Heer Ollie was een teddybeer

Wie kent nog Mimi Poezekat, Tripje of het muizenduo Snuffelgraag en Knagelijntje? Het eerste overzicht van de geschiedenis van het Nederlandse stripverhaal is ook een eerbetoon aan de pioniers van de krantenstrip....

HOE GROOT was Olivier B. Bommel? Voor de verstokte Bommellezer is dit geen vraag. Die heeft natuurlijk meteen het antwoord paraat, compleet met het paginanummer van het verhaal waarin heer Ollie's maten worden prijsgegeven. De geïnteresseerde leek, die maar een gooi moet doen en onwillekeurig de uitdrukking 'een beer van een vent' te binnen schiet, wacht echter een verrassing: de heer van stand had een kleuterpostuur.

Het bewijsmateriaal is deze weken te zien in Turnhout, op de tentoonstelling Van Bulletje tot Wentelteefje; een duizelingwekkend overzicht van de geschiedenis van het Nederlandse stripverhaal van circa 1880 tot 1999. Tussen de overvolle vitrines in De Warande zijn ook enkele tableaux vivants ingericht - scènes uit de wereld van inkt en papier, die met een speelse kunstgreep in drie dimensies zijn vertaald. Een Bommeliaanse doorgang, waarbij je elk moment de bediende Joost met zijn plumeau verwacht, voert naar de wereld van Marten Toonder, waar wat verfstreken de muur het patina van eerbiedwaardige ouderdom geven. Daar hangt ook Ollie's welbekende ruitjesjas, in een teddyberenmaat die heel de grandeur van het slot Bommelstein op ontroerende wijze tot miniatuurfantasie reduceert.

Houden Nederlanders wel van strips? Het geeft te denken dat dit eerste historische overzicht weliswaar met steun van Nederlandse fondsen, maar toch allereerst dankzij een Belgisch initiatief tot stand kwam. Mocht het Nederlands Stripmuseum er nog van komen (het Brusselse voorbeeld opende jaren terug zijn deuren), dan hoeft over de opzet van de basiscollectie in elk geval niet meer te worden gepiekerd. De Nederlandse stripkenner Joost Pollmann, die de samenstelling op zich nam, heeft na een grondige speurtocht in bibliotheken en archieven een overweldigende collectie curiosa bijeengebracht, waar ook kenners van de materie verbaasd kennis van zullen nemen.

Pep, Sjors, Eppo, Donald Duck ('een vrolijk weekblad'), Eric de Noorman, Dick Bos, Kapitein Rob - het zijn klassieke namen die hier in alle stadia van begeerlijkheid zijn bijeengebracht: van het beduimelde, stukgelezen beeldromannetje ('verkoopprijs 35 cents') tot de ingelijste vierkleuren-zeefdruk op reuzenformaat van sexy stripheldin Franka. Wie wil weten hoe de kwajongen Sjors aanvankelijk heette ('Perry'), in welke vechtsporten Dick Bos ook weer excelleerde ('jiu-jitsu, judo en karate') of wat de precieze schrijfwijze is van professor Prlwytzkofsky ('met ener z in der midden'), kan in de bijbehorende toelichtingen zijn hart ophalen.

Het gevolg van de informatiedichtheid is wel, dat een enigszins geconcentreerde bestudering van het tentoongestelde al gauw een uur of drie in beslag neemt. De bezoeker ontkomt daarom niet aan keuzes. Laten we de beginjaren in de eerste zaaltjes buiten beschouwing (waarin Willem Bilderdijks Hanepoot, 'de slimme guit', met een flinke wind de kaars uitblaast), of negeren we de anarchistische kermis van underground-bladen als Tante Leny Presenteert, waarin Aart Clerkx, Evert Geradts, Peter Pontiac, Ever Meulen en later ook Hein de Kort of Eric Schreurs met zoveel ijver onrust stookten?

Alle kans, dat de blik zich vanzelf hecht aan de uitstalling over de jaren twintig, toen Nederlandse strips een eigen plaats in de dagbladen kregen en de voorlopers van Sigmund, Heinz of Fokke en Sukke hun eerste stappen zetten. In deze afdeling is zonder twijfel de grootste verzameling ontdekkingen opgetast: nijvere pioniers die niemand meer kent, anonieme inktvirtuozen, kleurrijke getuigen van een onstilbare honger naar beeldverhalen, waar de huidige krantenlezer zich nauwelijks nog in kan verplaatsen.

Een van de wegbereiders van de Nederlandse krantenstrip was de piepjonge Rotterdammer Henk Backer, die in mei 1921 in het Rotterdamsch Nieuwsblad zijn schepping Tripje introduceerde. Tripje was een houterig getekend mannetje, met een lijfje van kurk, koffieboontjes als voeten en lucifers als ledematen. Aandoenlijk houterig zijn ook de avonturen die Tripje beleeft. Grote schrik als zijn vrouwtje Liezebertha haast uit het raam valt bij het ramenlappen!

Een eigentijdse blik kan er een onschuldige voorloper van Kamagurka in zien (in diens stramme Raketman zijn wel wat Tripje-trekken te herkennen), maar tachtig jaar geleden konden de krantenlezers er geen genoeg van krijgen. Bij de presentatie van een Tripje-boekje kwam de bereden politie eraan te pas om de opdringende menigte voor het Rotterdamse redactiekantoor in het gareel te houden. Toen Tripje enige jaren later zijn krantenjubileum vierde, werd een felicitatieceremonie georganiseerd waarbij duizenden lezertjes hun held (Backer zelf in Tripje-kostuum) de hand kwamen drukken.

Een andere creatie van Backer, Hansje Teddybeer en Mimi Poezekat, verscheen vanaf 1923 met vergelijkbaar succes in het socialistische dagblad Voorwaarts. Ook in deze strip blijkt Backer geen groot tekenaar, maar het is niet moeilijk in te zien hoe de eenvoudige stijl bijdroeg aan de charmes van het opgewekte beertje-in-de-korte-broek: 'Al mijn huiswerk is af en ik ga lekker buiten wat lezen uit m'n nieuwe sprookjesboek.'

Ook Hansje Teddybeer werd in boekvorm een rage. Halverwege de jaren twintig plaatste Voorwaarts de volgende triomfantelijke advertentie: 'De doorvloeiende stroom van bestellingen heeft ons moed gegeven om over te gaan tot een gedurfde daad. Wij hebben namelijk besloten tot het uitgeven van een Vierde druk in een oplage van 10.000 exemplaren. Dat lijkt een waagstuk. En het is het ook! (. . .) Kameraden, laat het weer bestellingen en abonnee's regenen!'

Aanzienlijk geraffineerder waren De lotgevallen van Snuffelgraag en Knagelijntje, een ragfijn, spits getekend verhaal over twee muizen dat G.Th. Rotman in de jaren twintig in diverse regionale kranten publiceerde. In een amusante episode raakt het duo verzeild in een veldslag in een kelder. Keizer Knauwgraag III van Vuilbekkia, een schurk met Erich von Stroheim-achtige trekken, delft het onderspit en trekt zich terug in de vesting Flor Fina: een sigarendoosje, dat door 'zijn hooge, steile wanden' bijna onneembaar is.

NOG MINDER gedateerd ogen de vrijgevochten, soms surrealistische tekeningen van George van Raemdonck voor De wereldreis van Bulletje en Boonestaak van A.M. de Jong. Dit schelmenverhaal over 'de kleine vetbobbel' en 'de lange sleepasperge' verscheen tussen 1922 en 1937 in Het Volk en Voorwaarts en was met 4428 afleveringen met voorsprong de belangrijkste vooroorlogse strip. Van Raemdonck werd herhaaldelijk gecensureerd: pas in herdrukken uit de jaren zestig werden 'onfatsoenlijke' plaatjes met naakte waterballetten en bedelende oorlogsinvaliden niet meer weggemoffeld.

Ook in andere illustraties toonde Van Raemdonck zijn onbenepen geest. Voor het omslag van De Groene Amsterdammer tekende hij in augustus 1933 een modderzwarte Hitler met een forse piemel, die van een poedelnaakte maagd met roomblanke borsten ('Vrede') een schrobbeurt in de wastobbe krijgt.

Pas een halve eeuw later zouden Nederlandse tekenaars zich even onbekommerd in de menselijke anatomie verdiepen - zij het dan vaak in de ontluisterende toonzetting van aambeien, diarree en ander anaal ongerief. Via Joop Klepzeiker ('emmers stront en sloten braaksel') en de Familie Doorzon (met dildo en een lijntje coke op de tweezitsbank), belandt de expositie bij het geëxplodeerde perspectief van de jaren negentig, waarin vunzigheid overloopt in verfijnde meligheid (Gummbah, Eefje Wentelteefje), en naast horkerigheid ook virtuositeit wordt botgevierd.

In de laatste afdeling steelt de in 1962 geboren Typex de show met een brutaal vuurwerk van door elkaar buitelende stijlen: van zachte potloodtinten in het dromerige Melkman tot een vette Flintstone-parodie op de Rolling Stones. Echte strips zijn het lang niet altijd, maar Typex kent zijn klassieken.

In een knap gestileerd tableau laat hij ten slotte ook de samensteller van de expositie opdraven. Hij zit in een keurig kantoortje, op de deur lezen we in venijnig spiegelschrift Kriss Krass: een toespeling op weer een andere strippionier (Chris Kras), wiens scherpe satires al ver vóór de oorlog tot vergeten cultuurgoed bleken voorbestemd.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden