Hedendaags fetisjisme

De weemoed van Rampeletamski

De eigenzinnige schrijfster Carry van Bruggen (1881-1932) had een vehemente afkeer van groepsdenken.

Bij elke herdruk en in ieder essay wordt hieraan gerefereerd. Eerder dit jaar nog, in de studie over Van Bruggen en het vooroorlogse Nederlandse antisemitisme, van de historicus Madelon de Keizer. Een bespreking van Carry van Bruggen neemt altijd het karakter aan van een verdediging, een bijsluiter die ons inpepert tegen welke krachten zij zich teweer diende te stellen.

Dat waren er nogal wat. Omdat ze joods was, vrouw en autodidact, werden haar boeken door de vooroorlogse critici niet of nauwelijks op de eigen merites beoordeeld. De suggestie die van de hedendaagse commentaren uitgaat, is dat dat tegenwoordig gelukkig wél kan, met onder meer als gevolg dat in mei 2007 (een keuze uit) het verhalend proza van Van Bruggen in de Delta-reeks wordt uitgebracht. Daarmee is de canonisering een feit.

Een heuglijke ontwikkeling, gezien de onmiskenbare kwaliteit van dit werk. Curieus echter aan de inleidingen en de beschouwingen is een trekje dat ook de auteur zelf - instinctief al op haar hoede - direct zou zijn opgevallen: om Van Bruggen op waarde te kunnen schatten, wordt ons aanbevolen haar in een nieuwe groep onder te brengen. Welke karakteristiek haar het best past, dat verschilt per inleider: filosoof, joodse denker, modernistisch vormvernieuwer, of zelfbewuste vrouw.

Zo wordt ze keer op keer als representant (en meestal pionier) van de een of andere stroming opgevoerd - een inkapseling, alsof haar werk nog steeds niet op zichzelf kan staan.

In 1925 publiceerde ze het schotschrift Hedendaags fetisjisme, gericht tegen de verheerlijking van de moedertaal, als absurd voorbeeld van nationalisme. Madelon de Keizer toont in De dochter van een gazan aan dat we dit polemische hoogstandje moeten zien als Van Bruggens antwoord op het toenmalige debat over zionisme en cultuur.

In de inleiding bij de herdruk uit 1948 wees Annie Romein-Verschoor erop dat het Van Bruggen niet aan humor en scherpzinnigheid ontbrak, maar ook dat ze merkbaar gebukt ging onder minderwaardigheidscomplexen, en dat een universitaire scholing haar wellicht had behoed voor het doorslaan in toorn, spot en rancune.

Nee, die ongenuanceerdheid maakt nu juist deel uit van de charme, merkt Abram de Swaan op, die de inleiding bij de zojuist verschenen herdruk verzorgt. Hij heeft gelijk. En toch, zelfs De Swaan laat zich verleiden tot de zoveelste bijsluiter, die vooral iets over hem zelf zegt: eigenlijk moeten we de schrijfster als een sociologe zien. Strijdbaar gaat ze tekeer tegen modes van groepen, en om die reden 'hoort zij in de kleine canon van de inheemse sociologie'.

Maar waarom mogen we haar nu niet eens als temperamentvol schrijfster zonder meer lezen en waarderen?

Opgewonden en geestig, drammerig en lang niet altijd redelijk houdt Van Bruggen een pleidooi voor het individu dat zich op eigen kracht onderscheidt, en die de taal (een serie afspraken, een code) als middel gebruikt om een doel te verwezenlijken: geestelijk contact maken, zowel het eigen denken en voelen verkennen als de geest van anderen doorgronden.

Dat is wat een schrijver doet. En daarin trof Van Bruggen bedroevend weinig medestanders. Overal om zich heen bespeurde zij onderscheidingsdrift, maar dan aangewend om zich als kuddecollectief op te stellen tegen minderwaardige groeperingen. De kudde zocht een zelfrechtvaardiging.

Vandaar dat nare nationalisme, en alle gekwaak over 'volksaard' van 'napraters' en 'frasendraaiers', dat snobisme en purisme, altijd ingezet om zich af te zetten tegen hen die daar geen deel aan hebben. Foute onderscheidingsdrift.

De vele voorbeelden die Van Bruggen gebruikt, in bozige ritsen die door hun lengte de hilariteit verhogen, maken haar betoog tot een kunststuk. Gun mij mijn onevenwichtigheid, drukt dit pamflet uit, en daarmee is het zelf een sprankelend voorbeeld van de individuele distinctie

die zij voorstaat.

'Wat toch is eenvoudiger dan uit muziek "Russische hartstocht" en "Russische weemoed " te verstaan, als de componist Rampeletamski heet.' Zó kunnen wij het ook. 'Men ziet het duidelijk, vooral als men het weet.'

Een schrijver die een onbeschaafde landgenoot opvoert, laat hem over senten spreken: 'Maar ook de hoogst beschaafde is onmachtig "centen" anders dan als "senten" te doen klinken!' De taal is een logisch baken, hoor je sommigen beuzelen. O ja? En waarom betekent 'onteigenen' dan hetzelfde als 'ontvreemden', en is 'aardbodem' synoniem met 'aardoppervlak'?

Herculaneum zou 'sonoor en deftig', exclusief Latijns zijn - maar als we Hilversum of Warffum ernaast zetten, blijkt de ophemeling van de um-klank te berusten op elitair prestige.

O, de Maleiers zeggen het zo tekenachtig mooi: een enveloppe is een 'sarong soerat', het manteltje van de brief. Maar wij hebben 'hoofddeksel' en 'handschoen'!

Weg met de classicus die schermt met het 'onvertaalbare' Griekse woord, uitdrukking van een geesteshouding die 'bij ons' niet zou voorkomen en alleen omschreven kan worden. 'Hoe weten ze eigenlijk dat dat woord dit uitdrukt? Omdat het hun eenmaal in het Nederlands is uitgelegd, gelijk zij het hun leerlingen in het Nederlands zullen moeten uitleggen.'

Elke vertaler moet weleens een woordspeling verliezen, 'maar het wezenlijk geestelijk bezit hangt niet aan bepaalde woorden en niet aan de aardigste woordspeling ook'. Taalschoonheid is humbug, want taal is niet mooi of lelijk: 'de beschaafde zegt "naar bed gaan", de onbeschaafde "naar je nest gaan", en toch is nest geen lelijk woord, het is aan de poëtische vogelwereld ontleend.'

Stel je niet aan, gebruik gewone woorden (die leiden niet af) en demonstreer daarin een ongewone visie, zegt Van Bruggen met Schopenhauer, dan zijn we een heel eind. En dat zegt ze niet als vrouw, jodin, autodidact of sociologe, maar als de schrijfster die we rechtstreeks, zonder inleiding, goed kunnen verstaan en volgen.

Maak daar nou maar 'begrijpen' van, had Van Bruggen op dit moment geopperd. En dan had ik in één moeite door dat wijsneuzige 'vehemente' uit mijn eerste zin kunnen schrappen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden