vond ik wel jammer’, zegt Huibert over het feit dat hier wél specifiek naar Beets verwezen wordt. ‘Het voelt dan alsof het niet klopt.’

Het grote verschil tussen het fictieve dispuut Vondel en Beets is het gebrek aan ironie bij de hoofdpersonen, zegt David. ‘Op een gegeven moment zegt er eentje bloedserieus: ‘We gaan het leven vieren op de toko.’ Dat zou je bij ons nooit iemand horen zeggen. Behalve als grap misschien, zo van: ‘Hé gast, supermooi!’

Jan: ‘Ja, maar als wij voor de grap corporaal doen, denkt iedereen op straat alsnog dat we het menen.’

Maarten: ‘Als je die corporale act vaak genoeg doet, wordt het eigenlijk ook gewoon echt.’

Scène uit Niemand in de stad. Beeld Bram van Woudenberg

Veel van wat de ‘corporale act’ wordt genoemd is gek genoeg gebaseerd op het cliché van een corpsbal, vooral uit De Lullo’s van Jiskefet. Als voorbeeld vertelt David een anekdote. ‘Een oud-huisgenoot kwam even langs op het huis. Hij is best wel een nuchtere kerel en had net een nieuwe relatie. Ben je verliefd, vroeg iemand. En hij zei: ja, ik ben eigenlijk wel verliefd. En toen maakte iedereen zo’n geluid van: ‘Aaaaahhhh, Van Binsbergen, verliefd! Man!’’

Vrijheid

In de film beschrijft Jacob, een van de oudsten van het huis, het mateloze gevoel van vrijheid dat hij op het Weeshuis heeft ervaren. Hij vreest het serieuze leven dat erop volgt. ‘De verstikkende onontkoombaarheid ontlopen’, noemt Jacob dat. Hij is ook degene die de wijsheid opdist die de kern van het verhaal samenvat: ‘Waarom zitten er geen ramen in de sociëteit?’, vraagt hij. Zodat niemand naar binnen kan kijken? ‘Nee, zodat wij niet naar buiten hoeven te kijken.’

De studententijd als proeftijd voor het leven, een cocon waarin je dom kunt doen en fouten kunt maken, maar ook illusies armer wordt – daar gaat Niemand in de stad grotendeels over. De huidige bewoners van het Beetshuis kunnen zich niet echt vinden in het gevoel van vrijheid dat in de film geschetst wordt. Vooral vanwege de verhoogde studiedruk.

Maarten: ‘Tegenwoordig moet je wat discipline hebben, dat was tien jaar geleden wel anders, volgens mij. Je hebt altijd een beetje stress nu.’

Tim: ‘Het is totaal niet cool als je je studie niet haalt. Daar word je op aangesproken.’

Huibert: ‘Ik deed het afgelopen jaar allemaal dingen naast mijn studie en zat ook in het bestuur van Beets. Dat is gewoon heel druk. Van die hele dagen niets doen met elkaar in het huis komen haast niet voor.’

‘De onzekerheid van het eind van je studententijd vond ik wel mooi neergezet’, zegt David, zelf bijna student-af. ‘Wat gaat de toekomst brengen? Alle jaren tot dan toe zijn gewoon recht toe recht aan: je gaat naar school, dan studeren, daarna begint pas het echte leven en moet je een pad kiezen.’

Huibert: ‘Iedereen in z’n laatste jaar op het Beetshuis zegt wel, net als Philip in de film: ‘Ik ben er helemaal klaar mee, het is zo vies hier.’ En dan zegt iemand anders, net als Jacob in de film: ‘Je gaat het pas missen als je weg bent.’

Scène uit Niemand in de stad. Beeld Bram van Woudenberg

Uitspattingen

Vooral in het begin van de film zitten een paar typische studentikoze, of corporale uitspattingen. ‘Ik had Niemand in de stad gelezen in de derde van de middelbare school’, zegt Tim, die in 2017 ging studeren. Hij kon zich er lang niet alles van herinneren, besefte hij nu hij de film zag, maar één moment was hij zeker niet vergeten: de borrelnoten, een nogal expliciete scène aan het begin van de film.

Een groep corpsleden zit te drinken op de sociëteit. Het is al laat, na sluit, ze zijn bezopen. Een van de jongens stelt een weddenschap voor. Wedden, zegt hij, dat ik 23 borrelnootjes onder mijn voorhuid kwijt kan? Matt hapt toe, tamelijk letterlijk. ‘Ik eet ze op als er 23 in passen.’ Vervolgens is te zien hoe de jongen de nootjes schoon likt en ze een voor een naar binnen duwt, alle 23 inderdaad.

De Beetshuisbewoners zijn nogal verbaasd als ik zeg dat ik heb gehoord dat die scène op een echt gebeurde anekdote is gebaseerd. Ook van het spel dat op een gegeven moment in de sociëteit wordt gespeeld hadden ze nog nooit gehoord. Achter borreltafels die staan opgesteld als loopgraven verschuilen de studenten zich aan twee kanten van de zaal, terwijl er kopjes en schoteltjes naar elkaar gesmeten worden. Philip raakt daarbij gewond. Een spelletje dat naar verluidt in Delft echt wordt gespeeld.

Van een ander spel uit de film hebben ze wel gehoord: het Mondriaan-spel, waarbij je in rechte lijnen een weg naar huis moet zoeken, klauterend over alle obstakels die je tegenkomt, of zwemmend door de gracht als het moet. Of iemand dat ooit gespeeld heeft weten ze niet. Huibert: ‘Het was meer iets dat op de borrel werd gezegd: ‘Je moet naar huis Mondrianen.’’

Scène uit Niemand in de stad. Beeld Bram van Woudenberg

Clichés

Al met al valt het de Beetsianen mee, wat voor beeld van de corpsbal wordt geschetst in de film. Natuurlijk klinken de jongens bekakt en komt er veel seks en drank in voor, en een beetje drugs. Maar er zitten geen sensationele ontgroeningsperikelen in. Tim: ‘Het ging vooral over vriendschap. Niet over excessen.’

‘Ik was bang dat het een soort Feuten 2.0 zou worden’, zegt David, verwijzend naar de serie uit 2010 van BNN-VARA waar later een film van werd gemaakt. ‘Feuten is het corps on steroids. Enorm opgeblazen en overdreven. In het begin van Niemand in de stad zaten er ook wel wat clichés. Ze lopen bijvoorbeeld voortdurend in jasje-dasje. Terwijl wij dat bijna nooit doen, alleen op de sociëteit.’

‘En als we naar de borrel lopen’, zegt Huibert, ‘hebben we geen das om. Dan val je net wat minder op. Al ben je nog steeds herkenbaar natuurlijk. Door je jasje en je vieze tokoschoenen.’

Ik merk op dat in mijn tijd we ons wel bewust waren dat we gezien werden, maar dat we onze das meestal aan hielden op straat. Is de schaamte groter geworden door het negatieve beeld van het corps?

Scène uit Niemand in de stad. Beeld Bram van Woudenberg

Dat zou kunnen, denken ze. ‘Wij zijn ook wel overdreven panisch om elke associatie met het corps te vermijden in het openbaar’, zegt Maarten. ‘Best raar eigenlijk, want we zijn gewoon lid van het corps.’

‘De afkeer van het corps wordt er in het begin nogal ingeramd bij Beets’, zegt David. ‘Op de eerste dag van de proeftijd zeggen we meteen: alles wat je geleerd heb in de KMT (de kennismakingstijd, de ontgroening van het ASC/AVSV, red.), gooien we nu in de gracht. Al die regeltjes. Niet meer dat gelul over dat je geen Engelse woorden mag gebruiken. Of dat je geen koelkast moet zeggen maar ijskast. Dat is natuurlijk deels een manier om een groepsgevoel te creëren: wij tegen het soepie.’

Media

Elke keer als er in de media weer een nieuw schandaal over het corps opduikt – zoals leden van Vindicat die vorig jaar een ravage zouden hebben aangericht in een sushitent in Groningen – wordt het nieuws gretig gedeeld in de appgroepen. David: ‘Dan gaan gelijk alle alarmbellen af. Het eerste wat je je afvraagt: het gaat toch niet over Amsterdam, hè. Gelukkig blijven we grotendeels buiten schot de laatste jaren.’

Vanzelfsprekend moet je je als corpslid tegenwoordig geregeld verdedigen tegen de vooroordelen. ‘Ik heb best vaak meegemaakt’, zegt Jan, ‘dat ik al een tijdje met iemand van mijn studie omging en dat ik op een gegeven moment vertelde dat ik lid ben van het corps. ‘Echt waar!?’, is dan meestal de reactie. ‘Dat had ik echt niet van jou verwacht.’ Maar ja, wat denk je dan, dat alle corpsleden enorme eikels zijn?’

Corpsleden in het dispuutshuis van Beets. Beeld Ivo van der Bent

Hoewel ze begrijpen dat het corps onder een vergrootglas ligt, merken ze ook dat de berichtgeving vaak onjuist is of wordt opgeklopt. Neem de uitzending van Rambam, waarin jonge undercoverjournalisten als feuten geïnfiltreerd waren in de ontgroening. De aflevering werd als zeer onthullend aangekondigd, maar uiteindelijk bleek de grootste misstand – dat iemands astmamedicijnen waren afgepakt – een misvatting. BNN-VARA bood zelfs zijn excuses aan.

Jan: ‘Dat was echt een flop.’

Tim: ‘Ze vielen door de mand, omdat ze niet echt iets concreets hadden.’

Zou de film Niemand in de stad iets kunnen veranderen aan het stereotiepe beeld van de corpsbal in de media? De jongens twijfelen. Wie het corps haat, zal genoeg stof in de film vinden om een bevestiging van zijn eigen gelijk te zien, denken ze, zoals homofobie, seksisme, verwaand gedrag of drankmisbruik.

De eerste reacties op de film laten daarentegen wel zien dat buitenstaanders een genuanceerd beeld van de hoofdpersonen hebben gekregen. ‘Corpsballen zijn mensen in Van Erps Niemand in de stad’, kopte NRC Handelsblad vrijdag. De Volkskrant schreef over de drie vrienden op het Weeshuis: ‘Blaaskaken zijn het, maar aardige blaaskaken.’ Net als in het echt eigenlijk. 

Niemand in de stad van Michiel van Erp was de openingsfilm van het Nederlands Film Festival en gaat donderdag in première. 

Michiel van Erp over zijn openingsfilm: ‘Stiekem ben ik heel trots, maar het is ook eng’
Het Nederlands Film Festival opent met Niemand in de stad, het speelfilmdebuut van documentairemaker Michiel van Erp. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden