HEEL ERG ALLEEN, MAAR NIET VRIJ

Moeder was een Jehova’s getuige, zelf werkte ze in Canada’s oerbossen: Althea Thauberger kent de eenzame wereld in haar video’s, nu te zien in Utrecht....

Is dit een slagveld? Een bos na een orkaan? Gifgas?Op de video Northern liggen jonge mensen verspreid over een modderig veld met boomwortels en stronken. Ze leven nog. Ze slapen, de camera glijdt over hun modderige kleren en klittende haren. Glashelder licht, staalblauwe lucht, alleen het geluid van een druppelend beekje.

Dan komt uit de verte, over de beboste bergen, een kleine helikopter aanvliegen waaruit een jonge vrouw stapt. Die schudt de eerste wakker, samen wekken ze de tweede, en de derde, en de vierde – de camera maakt dezelfde beweging terug en de steeds groter wordende groep jongeren kruipt door de klei tot ze samen halt houden om, als een grote sociaal-realistische beeldengroep, in de verte te staren. Of, zo schrijven kunstvorsers dan al snel, als de drenkelingen op het beroemde 19de-eeuwse schilderij Het vlot van de Medusa van Géricault.

In BAK in Utrecht is dit werk sinds afgelopen weekeinde te zien, samen met nog vier werken van de Canadese kunstenares Althea Thauberger. In Nederland een volslagen onbekende, maar dat zal na deze tentoonstelling zeker niet meer zo zijn. Thauberger is het zoveelste bewijs binnen korte tijd dat er heel bijzonder en nieuwsoortig werk uit Canada komt.

Het is een intrigerend oeuvre. Op haar eerste Europese overzichtstentoonstelling Alone Again (In the Likeness of Life) brengt Thauberger vijf werken bij elkaar waarvoor ze intensief samenwerkte met uiteenlopende groepen jonge mensen: musicalstudentes, vrouwelijke singer-songwriters, echtgenotes van militairen, jonge Duitse dienstweigeraars. Het resultaat zijn hoogst gestileerde kunstwerken die een raar soort combinatie van videoclip, sociaal document en kunstfilm zijn.

Voor Northern (2005-06) werden tree planters ingeschakeld: jonge mensen die soms weken achter elkaar in afgelegen gebieden van Canada werken in de herbebossingsindustrie. Ze maken de hellingen waar hout gekapt is klaar voor nieuwe aanplant: ruig en zwaar werk in afgelegen gebieden. Voor de film vormden dertien jonge boomplanters in Kannanaskis Country, Alberta, een tijdelijke performance-groep.

Vlak daarvoor werkte Althea Thauberger maandenlang in een heel ander soort gemeenschap: een militaire basis in het Amerikaanse San Diego, waar echtgenotes en kinderen van militairen in totale isolatie binnen de campusmuren leven. Hun mannen en vaders zijn in Irak of Afghanistan, slechts af en toe komen ze even thuis. Samen met Thauberger schreven de vrouwen liedteksten en oefenden ze voor een uitvoering, waarvan nu een geluidsopname te horen is.

Het zijn ijzingwekkende liederen. Met heldere, niet al te vaste stemmen zingen de vrouwen over het ‘waiting, waiting, waiting’ dat hun leven geworden is. Hun man is de held, hun leven staat in dienst van de afwezige echtgenoot. ‘I am his wife, I pray for his life’: de liedteksten lijken rechtstreeks afkomstig uit de pr-machine van het Amerikaanse leger. Als de vrouwen in stapelende harmonie hun eigen namen zingen in het lied The Name Game, is dat het enige moment waarop ze daar even van afwijken. Heather-Tracey-Amie-Amanda * het klinkt als een schrille sirene.

De bomenplanters en de eenzame echtgenotes mogen op het eerste gezicht dan weinig gemeen hebben, beide groepen leven wel in geïsoleerde gemeenschappen, waar de groepsdwang groot is en de vrijheid beperkt. En dat is precies waar Thauberger het over wil hebben.

Althea Thauberger (1970, Saskatoon, Canada) sprint onhoorbaar op haar gympen de metalen trappen van het pand van BAK op en neer, een dag voor de opening van de tentoonstelling. Hier een geluidsinstelling checken, daar een kader bijstellen. Niet klein, niet groot, wel heel dun en heel pezig – een soort vrouwelijke Iggy Pop in een smalle legging en twee dunne T-shirtjes over elkaar. Smalle bril, forse handen en een bos donkerblond haar met sporen hennarood om een jong gezicht.

‘Bij ieder project vraag ik me af: wat levert het op voor deze mensen? En wat levert het op voor het kunstwerk?’, zegt ze. In het geval van de zingende militaire echtgenotes vroeg ze de vrouwen waar ze het graag over wilden hebben. Hun huwelijken en leven op de campus zijn verre van ideaal, als mannen van hun missie terugkeren zijn ze van hun gezin vervreemd. ‘Toch wilden ze zichzelf zo presenteren. De enige manier voor deze vrouwen om het vol te houden, is door te blijven geloven in het nut van de missie van hun man en hun rol daarin.’

Het zijn dit soort overlevingsmechanismes die Thauberger interesseren en die in het geval van de military spouses heel duidelijk naar voren komen. Juist in de periode dat Thauberger met ze werkte, was er erg veel kritiek op het Amerikaanse leger en moesten de vrouwen zichzelf heel erg voorhouden dat het zin had. ‘Anders gaan ze eraan onderdoor.’

Haar belangstelling voor gesloten gemeenschappen komt niet uit het niets. Althea Thauberger, met verre Duitse voorouders, groeide op in wat ze noemt een ‘fundamentalistisch religieus milieu’. Moeder was Jehova’s getuige.

‘Ze had periodes waarin ze strenger en minder streng in de leer was, maar het leven was wel heel afgesloten. Je mocht eigenlijk geen vrienden buiten de eigen kring hebben, je werd geacht niets anders te lezen dan bijbelteksten.’ Op haar zestiende verliet Thauberger die wereld, waar ze nu zonder spijt op terug kijkt. ‘Ik heb er erg veel geleerd waar ik op dit moment, met het opkomend fundamentalisme overal, heel veel aan heb.’

Vanaf haar achttiende werkte ze tien seizoenen lang als boomplanter in Canada, voordat ze naar een kunstopleiding ging. Ook tijdens haar studie bleef ze ’s zomers verdienen in de bossen.

‘Het is een ongelooflijk zwaar leven’, vertelt Thauberger met zichtbare trots over haar tijd daar. ‘Je leeft ver weg in de bossen, in tenten, in primitieve omstandigheden. Je wast je kleren in de beek, je doucht buiten. Het werk is heel zwaar, het brengt een kracht in je naar boven die je niet kon vermoeden. En bovendien werk je met bijna alleen maar jonge mensen en ook nog wat sociale drop-outs, een heel gekke groep.’ Naast het harde werken wordt er ook veel gefeest. ‘Crazy people. A lot of freaking out.’

Maar echte vrijheid is het niet. Er is die groep, en je kunt daar niet weg. En er zijn beren, waartegen je altijd een bearbanger bij je moet hebben – een soort superrotje met de knal van een geweer.

Op de kunstacademie werd ze aanvankelijk fotograaf, met een sterke interesse in sociale documentatie. ‘Ik waardeer heel erg jullie Renekie Dijkstra, ik spreek haar naam vast verkeerd uit. En August Sander.’

Eind jaren negentig, toen ze aan haar masteropleiding begon, nam ze afscheid van het bomen planten en werd nu echt een stedeling in Vancouver, met een totaal ander leven. Ze ging video’s maken omdat ze het gevoel had haar onderwerpen daarin nog beter te kunnen portretteren, en ook een eigen stem te kunnen geven.

Zoals de jonge singer-songwriters uit het verafgelegen Victoria, British Columbia, het uiterste Zuidwesten van Canada – een stad die letterlijk aan de rand van de wereld ligt. Thauberger zocht de jonge vrouwen via een advertentie. Ook al kwamen sommigen van hen niet verder dan oefenen voor de slaapkamerspiegel, ze bleken allemaal een gelijksoortige droom te hebben, gemodelleerd naar MTV Unplugged. Met acht van hen nam ze een korte clip op voor haar eerste film Songstress (2001-2002), ook te zien in BAK.

In een vast kader toont Thauberger de overweldigend mooie natuur rondom hun woonplaats. Een waterval, een oerbos, de kust – alles ziet er uit als een felgekleurde klassieke landschapsbriefkaart, waarin de vrouwen opduiken. In vaak aandoenlijke poses en zanglijnen zingen ze hun ziel en zaligheid de camera in, in de doorsnee lyriek van de popsong: ‘I’m covered in bruises’ of gewoon: ‘Why are you needing me?’ Het botst, deze rustieke natuur met een universeel popideaal, zo plat als een dubbeltje.

Natuur en populaire cultuur: dat is een combinatie die wel meer terug te vinden is in de Canadese kunst die de laatste paar jaar opvalt. Een tweede golf uit een gebied dat tot dertig jaar geleden alleen een wat vage reputatie op het gebied van landschapsschilderkunst had. De eerste golf werd aangevoerd door de Vancouver School met voorop fotograaf Jeff Wall, en verder Stan Douglas, Rodney Graham, Ian Wallace en Ken Lum (die heel kunstkijkend Nederland kent omdat al zestien jaar zijn billboard Melly Shum hates her job in de Witte de Withstraat in Rotterdam hangt.) Stan Douglas bijvoorbeeld verdiepte zich intensief in de geschiedenis van British Columbia, en gebruikte structuren van soap-series om een werk te maken over huisvestingsprojecten in een onontgonnen gebied.

De raadselachtige, filmstill –achtige foto’s-op-lichtboxen van Jeff Wall, overgoten met het messcherpe licht dat ook in Althea Thauberger’s werk te zien is, zijn inmiddels een stijlmiddel op zich geworden.

In Witte de With In Rotterdam is momenteel werk van een generatiegenoot te zien, Brian Jungen. Een Canadees van deels native afkomst, die Noordwest-Amerikaanse ‘Indianenmaskers’ samenstelt uit stukgesneden Nike-sneakers. En er is de jonge David Altmejd, die Canada gaat vertegenwoordigen op de komende Biënnale van Venetië. In het rustieke natuurpaviljoen van Canada gaat hij een installatie met een weerwolf maken, waarin natuur en Hollywood-fantasie gecombineerd worden.

Het werk van Althea Thauberger lijkt daar zo in te passen, maar wie goed kijkt ziet toch een diepere laag: een grote interesse in menselijk gedrag. Jongerencultuur is daarbij voor de kunstenaar een goed handvat. ‘Als je jong bent, heb je een enorme ambitie’, zegt ze. ‘Alles lijkt mogelijk en dichtbij, het is verwarrend maar ook helder.’ Maar het gaat haar niet om jongeren alleen. Ze denkt dat jongerencultuur onze hedendaagse conditie weerspiegelt: ambitieus, maar ook kortzichtig en ongeduldig.

Zojuist heeft Thauberger de performance en de film Zivildienst gemaakt met een groep Duitse jongens. Ze vervullen hun vervangende dienstplicht in Berlijn in bejaardenhuizen en andere instellingen, en Thauberger dacht dat hun performance over die, voor de jongens vrij frustrerende, tussenperiode in hun leven zou gaan. ‘ Maar ze verwierpen al mijn voorstellen!’, lacht ze. ‘Ze waren opvallend welbespraakt en volwassen. Ze zagen ook in dat dat werk nu eenmaal gedaan moet worden, en zelfs dat ze er later in hun leven veel aan zouden hebben.’

In de uiteindelijke film gaat het toch weer over groepsgedrag. In een serie tableaux vivants beelden de jongens nu een klassieke opkomst en neergang van een gemeenschap uit: ze worden vrienden, raken verdeeld, splitsen zich in kampen en verbroederen pas weer als er grote dreiging van buitenaf is. Tussentitels vertellen wat de jongens, aangemerkt als de ‘Protagonisten’, overkomt.

Het is een strakke film geworden, in zwart-wit en met sterke lichtcontrasten – af en toe lijken scènes uit schilderijen van Caravaggio voorbij te komen. De beperkende omstandigheden heeft Thauberger dit keer verbeeld in een grote structuur van steigerpijp, waar de jongens niet uit kunnen komen. Soms drukken ze letterlijk met hun handen tegen onzichtbare muren.

Het lijkt mijlenver verwijderd van de Canadese bossen, maar Thauberger neemt die ervaring nog steeds mee, met wie ze ook werkt. ‘Onder extreme omstandigheden vind je manieren om met beperkingen om te gaan’, zegt ze. ‘Als boomplanter zeiden we vaak tegen elkaar: zo moet het zijn om in oorlog te zijn.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden