Heimwee naar New-Yorkse aardappelsla

De Amerikaanse jazzpianist Mal Waldron woont sinds 1965 in Europa. Fans blijven nieuwsgierig naar zijn jaren met Billie Holiday en Charles Mingus, maar hij is het moe steeds dezelfde herinneringen op te halen....

MAL WALDRON zou nooit in Japan willen wonen. Hij houdt van het land, van het eten en de cultuur - zoveel dat hij soms denkt dat hij in een vroeger leven Japanner moet zijn geweest. Zijn tweede vrouw is Japanse, ze hebben samen vijf kinderen. Hij speelt er vaak. Hij heeft sowieso iets van een nomade: al 32 jaar trekt hij kriskras door Europa.

Maar er wonen? Van z'n leven niet. De pianist kan er nog geen hotellobby binnenlopen om z'n favoriete filter-sigaartjes te kopen, of hij wordt overvallen. Fans vissen z'n peuken uit de asbak. Na een optreden zit hij 'twee uur lang' te signeren en poseert hij voor foto's met bewonderaars.

En het gekke is: zelfs in een land waar hij beroemd is, wordt Waldron minder gewaardeerd om zijn eigen opmerkelijke jazzbijdrage - als minimalist avant-la-lettre -, dan om zijn band met muzikanten met wie hij veertig jaar geleden samenwerkte.

'Ik hoor steeds weer de zelfde vragen.' Hij schuift een denkbeeldige microfoon naar voren: 'Wat voor man was John Coltrane in werkelijkheid? Charles Mingus? Eric Dolphy?' En bovenal Billie Holiday. Overromantische jazzfans in Japan verzinnen de fraaiste fantasieën over hun helden, bij voorkeur over Billie Holiday, en in sommige van die verhalen wordt Waldron gezien als meer dan alleen haar laatste begeleider.

Ziet Mal Waldron enige overeenkomst tussen de mensen die hij heeft gekend en de mythen die hen omgeven?

'Geen overeenkomst. Ik herken alleen de kleine kern, het vertrekpunt.'

Misschien zag hij ooit Billie Holiday struikelen. . .

'En in de film (Lady Sings the Blues) doet Diana Ross het in elke scène.'

De echte Mal Waldron houdt zijn privéleven gescheiden van zijn beroepspraktijk. Hij citeert een oude Amerikaanse wijsheid: 'You don't shit where you eat.' Hij treedt niet graag in zijn woonplaats op, en bij voorkeur zou hij zelfs zien dat journalisten de naam van de stad in het midden laten. (Hij leest veel spionageverhalen - maar ik mag schrijven dat we elkaar in Brussel spraken.) Hoe dan ook is zijn carrière kleurrijk genoeg om geen versiering achteraf te behoeven.

Mal Waldron werd 1925 in New York geboren, en hij speelde altsaxofoon tot hij Charlie Parker hoorde. Hij werd volwassen als pianist in wat zijn vriend, de saxofonist Steve Lacy, ooit het paradijs noemde: New York in de jaren vijftig, waar alles mogelijk was.

Zijn doorbraak kwam in zijn jaren met Charles Mingus, van 1954 tot 1957, toen de bassist cruciale platen maakte als Mingus at the Bohemia (OJC) en Pithecantropus Erectus (Atlantic) en hij in het stuk Getting Together (voor Savoy) een indruk gaf van de nieuwe muziek die komen ging.

'Mingus zei: ''We gaan gewoon spelen. Geen toonsoort, tonaliteit of ritme - gewoon naar elkaar luisteren en prachtige muziek maken.'' De anderen zeiden: 'Wat? Waar heb je het over, Mingus?'' Ik zei: ''Yes, sir.'' Toen vond ik uit hoe vrije improvisatie kan werken, als je verbanden legt met de sounds en emoties van andere muzikanten.

'Het is waar, Mingus kon ontploffen als de dingen niet liepen zoals hij wilde. Maar wij konden het prima vinden. Ik zag het als mijn leertijd. Ik was niet van plan mijn ego tegenover het zijne te stellen.'

Er is vaak beweerd dat Prestige Records in de jaren vijftig zoveel platen maakte, omdat junkies altijd geld nodig hadden. Op vrijdagmiddag kwamen New-Yorkse jazzmuzikanten bijeen in een studio aan de overkant van de Hudsonrivier, in New Jersey, voor informele opnamesessies in ruil voor contante betaling. Waldron was in praktijk vaak de muzikaal leider van het gezelschap, dat onder de saxofonisten namen als John Coltrane, Jackie McLean en Gene Ammons telde. Sommige sessies die eerst onder Waldrons naam verschenen, kwamen later uit onder Coltranes naam.

Waldron zegt dat de verhalen waar zijn. 'De producer Bob Weinstock bonsde op de wc-deuren. ''Kom op jongens'' En dan zij: ''Hou je gemak, Bobby.'' Ja, ik was een van die jongens op de wc.' Hij lacht, alsof het over iemand anders gaat. 'Het waren geen pijnlijke tijden. Je dacht enkel aan muziek, zorgde dat je high werd, en speelde. Het was een droom, en een grote school bovendien. Earn while you learn, dat is mijn motto.'

In 1963 kreeg hij een zenuwinzinking, en een van de gevolgen was dat hij vergat hoe zijn eigen spel klonk. Hij draaide zijn oude platen om zijn stijl weer opnieuw te leren. Te oordelen naar zijn latere ontwikkeling, kan het studiemateriaal hebben bestaan uit Reflections, een lp met Steve Lacy uit 1957 (wellicht het eerste aan Thelonious Monk gewijde repertoire-project), en een vaak heruitgegeven verzameling live-opnamen met rietblazer Eric Dolphy en trompettist Booker Little uit 1961.

'Maar ik heb nooit meer mijn oude stijl kunnen vangen. Mijn spel werd hoekiger en plechtig, terwijl ik vroeger snel en lyrisch was. Mijn ballads werden trager, ik melkte de akkoorden uit. Dat was het begin van mijn. . . minimalisme. Het is niet vergezocht die term te gebruiken. Ik ben altijd zuinig geweest. Deze schoenen hier, die zijn tien jaar oud. Als in the old days iedereen door zijn drugs heen was, had ik nog een klein beetje over.'

Mal Waldron is een gedistingeerde man, die zich zo waardig gedraagt dat hij een paar centimeter langer lijkt dan hij is. Zijn opvallend zilvergrijze haardos is netjes geknipt, en loopt op zijn voorhoofd uit in een v-vormige punt - als de boeg van een schip onder volle zeilen. Zijn blik is strak, maar zijn ogen staan vrolijk. Hij pepert zijn zinnen met kortstondig gegiechel, dat in eerste instantie misplaatst lijkt, maar glimpen van de ware Waldron toont. Als hij aan een nieuwe cigarillo toe is, kun je er haast op rekenen dat hij een grapje zal maken.

Waldron verliet Amerika in 1965. 'Ik wist dat ik niet terug zou komen. Het was een hectische scene. De politie zat achter de muzikanten aan, alsof iedereen verslaafd was. Als je uit een club kwam, werd je gefouilleerd. Marcel Carné vroeg me voor de muziek bij zijn film Trois Chambres à Manhattan en vroeg of ik het in New York of in Parijs wilde doen. Parijs, zei ik. Toen ik later voor twee weken terugkeerde naar New York om de muziek te componeren bij Sweet Love, Bitter (een film gebaseerd op Charlie Parker-mythen), verloor ik mijn kaartje voor de retourvlucht geen moment uit het oog.

'Ik was een jaar in Parijs, voor ik er achter kwam dat dat de enige stad in Frankrijk was waar je een jazzclub kon vinden. Ik zat zes maanden in Bologna, daarna zes maanden in Rome, en ontdekte dat je in Italië maar in vier steden jazz kon spelen. In 1967 vertrok ik naar Duitsland, en ik zag er overal clubs. Dus bleef ik, 25 jaar lang. Maar toen de Berlijnse Muur viel en de skinheads zich begonnen te roeren, veranderde de atmosfeer. Mijn kinderen merkten het ook. En dus vertrokken we. In België gaat het ontspannen toe. Je kunt er elke taal spreken die je wilt en je wordt gerespecteerd. Je ziet er alle kleuren tussen zwart en wit op straat.

'Als je in Amerika zwart bent en een jazzmuzikant, heb je gelijk twee punten in je nadeel. In Europa is het juist omgedraaid. Ik ben een exile, een banneling uit Amerika - zo omschrijven sommige mensen me, en ik moet zeggen dat het z'n voordelen heeft. Meer geld, bijvoorbeeld.

In de jaren zestig was Waldron niet de enige. Een flink aantal muzikanten met wie hij in de jaren vijftig werkte - Lacy, saxofonist Ben Webster, de drummers Art Taylor, Ed Thigpen en Tootie Heath - kwam ook naar Europa. Vaak speelde hij met ex-Ellington-bassist Jimmy Woode.

Waldron heeft onnoemelijk veel concerten gegeven, en evenveel platen opgenomen. Hij maakte de allereerste lp's voor net opgerichte firma's als ECM en het sublabel Japo, Enja en het Franse Futura, en alleen al elf platen voor Soul Note. Zijn incidentele reünies met Steve Lacy zijn bijna altijd de moeite waard: beiden zijn sterke stilisten, zuinig op hun noten en nooit gehaast. Zoals Waldron zegt, houdt hij ervan elk idee 'uit te melken' voor hij aan het volgende begint, en het net zo vast te zetten in zijn eigen hoofd, als in dat van de luisteraar. 'Ik haal alles uit twee, drie noten, voor ik aan de derde begin. Less is more - dat vind ik nog steeds.'

Zijn repetitieve stukken zijn vaak modaal, maar de manier waarop hij zijn akkoorden laat dalen en klimmen, voorkomt dat ze te drone-achtig worden. In een solo of begeleiding kan hij bijvoorbeeld een reeks van acht of negen akkoorden spelen, in een enigszins haperend, maar ritmisch patroon. Hij herhaalt de reeks, herhaalt vervolgens de akkoorden twee tot en met acht en voegt er een of twee aan toe om de reeks uit te breiden - een vorm van marginale groei. Er zit beweging in, zonder twijfel, maar de voortgang is soms zo traag, dat de tijd wel achteruit lijkt te lopen.

Vanaf de jaren zeventig is door sommige critici gewezen op de overeenkomsten met het minimalisme - en het is verrassend hoe Waldron zonder voorbehoud instemt met die visie: zijn muziek staat tenslotte veel dichter bij de gospeltraditie, dan bij Philip Glass. Maar Waldron maakt het niet uit waar ideeën vandaan komen. Ze zitten in de lucht, en als je jezelf leeg maakt, dan kun je ze binnenlaten en ze spelen op je instrument.

'Muziek is net als douchen. Je laat het over je heen komen, zonder je af te vragen waar het water daarvóór was.'

Toch moeten bepaalde ervaringen in het verleden hem voor sommige ideeën extra gevoelig hebben gemaakt. De componist Anthony Davis heeft eens terecht opgemerkt dat er zonder rhythm 'n' blues geen minimalisme zou bestaan. Waldron speelde in de jaren vijftig vroege rock 'n' roll met gitarist Tiny Grimes. 'Zijn band heette His Rockin' Scottish Highlanders. Grimes droeg een kilt op het podium, en dan probeerden wij er onder te kijken.' Met Lucky Millinders big band speelde hij avond aan avond voor dansers in Harlem, Swing ontmoette rhythm 'n' blues in de riffs (repeterende figuren) van Millinders orkest. En dan waren er de sessies voor Prestige, waarin de muzikanten soms twee minuten aan materiaal tot een halve lp-kant wisten uit te rekken. Zelfs op grote schaal kan een ontwikkeling achterstevoren lijken te gaan.

De afgelopen zomer vierde Waldron zijn 72ste verjaardag in Antwerpen met gasten uit zijn vaderland: de bassist Reggie Workman, drummer Andrew Cyrille, tenorsaxofonist Joe Henderson, en de zangeressen Abbey Lincoln en Jeanne Lee.

Na afloop namen ze in een studio zijn nieuwe cd Soul Eyes op. Waldrons peinzende piano vormt een mooie achtergrond voor de zangstemmen. In 1960 werkte hij als begeleider van Abbey Lincoln, en met drummer Max Roach. Ze zijn samen te horen op diens klassieke protestplaat We Insist! Freedom Now Suite. Op de nieuwe cd zingt Lincoln Billie Holidays God Bless the Child met oprecht pathos, en ontsnapt ze aan de onvermijdelijke vergelijking met het origineel.

Waldrons samenwerking met Jeanne Lee is van recentere datum, mogelijk gemaakt door haar baan als zangdocente in Den Haag, maar haar laconieke, ongehaaste voordracht past goed bij zijn stijl.

In de hoestekst wordt Steve Coleman een 'speciale favoriet' van Waldron genoemd, maar dat blijkt een ingeving van hun beider platenfirma RCA. Had Waldron eerder met hem gespeeld? 'Nooit, en nog steeds niet.' De saxofonist dubde zijn bijdrage aan twee stukken enkele weken later in, in een studio in Brooklyn.

Waldron beschouwt Soul Eyes niet als een retrospectief, ofschoon enkele van zijn onverslijtbare stukken de revu passeren, die in uitvoeringen door anderen bekend zijn geworden: Soul Eyes (Coltrane), Fire Waltz (Dolphy) - Waldrons eigen vakbekwame tekst, gezongen door Lee - en Straight Ahead, voor Lincoln, op haar eigen tekst. De 'ideeën melkende'/minimale Waldron komt naar voren in het triostuk Spaces, en in The Git Go met Joe Henderson.

Het is allemaal heel gezellig, maar misschien niet spectaculair. Waldron doet geen pogingen de cd de hemel in te prijzen - niet in de laatste plaats omdat hij sowieso een hekel heeft aan interviews. 'Je zit te kletsen terwijl je op hetzelfde moment je muziek verder zou kunnen ontwikkelen. Het is verloren tijd: opscheppen over wat je hebt gedaan, in plaats van nadenken over wat je verder wilt.'

Is er nog iets zinnigs te zeggen over Billie Holiday wat hij al niet vijftig keer heeft gezegd?

Hij denkt erover na terwijl hij een nieuw sigaartje opsteekt. Het lege pakje gooit hij weg. 'Nee.'

Zijn er pianisten in wiens spel hij zijn invloed terughoort? 'Yosuke Yamashita - omdat hij me dat zelf heeft gezegd. En Cecil Taylor, die me hetzelfde vertelde toen ik vijf, zes jaar geleden in de Village Vanguard in New York speelde.'

Het schiet Waldron te binnen, dat hij sinsdien niet meer in de Verenigde Staten is geweest. Een of twee weken per jaar placht hij in een New-Yorkse club op te treden, vaak in langgerekte stukken met twee tegen elkaar opbiedende saxofonisten - nog zo'n echo van de Prestige-jams.

'In Europa kun je geen lekkere cornbread of New-Yorkse aardappelsalade krijgen, en dat mis ik wel. Ik spreek Italiaans, Frans en Duits, maar zodra ik Engels hoor, maakt mijn hart een sprongetje. Toch hoort Amerika niet tot mijn favoriete landen. Je mag er niet meer roken, so I stopped going.

Woensdag 24 december speelt het duo Mal Waldron/Steve Lacy op het festival Stranger than Paranoia in Paradox, Tilburg.

Cd's:

Mal Waldron: Soul Eyes. BMG/RCA Victor 74321 538872.

Mal Waldron & Jeanne Lee: Travelin' in Soul-Time. BVHaast 9701.

Mal Waldron & Steve Lacy: The Peak. Hat Art CD-2 6186.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden