Heerlijke tijden in een zwaar heavy stad

Nederlandse schrijvers over Berlijn – het is net zoiets als Gelderse schrijvers over Amsterdam. Toch heeft een door Jan Konst samengestelde bloemlezing over de stad haar merites....

Dankzij A.F. Th. van der Heijden kunnen we ons een vrij nauwkeurige voorstelling maken van Jan Konst, de samensteller van Iedereen is op weg naar de Brandenburger Tor – Nederlandse en Vlaamse schrijvers over Berlijn. Van der Heijden beschrijft Konst in zijn inleiding op de bloemlezing als ‘een lange, blonde jongeman’ met een knijpbrilletje, die ‘iets dandy-achtigs’ had, ‘maar op een onpretentieuze manier’. Dat was tenminste het geval in 1993, toen de beide heren een lange, met drank overgoten nacht in Berlijn doorbrachten. Altijd leuk om te weten, al is het de vraag wat het er precies toe doet.

Diezelfde vraag rijst als het om de bloemlezing als geheel gaat, die bestaat uit door Konst, die gastdocent aan de Freie Universität in Berlijn was, uitgezochte en ingeleide fragmenten. Er zijn beslist mooie en interessante impressies bij die een persoonlijk licht werpen op Berlijn, die fascinerende stad in het hart van Europa die de laatste honderdveertig jaar veelvuldig (méér dan Londen of Parijs) van karakter is veranderd en toch zichzelf is gebleven.

Niettemin: hoezo Berlijn laten weerspiegelen in het werk van Nederlandse en Vlaamse schrijvers? Bestaat er zoiets als een speciale Lage Landen-blik op de Duitse hoofdstad? Daarvan valt weinig te bespeuren, waardoor het project een beetje provinciaals aandoet. Er zijn tenslotte talloze Duitse, Oostenrijkse, Russische, Franse en Amerikaanse auteurs die zich ook over Berlijn hebben uitgelaten. Nu is het alsof iemand een bundel over Amsterdam uitbrengt, gezien door de ogen van schrijvers uit Gelderland en Overijssel.

Ondanks dit niet te veronachtzamen punt van kritiek is Iedereen is op weg naar de Brandenburger Tor geen mislukking. Dat is toch ook weer aan die lange, blonde Konst te danken, wiens indeling in periodes (keizerrijk, roaring twenties, nationaal-socialisme en oorlog, de gedeelde stad en het Berlijn van nu) helder belicht hoezeer Berlijn ‘een dynamisch concept (is) dat na verloop van tijd steeds opnieuw gedefinieerd wordt’.

Rond de vorige eeuwwisseling was Berlijn koortsachtig bezig zich te ontwikkelen tot een echte metropool. Marmeren en bronzen standbeelden imponeerden de bezoekers, nieuwe volkswijken werden gebouwd (Kreuzberg, Prenzlauer Berg), de eerste warenhuizen openden hun deuren en ook toen al maakte de stad indruk met haar rijke aanbod aan theater.

Het Berlijn-beeld uit de Weimar-tijd (1918-1933) is complexer. De oorlog had zijn sporen nagelaten en de hyperinflatie van begin jaren twintig verergerde de sociale ontwrichting nog. Maar Berlijn was ook een stad waar alles kon, tolerant en decadent, een laboratorium van moderne kunst (dadaïsme, expressionisme), met een bruisend uitgaansleven, vol van de klanken van jazz en charleston, een mekka voor kunstenaars en intellectuelen uit heel Europa.

Het is spannend om te zien hoe verschillende auteurs die uiteenlopende, tegenstrijdige elementen oppikken. Zo heeft de socialistische dichteres Henriëtte Roland Holst vooral oog voor de donkere zijde. Voor ‘de oorlogsinvaliden met hun bedelnap, het opzij gesmeten wrakhout van de grote oorlog’. En voor ‘de vele oude vrouwen, die kranten of bloemen of lucifers verkopen, arme oudjes, sjofel, maar toch proper in de kleren (...)’.

De schrijver J. van Oudshoorn schetst hoe luxe en armoede elkaar ontmoeten. ‘Aan de rechterzijde van de Gedächtniskirche stuiten de zo tegengestelde werelden van de welgestelden (automobielen en bontjassen) en die van de bedelaars, oorlogsinvaliden en straatverkopers op elkaar.’ De dichter Hendrik Marsman vertolkt in een brief (22 september 1922) de euforische opwinding die Berlijn bij hem oproept. ‘Ik slaap per nacht 3 uur. Verder: boeken, cafés, straten, auto’s, U-Bahn, Marc, Heckel, Feininger, – Wijn (E.T.A. Hoffmann!) Vrouwen (...). Deze week (...) is de heerlijkste van heel dit leven tot nu.’ Er is ook een prachtig gedicht van hem over Berlijn in de bundel opgenomen.

Eind jaren twintig wordt de sfeer grimmiger; nazi’s en communisten leveren slag in de ‘rode’ arbeidersbuurten. Na 30 januari 1933 is het afgelopen met het vrijgevochten Berlijn en marcheren alleen nog de nazi’s. Een strofe uit Berlijn 1933 van Anthonie Donker geeft de omslag weer. ‘Het land van Goethe is het land van Göring./ Ministers schelden door de microfoon./ Europa’s ether trilt van haat en scheuring./ Saujuden! – dat is thans regententoon.’

Vanaf 1943 werd de hoofdstad van het Derde Rijk zwaar getroffen door Britse en Amerikaanse bombardementen. De dichter en diplomaat Maarten Mourik was als dwangarbeider getuige van ‘het jammeren van de brandweersirenes en het geschreeuw van mensen in doodsangst’.

Ook na de ondergang van het nazibewind wilde de geschiedenis Berlijn nog niet met rust laten. De stad werd in tweeën gedeeld en stond in het brandpunt van de Koude Oorlog. Vanaf 1961 bevestigde de Muur de deling van Berlijn, Duitsland en Europa.

Op uitnodiging van Brecht was de Nederlandse dichter Lucebert van september 1955 tot maart 1956 te gast bij het Berliner Ensemble in Oost-Berlijn. Hij ergerde zich blauw aan de privileges die de communistische kunstenaars zich in ruil voor hun politieke gehoorzaamheid lieten welgevallen.

Bij feesten en partijen werd de drank geserveerd door keurige dienstmeisjes met witte kapjes op, die zich na gedane arbeid schielijk in de keuken terugtrokken. Lucebert, terugblikkend: ‘Toen werd ik zo godvergetes kwaad dat ik naar de zitkamer rende en schreeuwde: wat is dit voor een arbeiders- en boerenstaat, de meiden zitten godverdomme in de keuken.’

In de jaren van de Koude Oorlog was Berlijn (waren de Berlijns, het rustige, bedrukte Oost-, en het naar vermogen klaterende West-) in de woorden van Jules Deelder een ‘heavy stad. Zwaar heavy.’ Maar in de avond van 9 november 1989 liet Vrouwe Historia zich voor één keer van een vrolijke en vriendelijke kant zien en opende de Muur alsof het niets was. In het titelverhaal ‘Iedereen is op weg naar de Brandburger Tor’ beschrijft Cees Nooteboom hoe de bevolking van Oost en West zich met elkaar vermengde.

Sindsdien is het zo lang braak liggende midden van de stad weer volgebouwd met nieuwe kanselarijen voor de ‘Berliner Republik’, veranderde de Potsdamer Platz van een verwaarloosd grasveld aan de Muur in een stuk namaak-Manhattan vol shoppers en opende in Prenzlauer Berg (voormalig Oost-) het ene na het andere trendy café. Berlijn bruist weer en heeft, lijkt het, even vakantie van het noodlot.

Anet Bleich