‘Heia! Hopsa!, op naar het theater’

Een pittige première in Salzburg eindigt altijd in het dubbelkoor van hysterische bijval en dito verontwaardiging...

Salzburg In Salzburg praten tijdens de Festspiele ook het kamermeisje, de ober en de taxi-chauffeur, die openbaringsgezinde Heilige Drievuldigheid van de reizende verslaggever, op hooggestemde toon over opera en theater. Daarmee onderscheiden zij zich in niets van de bestuurlijke en culturele elite, die van Bundeskanzler tot universiteitsrector het netwerk en de ellebogen inzet om maar zoveel mogelijk premières bij te kunnen wonen.

Hoedje met de veer in de band op, Alpenjagerskostuum aan, de dames in het lang of in jodeloutfit, en, heia! hopsa!, op naar het Landestheater of de Felsenreitschule. Salzburg is in augustus het décor van een wekenlang durend megaspektakel in avondlijke afleveringen.

Bij voorkeur van vertrouwenwekkend knus geënsceneerde Mozart-opera’s, zodat de wereld van buiten het theater rimpelloos overgaat in die van de Bühne. Tijdens een avondje opera in Salzburg ziet de foyer er altijd enigszins uit als een reünie van oud-leden van de Hitlerjugend. Thomas Bernhard had gelijk met zijn schimpscheuten op zijn stad: de slagschaduw van Berchtesgaden, waar de Führer indertijd zijn vrije tijd doorbracht, hoog boven Salzburg, zal voor eeuwig over de straten vallen.

Dat is het probleem waar de artistieke leiding van de Salzburger Festspiele zich telkens weer voor gesteld ziet: tegelijkertijd de Salzburgerij behagen én in de internationale artistieke wereld serieus genomen worden. Het is schipperen tussen de bevrediging van de herkenning en de schok van het onbekende. Een pittige première in Salzburg eindigt altijd in het dubbelkoor van hysterische bijval en dito verontwaardiging.

Voor Tsjaikovski’s Jevgenij Onegin (muzikale leiding: Daniel Barenboim; regie: Andrea Breth) is een decor gekozen dat onmiddellijk doet denken aan de hoogtijdagen van het socialistisch-realisme in de voormalige Sovjet-Unie. In het landgoed van de familie Larin, plaats van handeling in de eerste acte, groeit het koren tot in de kamers toe en is de baboesjka regelrecht van een Trepin-schilderij komen lopen. Even houd je er rekening mee dat straks Stalin ook nog op een trekker het toneel zal komen oprijden. Frau Breth heeft van de jonge, ontvlambare dichter Onegin een irritante rokkenjager met bindingsangst gemaakt. Zijn belangstelling voor de beide dochters van de buren, Tatjana en Olga, komt voort uit verveling, niet uit passie.

Tatjana (de Russische sopraan, die de rol zong, Anna Samuil, was een openbaring) loopt tegen de dertig en is in het stuk dus als een relationeel kansarme oude vrijster.

Breth doet daar nog een schepje bovenop door haar zo onaantrekkelijk mogelijk te maken: een ouwelijke schooljuf in slobberkleren, het wachten is op de kat die zij er ongetwijfeld op nahoudt. Tussen de actes in wordt duidelijk hoe zij Onegin ziet: een ontgoochelde oude dwaas, die bitter op zijn leven terugkijkt. Salzburg kan tevreden zijn.

Maar Barenboim, die veel gevoel voor pathos aan de dag legt, redt de avond – samen met zijn orkest, de Wiener Philharmoniker, en de solisten. Door de derde acte in levensgevaarlijk hoog tempo te beginnen, schept hij de ruimte voor de mentale afgrond waarin Onegin en het publiek vallen wanneer de dichter ten slotte een blauwtje loopt. Barenboim kneedt zijn toehoorders, even gemakkelijk als hij zijn musici naar zijn hand zet.

In Joseph Haydns Armida (muzikale leiding: Ivor Bolton; regie: Christof Loy) moeten wij het minder van de uitvoering dan van de bloedjonge bezetting en regie hebben. Dit is de generatie die tegelijkertijd naar het conservatorium en naar de sportschool is geweest, en tussendoor nog even bij Hanky Panky langs is gegaan. Op de blote schouders van de Oriëntaalse prinsessen die het stuk bevolken zijn de tatoeages levensgroot zichtbaar; ik ben er niks gerust op dat het hier niet om gevleugelde woorden uit de Koran gaat.

Loy laat de legers van kruisvaarders en saracenen moeiteloos een stormbaan op en af hollen, allebei in de bedrijfskleding van de oproerpolitie. Sommige solisten zingen moeiteloos liggend hun aria’s, of staand als koeien op een Alpenwei. De barokopera ruilt daardoor hoofse elegantie in voor aanstekelijke vitaliteit. De hoofdman van de saracenen is van hedendaagse oriëntaalse chic – schraal, lang, onaandoenlijk zelfverzekerd –, terwijl wij, de kruisridders, een Latijns-Amerikaanse generaal, compleet met borstbehang van medailles, rolstoel en zonnebril, leveren. Als daar de vermoeide decadentie niet ter discussie wordt gesteld, oog in oog met de godsdienstoorlog!

Het probleem van Armida laat zich samenvatten als het dilemma tussen trouw aan de liefde of trouw aan de plicht. Hoe dat in Salzburg ook zij, in de hedendaagse cultuur wordt dat als een schijnprobleem ervaren, zoniet als een bezopen kwestie. Daar weet de jonge regisseur Loy wel raad mee: de penibele balans tussen traditie en overtuigingskracht laat hij moeiteloos doorslaan. In de slotakte zit ridder Rinaldo gewoon weer thuis op de bank, onder een schemerlamp en lijkt het probleem eerder ‘porno, psychotherapeut of cocaïne?’ te zijn geworden.

Elders wordt driftig aan de theatertoekomst gewerkt. Daar kampen vier jonge gezelschappen – waaronder het Rotterdamse Hotel Modern – om de ‘Young Directors Award’. Het is Salzburger ironie dat die gesponsord wordt door Mont Blanc – jawel, die van die klassieke vulpennen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden