Reportage Afscheid van Juan José Padilla

Heel Spanje huilt als Juan José Padilla, de immens populaire eenogige torero, zijn laatste doodsteek uitdeelt

Sommigen noemen hem loco, een gek, vanwege de durf en de roekeloosheid die hij in de arena tentoon-spreidt. Beeld Getty Images

Juan José Padilla, de geliefdste torero van Spanje, nam deze maand afscheid. Schrijver en tv-maker Jef Rademakers was erbij. Stierenvechten was zestig jaar zijn geheime liefde. Nu is het mooi geweest. 

Het is zondagmiddag 14 oktober 2018 en Spanje huilt. Overal op het Iberische schiereiland veroorzaakt de orkaan Leslie slagregens, maar de Plaza de Toros van Zaragoza wordt getroffen door een regelrechte wolkbreuk. Het zijn de tranen van God, zegt een oude man tegen mij, als hij even voor 6 uur met het doorweekte toegangsbiljet van 70 euro in zijn bevende hand de stierenvechtersarena binnengaat. Nog een geluk dat deze arena overdekt is, anders zou het spektakel zijn afgelast.

In de uitverkochte arena is wel wateroverlast. In dit geval zijn het niet de waterlanders van God, maar van de 15 duizend toeschouwers die de tribunes vullen. De voorstelling is nog niet eens begonnen en nu al huilen ze bijna allemaal. Niet zozeer van verdriet, maar van ontroering. De oorzaak van deze golf van emoties is één man: Juan José Padilla, de 45-jarige torero uit Jeréz de la Frontera. Hij houdt ermee op. Hij kan niet meer. Hij is tot op de draad van zijn glinsterende paillettenpak versleten.

Spanje neemt afscheid van de moedigste stierendoder die het land ooit heeft gekend. Sommigen noemen hem loco, een gek, vanwege de durf en de roekeloosheid die hij in de arena tentoonspreidt, voor anderen heeft hij  een bovennatuurlijke status gekregen. Ze bewonderen hem niet, ze adoreren hem. Vijfentwintig jaar lang riskeerde hij bijna dagelijks zijn leven en dat deed hij voor hen.

Zijn faam beperkt zich niet tot Spanje, Portugal en Frankrijk (waar jaarlijks nog bijna evenveel corridas plaatsvinden als in Spanje). Ook in Colombia en Peru wordt hij op handen gedragen. Hij is officieel uitgeroepen tot held van Mexico. Hoe kon deze Juan José Padilla uitgroeien tot de charismatische stierenvechter die hij nu is?

In wezen dankt hij zijn roem aan zijn onhandigheid. Geen enkele torero is in zijn carrière vaker door de stier gegrepen dan hij. 39 keer liep hij een dusdanig zware verwonding op dat hij in het ziekenhuis belandde. Het leek er soms op dat hij de stier een kans wilde geven. Soms smijt hij tegen het einde van zijn optreden zijn zwaard en rode lap weg en knielt hij vlak voor de stier in het zand, terwijl hij uitdagend zijn vestje open spreidt. Meestal blijft het beest als verdoofd staan. Meestal. . .

Een vechtstier is een enorm gevaarte. Hij weegt tussen de 500 en 600 kilo. Alleen zijn testikels, de criadillas, een delicatesse voor de liefhebber, wegen al bijna zes kilo. De kracht van zijn nek is mythisch. Hij tilt met gemak een paard op. Voor hij met een snelheid van 50 kilometer per uur de ring binnenstormt, heeft hij ongeveer vierenhalf jaar ongestoord tussen mannelijke en vrouwelijke soortgenoten over de grazige vlakte gewandeld. Hij is daar wel in de gaten gehouden. Er is gelet op souplesse, agressie en intelligentie. Alleen de beste exemplaren belanden in de corrida. Tussen het ogenblik waarop het beest wordt losgelaten in de arena en het moment waarop het er als kadaver weer uit gesleept wordt, mogen in principe niet meer dan vijftien minuten verlopen. In die vijftien minuten vindt het ‘gevecht’ plaats. In een gewone corrida de toros passeren zes stieren, die volgens nauwgezette regels worden bevochten door drie toreros of matadors. Elke matador wordt vergezeld door een cuadrilla, zijn gevolg, dat bestaat uit picadores en banderilleros, die allemaal hun eigen rol hebben in het ritueel.

Het Nederlandse woord stierengevecht refereert aan het Engelse woord bullfight en slaat nergens op. Er is van een gevecht geen sprake. Het Spaanse woord lidia vertelt waar het om gaat: het betreft hier een slachting. Een rituele slachting die volgens vaststaande patronen verloopt. Een presidente ziet erop toe dat alles correct en in de juiste volgorde gebeurt. De corrida is geen gevecht tussen mens en dier, het is geen wedstrijd. Er zijn geen winnaars of verliezers. De bedoeling is dat de stier volgens de regels van de kunst wordt afgemaakt. Buitenstaanders die zeggen dat het niet eerlijk is, dat de stier geen kans heeft, hebben niet begrepen waar het om gaat. Runderen in het slachthuis hebben ook geen kans; ook daar staat de uitkomst bij voorbaat vast.

De vaste onderdelen van het spektakel zijn: het ontvangen van de stier met de grote cape (capa), de picador die te paard de ring binnenkomt en met een lans de stier een- of tweemaal in de nek steekt, het plaatsen van de banderillas ( met fleurig papier versierde speren met weerhaken), vervolgens de faena, waarin de torero alleen met zijn rode lap de stier laat doen wat hij wil en tenslotte de suerte de muerte of estocada (doodssteek) waarbij de torero zijn zwaard tussen de schouderbladen van de stier drijft, waarbij hij het hart en/of de longen van de getergde reus doorboort, die daarna binnen afzienbare tijd door zijn hoeven gaat en het loodje legt.

De hoorn van de stier drong in zijn linker oogkas, ging rakelings langs de hersenen en kwam door zijn keel weer naar buiten. Beeld Getty Images

De spanning wordt bepaald door de moed en de elegantie van de torero en de bereidwilligheid van de stier om aan het fatale spel mee te doen. Ze moeten er als het ware allebei zin in hebben, anders wordt het een aanfluiting. It takes two to tango.

Juan José Padilla heeft een onbedwingbare neiging om het publiek te behagen. Normaal gesproken is een torero alleen actief in het begin (bij het ontvangen van de stier) en bij het slot (de faena en de estocada). Het plaatsen van de banderillas, een uiterst link karwei omdat er bijna lijfelijk contact is tussen de banderillero en de aanstormende stier, wordt gewoonlijk aan de helpers overgelaten. Al vroeg in zijn carrière besloot Padilla zelf de banderillas te plaatsen. Hij maakt er – immer begeleid door een opzwepende pasodoble – een soort balletuitvoering van, een dans met de dood. De toeschouwers springen dan in vervoering op de banken. De meeste zware blessures heeft Padilla bij dit onderdeel opgelopen.

Padilla heeft een bijzondere band met het publiek. Soms lijkt het of de kijkers medelijden met hem hebben. Padilla heeft niet de koele perfectie van veel van zijn collega’s. Hij beweegt zich nogal boers, heeft o-benen en de fatale misstap ligt altijd op de loer. Dat was vroeger al zo, toen hij nog optrad in kleine Andalusische stadjes en dorpjes die eens per jaar een verplaatsbare ijzeren ring op een veldje lieten opstellen. Ze hielden van hem. Na zijn optreden vertrok hij vaak met zijn busje vol konijnen, kippen of biggen die de plaatselijke boeren hem als dank hadden gegeven. Hij was één van hen.

Dat gevoel is nog sterker geworden na het grote ongeluk op 7 oktober 2011. Het ongeluk dat zijn leven veranderde. Het vond plaats in dezelfde arena waarin hij nu afscheid neemt: de Plaza de Toros La Misericordia in Zaragoza. Na het plaatsen der banderillas struikelde hij. De hoorn van de stier drong in zijn linker oogkas, ging rakelings langs de hersenen, vernielde vrijwel alle aangezichtspezen en kwam door zijn keel weer naar buiten. Hij werd afgevoerd. Iedereen ging ervan uit dat hij al klinisch dood was toen hij de ring werd uitgedragen. In het ziekenhuis probeerden chirurgen nog iets te redden. En zie: een paar maanden later verscheen hij in een rolstoel op de trappen van het hospitaal. Hij kon toen nog nauwelijks spreken. Zijn gezicht is half verlamd gebleven. 

Een half jaar na het ongeluk maakte hij zijn rentree in de arena. Sindsdien wordt hij nog vaker door de stier gepakt dan voorheen, omdat hij met één oog moeilijker afstanden kan inschatten. Hij heeft nu als bijnaam El Pirata, vanwege het zwarte ooglapje dat de lege linker oogkas bedekt. Van een held is hij een heilige geworden. Hij tooit zich tijdens zijn optreden met scapuliers en armbandjes om de zegen af te smeken voor zieke kinderen, overleden familieleden en verlaten verloofdes. En nog steeds verzorgt hij zelf het onderdeel met de banderillas. Hij is niet de torero met de grootste elegantie, maar wel die met het grootste hart. Hij is aimabel, altijd aanspreekbaar, nooit hooghartig. Als een oud vrouwtje hem het bidprentje van haar overleden man in de handen frommelt, kust hij het papiertje en steekt het onder zijn hemd. Hij zal het dragen tijdens het gevecht.

Padilla is pas 45 jaar, maar hij beweegt zich als een fragiele bejaarde. Het lichaam is op. Hij heeft alles gegeven. In de herfst van vorig jaar kondigde hij onverwacht zijn afscheid aan. Hij moet gevoeld hebben dat hij aan het eind van zijn Latijn was. Maar hij wilde nog één seizoen vlammen en glorieus afscheid nemen van zijn publiek. In de afgelopen zomer trad hij nog op in veertig corridas. Overal werd hij toegejuicht. Hij ontving kunstwerken van bewonderaars en stadsbesturen, ze maakten hem ereburger. Hij kuste het zand van elke arena.

Padilla in 2013. Na een geslaagd optreden wordt de torero op de schouders gehesen. Beeld Getty Images

Tijdens deze afscheidstournee is hem weinig bespaard gebleven. Op 7 juli werd hij in Aravela gescalpeerd door een stier. Weer tijdens het plaatsen van de banderillas. Drie chirurgen probeerden het restant van de hoofdhuid weer op de schedel te naaien. Toen hij op de intensive care uit de narcose ontwaakte, verklaarde hij: ‘Ik zie geen enkele reden waarom ik over vier dagen niet in Pamplona zou kunnen optreden.’ Haar heeft hij niet meer. Op zijn hoofd draagt hij nu een zwarte bandana. Met 45 hechtingen onder die zwarte lap zet hij zijn kruisweg voort.

De corrida is geen sport. Toch lijkt Padilla in zijn volharding enigszins op een wielrenner die ondanks een zware blessure de ronde uitrijdt. Wielrenners verheerlijken vaak het afzien. Het opzoeken en overschrijden van de pijngrens. Alles voor de fans. Voor Padilla horen de kwetsuren bij zijn vak. Zijn adagium is: el sufrimiento es parte de la gloria. Het lijden is onderdeel van de glorie. Vergelijk het met de kruisiging van Jezus. Het lijden om een ander te redden is misschien wel de kerngedachte van de christelijke cultuur.

Er zijn altijd zulke bijzondere figuren als Padilla geweest in de stierenvechterskunst, de tauromaquia: Juan Belmonte en Manolete in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw. Ze kregen staatsbegrafenissen. En El Cordobés, de Cruijff van de corrida, een straatarme zigeuner die in de jaren zestig heel Spanje aan zijn voeten kreeg. Maar het zou best eens kunnen zijn dat Padilla de laatste legende van deze traditie wordt. Het stierenvechten is op zijn retour. De stem van de dierenbeschermers klinkt steeds luider. En ze hebben gelijk. Niemand kan ontkennen dat de corrida een bloederig spektakel is, waarbij beesten gemaltraiteerd worden. Daar wordt nu anders naar gekeken dan vijftig of honderd of tweehonderd jaar geleden. En terecht. Niets is voor eeuwig. In Catalonië zijn stierengevechten al een paar jaar verboden.

Ik heb besloten dat het vertrek van Padilla ook mijn afscheid van de tauromaquia zal zijn. Zestig jaar geleden nam mijn vader mij aan het handje mee naar mijn eerste stierengevecht. Die wereld van moed en bloed is mij blijven fascineren. Ik heb El Cordobés nog met eigen ogen zien optreden. Jonge toreros als Enrique Ponce en El Juli heb ik zien debuteren. En ook ik raakte – enige dweperij is mij niet vreemd – verknocht aan Padilla. Ik ontmoette hem al vroeg in zijn carrière, nog lang voor het zwaarste ongeluk. Omdat ik een deel van het jaar in Zuid-Spanje woon, volgde ik hem op zijn zegetochten door Andalusië en later ook in de rest van Spanje. Soms sliepen we in hetzelfde hotel. Er was altijd tijd voor een praatje, de maestro was gestreeld door de belangstelling uit het hoge noorden. Maar aan alles komt een eind. Jonge mensen keren de corrida de rug toe. Die kijken liever op hun iPhone. En oude mensen zoals ik raken overal op uitgekeken. Er worden elk jaar minder corridas georganiseerd. De hoge toegangsprijzen zijn sinds de economische crisis voor veel Spanjaarden onbetaalbaar. Zelfs tijdens de afscheidstournee van Padilla raakten niet altijd alle arena’s uitverkocht.

Dat geldt op zondag 14 oktober niet voor La Misericordia in Zaragoza. Dat is tot de nok gevuld. Het is de allerlaatste kans om de maestro aan het werk te zien. Drieduizend stieren heeft hij omgelegd in zijn loopbaan. Nog slechts twee zullen er volgen.

De eerste stier valt tegen. Hij is niet in beweging te krijgen. Padilla weigert zelf de banderillas te zetten. Er valt geen eer aan te behalen. Het publiek is ijzig stil.

De tweede zal de laatste worden uit zijn carrière. Deze heeft er wel zin in. Padilla kan zijn hele repertoire afwerken. Hij doet zelf de banderillas. Hij danst voor de laatste maal. Na een geslaagde faena steekt hij het zwaard des doods feilloos in de nek van de stier, die daarop prompt door de knieën gaat en zijn laatste adem uitblaast. De presidente kent Padilla twee oren toe, wat hem het recht geeft op de schouders door de Puerta Grande te vertrekken.

Voor het zover is, grijpt Padilla de microfoon en zegt dat hij in deze arena is gestorven en weer opnieuw is geboren. En dat alle mensen in de wereld nooit de hoop mogen opgeven, omdat niets ooit helemaal verloren is.

Op dat moment huilt iedereen al tranen met tuiten. Ik ook. De maestro zelf trouwens ook. Maar hij huilt uit één oog.

Padilla is uit zijn lijden verlost. Nu de stieren nog, zullen de tegenstanders van het stierenvechten zeggen.

Verslaafd aan de corrida

De corrida, de feestelijke rituele slachting der stieren, in Spanje La Fiesta Nacional genoemd, heet in Nederland ten onrechte stierengevecht. Ooit was het de inspiratiebron voor schilders als Goya, Sorolla en Picasso. Nobelprijswinnaar schrijver Ernest Hemingway was eraan verslaafd. Nog steeds worden kunstenaars gefascineerd door deze dans met de dood. Maar steeds meer mensen gruwen van de bloederige traditie. Het stierengevecht wordt een anachronisme. In dat licht markeerde de laatste corrida van het seizoen, die onlangs plaatsvond in Zaragoza, misschien wel het einde van een tijdperk.

Jef Rademakers

Jef Rademakers (1949) doceerde als twintiger Taalbeheersing aan de Universiteit van Amsterdam en werd daarna bekend als bedenker van televisieformats, kunstverzamelaar, dichter en romanschrijver. Momenteel vertaalt hij onbekende novellen van zijn literaire held Arthur Schnitzler in het Nederlands. Hij is geobsedeerd door dood en vergankelijkheid. Zestig jaar lang was de corrida zijn guilty pleasure.

Verbetering: In een eerdere versie van dit artikel had auteur Jef Rademakers het over de legendes van de tauromaquia Juan Belmonte en Manolo. Deze laatste heet geen Manolo, maar Manolete. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.