Heilig geloof in het unieke zelf SCHEPPENDE MENS VAN RENAISSANCE LEGDE BASIS VOOR MODERNE SAMENLEVING

'IK BEN EEN God in 't diepst van mijn gedachten', dichtte Willem Kloos in de jaren tachtig van de negentiende eeuw....

Kloos en de andere dichters van Tachtig introduceerden in de Nederlandse literatuur een thema dat de westerse cultuur langzaam maar zeker zou beheersen: het gevoel van eenzaamheid en vervreemding waarmee de persoonlijke zoektocht naar schoonheid, waarheid en goedheid en de afbraak van oude zekerheden onvermijdelijk gepaard leken te gaan - een gevoel, karakteristiek voor de mens in de moderne samenleving.

Niet alleen schrijvers en kunstenaars, ook historici, filosofen en politieke denkers raakten in de loop van de negentiende eeuw in de ban van de toenemende spanning tussen individu en samenleving. Zij waren evenwel vooral geïnteresseerd in de maatschappelijke gevolgen van het opkomende individualisme en de ontbinding van het 'collectief bewustzijn' en de overgeleverde sociale verhoudingen.

'Wij maken een cultus van de waardigheid van het individu', aldus Emile Durkheim, een van de aartsvaders van de sociologie, in zijn studie De la division du travail social (1893). Terwijl traditionele vormen van geloof hun betekenis als bindende factor in de samenleving verliezen, wordt het individu onderwerp van een nieuw soort religie. Dit geloof, aldus Durkheim, zal door zijn aard de vroegere religies nooit kunnen vervangen, maar dat neemt niet weg dat het kan dienen als grondslag van de moderne samenleving.

Zoals elk nieuw geloof had ook dit zijn schriftgeleerden en profeten. De meest welsprekende van hen was wellicht de Zwitserse cultuurhistoricus Jacob Burckhardt, die in zijn werk De cultuur der Renaissance in Italië (1860) de wortels van de moderne wereld trachtte bloot te leggen. Weinig andere historische werken hebben zoveel bijgedragen aan de vorming van het zelfbeeld van de westerse beschaving. Pas in de Renaissance werd de mens zich van zichzelf als individu bewust, aldus Burckhardt. In de 'vrije lucht' van de Italiaanse stadsstaten verwaaide de middeleeuwse sluier, 'geweven van geloof, kinderlijke schroom en waan': de wereld was niet langer gegeven, maar maakbaar - met in het centrum de scheppende mens. De opkomst van nieuwe genres in schilderkunst en literatuur, waaronder het portret en de autobiografie, legde daarvan getuigenis af, evenals de revolutie in het politieke denken, zo treffend onder woorden gebracht door Machiavelli.

Sinds de tijd van Kloos, Durkheim en Burckhardt is de idee van het onafhankelijke en unieke individu alleen nog maar dieper in de westerse cultuur verankerd geraakt. Deze ontwikkeling staat uiteraard niet op zichzelf. De toename van de consumptie, het gemak waarmee wij ons verplaatsen, de opmars van nieuwe technieken en communicatievormen en vele andere maatschappelijke veranderingen hebben aan het groeiende individualisme bijgedragen. De mens is nog nooit zo met zichzelf in de weer geweest als nu, nog nooit is het recht op zelfbeschikking zo dwingend opgeëist, nog nooit heeft 'de stem van binnen' zo luid geklonken.

Onze geest is zo vervuld van de idee van het zelfbewuste en autonome individu dat we ons nauwelijks meer een andere voorstelling van de wereld en haar bewoners kunnen maken, schrijft de befaamde antropoloog Clifford Geertz ergens. Wij zien de mens als een dynamische eenheid van waarnemen, voelen, oordelen en handelen, een uniek wezen tegen een achtergrond die wordt bevolkt door andere individuen. We realiseren ons niet hoe uitzonderlijk deze opvatting van de mens is in vergelijking met die in andere culturen.

Niet alleen de voorstelling van de huidige wereld en andere culturen, ook het beeld van het verleden is gevormd door deze ideeën. In de geschiedenis van de westerse beschaving heeft de ontdekking van 'een uniek zelf' dan ook mythische proporties aangenomen, aldus Roy Porter, hoogleraar in de sociale geschiedenis van de geneeskunde in Londen, in de inleiding van Rewriting the Self, een bundel doorwrochte beschouwingen over de veranderende opvattingen van persoonlijke identiteit sinds de Renaissance.

De bijdragen in de bundel, geschreven door Britse onderzoekers uit verschillende disciplines (onder wie bekende namen als Peter Burke en Terry Eagleton), laten zien hoe ingewikkeld de geschiedenis van dergelijke noties eigenlijk is. Door diep in de huid van de tijd te kruipen, laten de auteurs weinig heel van het geïdealiseerde en zelfbevestigende beeld van de historische triomftocht van het westerse individualisme. De ontwikkeling van de opvattingen over individualiteit verliep volgens grillige, veelvormige en dikwijls ondoorzichtige patronen.

De bundel ontleent haar kracht zowel aan de kwaliteit van de afzonderlijke bijdragen als aan haar gevarieerde karakter. De auteurs bewegen zich schijnbaar moeiteloos van het terrein van de filosofie of het politieke denken naar dat van de kunstgeschiedenis of de literatuur. Dat levert verrassende inzichten op, zoals de verbanden tussen ideeën over persoonlijkheid en sekse-verhoudingen, economische veranderingen en ontwikkelingen in de wetenschap. Illustratief in dit verband is een aantal bijdragen waarin opvattingen over zintuiglijke waarneming in verband worden gebracht met nieuwe ideeën over het Ik.

Hetzelfde geldt voor de passages over het werk van René Descartes, de Franse filosoof die ook in deze geschiedenis een sleutelpositie inneemt. Zijn medidaties over de oorsprong en plaats van de identiteit, uitmondend in het gevleugelde argument 'Cogito ergo sum' ('Ik denk, daarom besta ik'), volgden nauwgezet de regels van de autopsie, de fysieke ontleding van het lichaam, een praktijk die juist in deze tijd in zwang raakte. Niet toevallig verbleef Descartes in deze jaren in de Republiek, het land van de anatomische les van Rembrandt.

De bijdragen in Rewriting the Self maken stuk voor stuk duidelijk dat de voorstelling van de mens als een onafhankelijke en rationele persoonlijkheid allereerst moet worden gezien als een constructie van de negentiende en twintigste eeuw, nauw verbonden met de ontwikkeling van de moderne natiestaat en markteconomie. Hoewel de mens in werkelijkheid allerminst soeverein was (en is) en permanent blootstond aan maatschappelijke en psychische invloeden, strekte de invloed van deze voorstelling zich uit tot alle gebieden van het maatschappelijk leven, van de religie en de rechtspraak tot de kunsten en de psychiatrische zorg.

Dat deze ideeën ook vandaag de dag nog niets van hun aantrekkingskracht hebben verloren, blijkt uit de studie Het vertoog van waardigheid van de Utrechtse cultuursocioloog en trendwatcher Carl C. Rohde. Dit proefschrift kan in zekere zin worden beschouwd als een uitwerking van een aantal kwesties die in de bundel Rewriting the Self worden aangesneden.

Aan de hand van de ontwikkeling van de opvattingen over waardigheid, omschreven als 'het dierbare en verhevene in de samenleving', laat Rohde zien dat de moderne mens geacht wordt voortdurend aan zijn of haar identiteit te werken. Waardigheid is niet, zoals in vroegere, eenvoudiger samenlevingen, verankerd in een stabiele en geordende gemeenschappelijke cultuur, maar 'maakbaar' en in hoge mate 'invulbaar'.

In het slothoofdstuk van zijn boek, dat eveneens begint in de Renaissance, toont Rohde zich tamelijk optimistisch over de mogelijkheden om ook in de hedendaagse, onoverzichtelijke samenleving nieuwe vormen van waardigheid te creëren. Dit gematigde optimisme deelt hij met zijn grote inspirator, Emile Durkheim, wiens opvattingen in Het vertoog van waardigheid luid en duidelijk doorklinken.

De passages over de Franse socioloog vormen tegelijk ook het sterkste deel van het boek, dat als geheel toch wat minder geslaagd is. Rake observaties en sprekende voorbeelden worden afgewisseld met zonderlinge redeneringen en een verregaand gebrek aan precisie in aanpak en terminologie. Vooral de periode van de Middeleeuwen tot de vroege negentiende eeuw, goed voor eenderde van het aantal pagina's, komt er wat dat betreft bekaaid af.

Dat de Glorious Revolution in Engeland twintig jaar te vroeg wordt gedateerd en bovendien aan Cromwell wordt toegeschreven, kan als een vergissing worden opgevat, maar dat wordt al moeilijker met een zin als 'De Barok kende een actief massacommunicatiebeleid'. Onbegrijpelijk is echter de veronderstelling dat je een boek over waardigheid zou kunnen schrijven zonder zelfs maar één keer stil te staan bij de erfenis van de klassieke Oudheid, die zo'n groot stempel drukte op het denken in de Renaissance en de eerstvolgende eeuwen.

Het argument dat Het vertoog der waardigheid geen historische, maar een cultuursociologische studie wil zijn, verliest zijn geldigheid bij zoveel misverstanden, onzorgvuldigheden en verglijdingen. Het lijkt erop dat Rohde zich aan het onderwerp heeft vertild. Daardoor heeft hij veel thema's en recente literatuur geheel of gedeeltelijk moeten laten liggen en de gaten hier en daar moeten opvullen met stof uit de handboeken. Daarmee heeft zijn studie iets weg van een trendwatching-verslag van zes eeuwen geschiedenis van de westerse beschaving.

Frank van Vree

Roy Porter (editor): Rewriting the Self - Histories from the Renaissance to the Present.

Routledge; 283 pagina's; ¿ 55,90.

ISBN 0 415 14280 6.

Carl C. Rohde: Het vertoog van waardigheid - Een cultuursociologische studie naar het dierbare en verhevene in de westerse beschaving.

Amsterdam University Press; 308 pagina's; ¿ 39,50.

ISBN 90 5356 249 4.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden