Hanssen: Een zelfbevrijder met knijpbrilen witte slobkousen

LÉON HANSSEN laat het eerste deel van zijn biografie van Menno ter Braak eindigen in 1930. Was dat een bijzonder jaar geweest in het leven van de toen 28-jarige schrijver?...

Zou 1928 niet meer voor de hand hebben gelegen? In dat jaar promoveerde Ter Braak als historicus op een proefschrift over Otto III, de Duitse jongelingskeizer die het Romeinse Rijk had willen reconstrueren naar het model van Augustinus' De civitate Dei, anno 1000. De dissertatie kreeg van de Amsterdamse hoogleraar Brugmans weliswaar het predikaat cum laude mee, maar het zou in de mediëvistiek niet erg beklijven, en de schrijver heeft er naderhand ook altijd met een zekere ironie naar verwezen, alsof hij over een jeugdzonde sprak. Zo heeft hij het tijdens z'n promotiediner (gasten onder anderen Albert Helman, Joris Ivens, Kees Kelk en Hennie Marsman) misschien ook al meteen gevoeld: hij had plichtsgetrouw zijn studie voltooid en bekroond, nu was het tijd voor iets geheel nieuws.

Als Hanssen uit was geweest op zoiets als een Sternstunde, had hij de breuklijn zelfs nog drie jaar eerder kunnen trekken. In Politicus zonder partij zou Ter Braak later het precieze moment memoreren waarop een boek hem had veranderd. 'De sensatie', schreef hij, 'ligt mij nog zo op de tong, dat ik de stoel, de schemerlamp en de verwondering om deze ontdekking nog bijna zintuiglijk kan benaderen. Het was een sensatie van de eerste rang, zoals men die maar bij uitzondering beleeft.'

Dat was in december 1925 geweest, toen hij Prometheus van Carry van Bruggen had gelezen, en achteraf vaststelde: 'Aan dit boek heb ik mezelf ontdekt.'

Waarom dan toch 1930?

Ik heb wel een vermoeden, maar dat kan pas bevestigd worden als volgend jaar deel II is verschenen. Dat blijft het bijna tegennatuurlijke van een biografie die om wat voor reden dan ook (maar ik zou eigenlijk niet één goede reden kunnen bedenken) in tweeën is geknipt, en de lezer even naar de wachtkamer terugstuurt als het net interessant moet gaan worden.

Want daar komt het op neer. Het talent is in de steigers gezet. We zijn ampel geïnformeerd over z'n achtergronden, z'n jeugdjaren, z'n allengs ontwikkelde hebbelijkheden, z'n intelligentie, z'n angsten, vrezen en ervaringen die misschien traumatisch zullen blijken, z'n ambities en z'n eerste schreden op weg naar de literaire roem - maar hoe toen verder?

Nou lijkt Hanssen er een beetje op te rekenen dat zijn lezers dat in grote trekken al weten. Zijn eerste zin - 'Is hij ooit wel kind geweest?' - schept onmiddellijk een haast onder-ons-achtige vertrouwelijkheid tussen hem en iedereen die het Verzameld Werk van Ter Braak allang in de kast had staan, en die als goede verstaander met een half woord toe kan.

De vraag of de briljante (en niet weinig pedante) 23-jarige redacteur van het studentenblad Propria Cures met z'n onberispelijk geschoren wangen, z'n glad gekamde haar, z'n knijpbrilletje, z'n witte slobkousen, z'n driedelige kostuums, z'n gleufhoed en z'n wandelstok, ooit een kind kan zijn geweest, zal elke insider meteen associëren met de begrippenparen waarmee Ter Braak z'n leven lang heeft gejongleerd: kind en volwassene, dichter en burger, individu en massa, vrijheid en dwang, twijfel en waarheid, risico en veiligheid, vent en vorm, leven en dood.

Met die eerste zin heeft Hanssen z'n toon gezet. De betekenis van Ter Braak als (aankomend) denker en schrijver is wat hem betreft een gegeven dat nauwelijks, en hooguit impliciet, ter discussie hoeft te worden gesteld, en dat hij met een schat aan biografische gegevens aanvult, verrijkt en met het oeuvre in harmonie probeert te brengen.

Hij doet dat zeer efficiënt: in korte, kernachtige hoofdstukken, meer verhalend dan schools, soms dichter in de buurt van de vie romancée dan van de traditionele biografie, en met behendige vooruitverwijzingen naar wat vooralsnog in de toekomst besloten ligt. Het beeld van de kleine, onzekere, bangige en in notabele koelte grootgebrachte Menno, met z'n fascinatie voor de Dood op het ganzenbord, anticipeert zo op de zelfmoord van mei 1940, en haalt als het ware de angel uit het speculatieve debat over moed of angst (en de vraag of hij werkelijk op een Gestapo-lijst zou hebben gestaan): de depressieve Ter Braak had al suïcidale 'aanleg'.

Angst speelt een centrale rol. Het tengere dokterszoontje zou in Eibergen hebben moeten opboksen tegen al die goed uit de kluiten gewassen boerenkinkels, en dus mijdt hij ze, in afwachting van het ogenblik dat hij ze intellectueel de baas zal zijn. De situatie herhaalt zich in de eerste gymnasiumjaren (in Tiel: het kind werd voor zes jaar 'gestald' bij familie), maar allengs zal de geest triomferen over het lichaam: de beste van de klas hoeft niet per se te excelleren op een sportveld, hij begint gedichten te schrijven, en leert te dwepen met de schoonheidsidealen van Jacques Perk die hij pas veertien jaar later zal ontmaskeren als aberraties 'uit een provincie des geestes in het quadraat'.

Angsten zullen hem blijven vergezellen. In 1921 betrekt de proviciaal een studentenkamer in de wereldstad Amsterdam - maar hoe 'werelds' was het Amsterdam van die jaren? Het ontgroeningsritueel lijkt hem letterlijk terug te werpen op de heikneuters uit Eibergen. Als de ouderejaars hem, natgespoten met bier, in z'n onderbroek voor een open raam zetten, is het hem op de eerste de beste avond fysiek al te machtig: hij vlucht naar huis, naar de Achterhoek, en zal nooit lid van het corps worden.

Iets soortgelijks gebeurt in 1925, als hij zich heeft gemeld voor een zomercursus in Cambridge, en nauwelijks daar aangekomen doodziek wordt, en opnieuw een haastig heenkomen naar Eibergen moet zoeken, waar zijn vader, de dokter, 'nerveuze reflexen' diagnosticeert. Nog weer later, als hij voor z'n dissertatie bronnenonderzoek in Berlijn moet doen, houdt hij het langer uit, en neemt hij zelfs enigszins deel aan het uitgaansleven in wat dan het Sodom en Gomorra van Europa heet, maar hij pantsert zich (blijkens brieven naar huis en naar vrienden) met een eigen soort onaanraakbaarheid - hij heeft zich zeker door niets en niemand laten verleiden.

Hoe graag wilde hij eigenlijk afscheid nemen van domineesland?

Als gymnasiast is hij met een boezemvriend in de omgeving van Eibergen en Tiel allerlei predikanten af geweest, bij de slimste van wie hij een vleugje Hegel (en des te meer Bolland) opsnoof, op zoek naar een waarheid, of misschien zelfs een motivatie om theologie te gaan studeren. Ook hier zal de desillusie zich omzetten in afkeer. De op zichzelf toch heel menselijke en weldenkende religieuze vrijzinnigheid waarin hij is opgegroeid, en die hij als lid van de Vrijzinnig Christelijke Studentenbond nog een behoorlijk poosje heeft omhelsd, zal hij later te lijf gaan met een venijn waarvan je denkt dat 't een betere zaak waardig was; ook dat zou een vorm van angst geweest kunnen zijn.

Hanssen citeert de mooie anekdote van Jan de Hartog, die als hbs-leerling een wat poep-en-piesachtig opstel had ingeleverd dat de buitensporige woede van leraar Ter Braak had ontketend. En die nog wist dat hij zich 'niet als jongetje, maar als vijand behandeld voelde': nog eens angst.

Hoe bang was Ter Braak voor vrouwen? Veel voer voor psychologen. Hanssen overeet zich niet, maar bij mekaar genomen is het onderwerp in zeker een derde deel van zijn boek direct of zijdelings aan de orde. Aanvankelijk staat Ter Braaks al dan niet preutse verlegenheid in amusant contrast met de amoureuze avonturen van zijn goede vriend Dick Binnendijk, die zich studentikoos ook wel 'Dr Naaigraag' laat noemen, maar wiens aanmoedigende adviezen aan dovemansoren gezegd blijven. Veel platonische jeugdbevliegingen passeren de revue, maar van iets dat een seksuele relatie zelfs maar zou zijn genaderd, is nooit sprake. Eenmaal wordt (in Amsterdam) een 'juffrouw' bezocht, maar die excercitie eindigt nog voortijdiger dan de mislukte ontgroening, 'omdat ik zelfs geen poging tot toenadering had gewaagd'.

Onder anderen Gomperts heeft gezinspeeld op latente homofilie, en daarmee Ter Braaks belangstelling voor de vermoedelijk homoseksuele keizer Otto in verband gebracht. Het lijkt een plausibele theorie. De vrouwen die later in de romans Hampton Court en Dr Dumay verliest. . . een rol spelen, zijn schimmige schepsels gebleven: als mensensoorten waarover Ter Braak wel eens het een en ander heeft gehoord en gelezen, zonder enig idee te hebben wat je er precies mee aan moest. Schreef hij niet een keer aan Dick Binnendijk 'dat geen vrouw, in één bepaald opzicht dan, de vriendschap kan vergoeden, de beproefde en ongegêneerde mannenvriendschap'?

De intrigerendste vrouwenfiguur uit z'n biografie is misschien Jo Planten geweest: tien jaar ouder dan hij, getrouwd met de huisarts van Neede, moeder van drie kinderen. Moederfiguur?

Dat ze literaire interesse had kan niet de enige reden zijn geweest dat hij, in een brief aan de weer in vertrouwen genomen Binnendijk, pathetisch verzuchtte: 'Ik ben absoluut vemietigd door deze vrouw.' Binnendijk bepleitte stevige maatregelen. 'Wapenbroeder met het prikzwaard!', schreef hij olijk - 'ik geloof dat als je nú, d.w.z. nu de tijd rijp is blijkbaar, doortast, een zekere Heer 'cocu' wordt.'

Maar hij had het kunnen weten: Ter Braak tastte niet door, bleef (ofschoon al een eind in de twintig) als een schooljongen om de aanbedene heen dreutelen, en bediende zich van het enige prikzwaard waarmee hij ervaring had, te weten z'n pen. Helaas heeft zij - uit angst voor ontdekking - de meeste van zijn honderden brieven verbrand: we zullen nooit weten hoe hartstochtelijk Ter Braak mogelijk op papier was. De plaats die Jo Planten in de 'geschiedenis ener intelligentie' innam is intussen verzekerd: zij was degene die hem in december 1925 een exemplaar van Prometheus stuurde.

In 1930, het jaar waarin Hanssen z'n streep onder 'de jonge Ter Braak' zet, had zijn held - afgezien van de dissertatie en losse artikelen in Propria Cures, Erts en De Vrije Bladen - nog maar twee boeken gepubliceerd.

Het ene heette Cinema Militans, en was de vrucht van een even heftige als kortstondige passie voor de film. Dat is om twee redenen een opmerkelijke periode in z'n leven geweest. Als mede-oprichter van de Filmliga en redacteur van het gelijknamige maandblad, vervult hij voor het eerst een min of meer 'maatschappelijke' leidersrol, en hij doet dat met verve en met groot vertoon van autoriteit. Z'n overwegend jeugdige bentgenoten schikken zich zonder veel mokken naar het gezag van zijn vaak hyperdogmatische opvattingen en keuzes - maar ook een veel oudere en wijzere collega als de criticus L.J. Jordaan, het tegendeel van een dogmaticus, accepteert zijn aanvoerderschap alsof het voor zichzelf spreekt: het fysiek kwetsbare kind uit Eibergen is op het (beperkte) terrein van de cinema ineens de onbetwistbare heerser van het intellectuele discours geworden. Is het zijn uitzonderlijkheid? Of was hij koning Eenoog in een tamelijk kippige omgeving? Het is een vraag die opnieuw gesteld mag worden als het gaat om z'n literaire hegemonie in het volgende decennium.

De andere opmerkelijkheid in z'n bemoeienis met de film blijft de volstrekte eenzijdigheid, bijna blindheid, van z'n oordeel. Uit het geheel van wat de cinematografie had te bieden isoleerde hij koppig dat deel dat het minst levensvatbaar, het snelst gedateerd en je zou kunnen zeggen het meest negentiende-eeuws was: wat hij de Absolute Film noemde, en waarvan hij de illusie koesterde dat 't als een vorm van individuele artisticiteit zou overleven. Op dat punt, en ook in z'n gelijktijdige, soms hysterische anti-Amerikanisme, was hij op een fundamentele manier onmodern, d.w.z. zonder enige antenne voor wat zich sociaal en cultureel in zijn samenleving voltrok: de man die met knijpbrilletje, witte slobkousen, wandelstok en al met z'n rug naar de werkelijkheid stond.

Het valt op dat Hanssen het filmintermezzo zonder veel inhoudelijk commentaar beschrijft, en Ter Braaks tweede boek van vóór 1930 - Het carnaval der burgers - zonder meer prijst als een meesterwerk, terwijl ik bij een poging tot herlezing van dat essay andermaal haast krankzinnig werd van al die aanhalingstekens die zo ontzettend herinneren aan de woordangst van de door Ter Braak verafschuwde vrijzinnige dominees.

Was het Carnaval werkelijk het einde van 'de jonge Ter Braak', en daarom het einde van Hanssens deel I? Maar dat einde is dan wat mij betreft zo niet teweeggebracht dan toch bespoedigd door de tussenkomst van Du Perron: de ware rechtvaardiging om de biografie op te splitsen in een leven vóór en na 1930.

Op 17 november van dat jaar schrijft Ter Braak z'n eerste, schuchter uitnodigende briefje: op zoek naar mannenvriendschap. De aanhef is typerend. 'Amice', staat er boven, en daarachter tussen haakjes: 'Beter titel weet ik voorlopig niet; maar de qualificatie wil ik graag uitschakelen.' Ook in het vervolg van de onvervalste 'Aufforderung zum Tanz' herkennen we de onzekere, bangige provinciaal: 'Er zal nu zoiets moeten gebeuren als een afspraak, waar ik overigens werkelijk niet tegen opzie. Alleen: daarbij zal waarschijnlijk blijken, hoe verschillend onze antecedenten zijn, die ons tot dezelfde waarheid (of voor mijn part onwaarheid) leidden. Ik ben namelijk van afkomst vrijzinnig-protestant, braaf opgevoed door brave ouders, zonder aanwijsbare neiging tot perversiteit etc., etc., alles waarschijnlijk anders dan bij jou.'

Misschien zal Hanssen zijn tweede deel met dat aftastende smekelingenbriefje beginnen - om vervolgens, aan de hand van de hardnekkigste literaire correspondentie uit de twintigste eeuw, te laten zien van hoeveel oude zekerheden Du Perron zijn nieuwe vriend in hoog tempo berooft. Binnen een jaar (binnen honderd brieven) is Carry van Bruggen al gedevalueerd - 'toch wel erg van de avondcursus', meent Du Perron ongenadig -, is de relatie met de 'bed-en-sofa-held' Binnendijk bekoeld, is Ter Braak van z'n geloof in de Absolute Film gevallen, en belooft hij voortaan minder verzoeningsgezind te doen als hij de roomse Anton van Duinkerken aanvalt.

'Wie iets van Ter Braak serieus neemt', schrijft Hanssen op de voorlaatste bladzij van zijn eerste deel, 'moet hem serieus nemen als zelfbevrijder, en wie hem in die hoedanigheid aanspreekt, zoals W.F. Hermans deed, hoeft zich niet te ontzien scherpe woorden te gebruiken.'

In die wat cryptische (en wat plompverloren) verwijzing naar Hermans, proef je de vooraankondiging van Du Perron. Het kan nog spannend worden in deel II.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden