Dit is een jonge 'Thomas’. Ontwerp geïnspireerd door John Baldessari.

achtergrond De jongen die wilde mislukken

‘Handen omhoog of ik schiet je dood’, was dát echt mijn lieve vriend?

Dit is een jonge 'Thomas’. Ontwerp geïnspireerd door John Baldessari. Beeld Heike Jutta

Als journalist Angela Wals verliefd wordt op Thomas, biecht hij al snel op dat hij in de jaren negentig een aantal gewapende overvallen pleegde.  

Ik leer Thomas kennen in een foute Amsterdamse kroeg, zeven jaar geleden. Hij vertelt over de muziek die hij maakt, ik over de journalistieke opleiding waaraan ik net ben begonnen. Hij vraagt of hij een keer voor me mag koken, en ik vind het goed.

Twee maanden later lopen we over het strand van Zandvoort naar Bloemendaal. Ik vind inmiddels van alles leuk aan hem. Hij kookt gerechten waaraan ik me nog nooit heb gewaagd. Elke keer als hij achter zijn piano kruipt, geniet ik met gesloten ogen. Hij is tien jaar ouder dan ik, maar doet niet alsof hij meer levenservaring heeft. En we hebben met elkaar gemeen dat we de opmerking ‘Zo ben ik nu eenmaal’ verreweg de stomste conclusie vinden die iemand over zichzelf kan trekken.

Luister hieronder naar onze podcast het Volkskrantgeluid, waarin Laura van der Haar spreekt met Angela Wals over haar boek.

Content haak ik mijn arm door die van Thomas. Een krachtige winterzon laat ook andere strandbezoekers ­stralen. En dan maak ik die holle opmerking die je maakt als je zo zoetjesaan verliefd begint te worden en nog niet in staat bent gezonde stiltes te laten vallen. Ik zeg: ‘Ik ken je nog maar kort, maar ik heb het gevoel dat we al zo veel ­van elkaar weten.’

‘Klopt’, beaamt Thomas. ‘En dan heb ik je nog niet eens over mijn criminele verleden verteld.’

Iemand duwt me, zo voelt het. Ook gebeurt er iets in mijn maag. Hij houdt in en kijkt me aan. Zijn helblauwe ogen, die meestal juist brutaal staan, kijken nu bezorgd. ‘Heb je iemand verkracht of vermoord?’, is het eerste wat ik vraag, zonder echt over die vragen te hebben nagedacht. Alsof ik in de lijst van slechte daden gevoelsmatig de grens bij moord en verkrachting trek: dat kan écht niet. Over de rest, wat die rest dan ook mag zijn... Nou ja, daar valt nog over te praten.

Niemand is dood of verkracht, maar er zijn wel mensen bedreigd en mishandeld, zegt hij.

Mijn slapen kloppen. Thomas geeft een korte samenvatting. In de zomer van 1994 pleegt hij met drie vrienden een serie gewapende overvallen in zijn woonplaats Arnhem. Hij heeft dan net zijn vwo-examen gedaan en is zelfs al toegelaten voor het conservatorium in Zwolle. Hij is zeventien en dus minderjarig, maar vanwege de ernst van zijn daden wordt hij later als volwassene berecht en dat geldt ook voor zijn vrienden.

Dit is ‘Thomas’ op bewerkte (school)foto’s uit de jaren tachtig. Ontwerp geïnspireerd door John Baldessari. Beeld Heike Jutta

Hij krijgt in eerste instantie een celstraf van drie jaar, maar in hoger beroep gaat daar een jaar vanaf. Minus voorwaardelijke straf en een paar maanden gratie voor goed gedrag zit hij bij elkaar bijna een jaar in de gevangenis.

De vuurwapens waren niet echt, benadrukt hij, het waren alarmpistolen. ‘Maar dat wisten de mensen die ik onder schot hield natuurlijk niet.’

Er verandert niet meteen zo veel tussen ons. Ik vind het in zijn voordeel spreken dat hij eerlijk is over zijn verleden. Het is bovendien al twintig jaar geleden. Hij heeft na zijn gevangenisstraf een nieuw leven opgebouwd, verdient zijn geld op een legale manier en leidt een vrij muzikanten­bestaan. Voor zover ik kan beoordelen heeft hij zijn tweede kans bij de lurven gegrepen. Respect.

Het verhaal boeit me wel. Hoe zou dat eruitgezien hebben: Thomas met een bivakmuts op, zwaaiend met een wapen? Wat riep hij? ‘Dit is een overval’? Of: ‘Geef me je geld of ik schiet’? Ik bedoel, wat weet ik ervan? Naast Thomas ken ik niemand die zoiets heeft gedaan. En zelf ben ik zo braaf dat ik me er haast voor schaam.

Zette hij zijn wapen tegen iemands hoofd? Laadde hij het wapen door? Is hij ertoe in staat zo wreed met iemands geest te spelen? Ik vraag het allemaal aan hem, maar hij weet niet meer zo goed wat hij deed en zei toen hij dat ene tankstation of die cafetaria binnenliep. Hij kan zich überhaupt bijna niets van de overvallen herinneren. Als mogelijke verklaringen voor de gaten in zijn geheugen noemt hij de adrenaline en dat hij toen ‘extreem veel blowde’.

Tijdens het blowen fantaseerde hij met zijn vrienden over de perfecte juweliersroof die ze aan het beramen waren. Als ze die echt goed zouden uitvoeren, zonder mensen kwaad te doen, dan zouden ze niet alleen rijk zijn, maar ook erkenning en respect krijgen. Zou dat niet mooi zijn? Die roof was eigenlijk de enige overval die het viertal wilde plegen, maar ze hadden geld nodig voor investeringen, zegt Thomas: een vluchtauto, vermomming en wapens. En om die te kunnen bekostigen, gingen de vier vrienden intussen door met het plegen van kleinere, minder doordachte overvallen.

Als op 29 december 2012 de 36-jarige bokser Kevin America wordt neergeschoten voor zijn huis in Nijmegen kan ik mijn nieuwsgierigheid niet langer aan de kant schuiven. Hij ligt badend in het bloed als hij wordt gevonden en overlijdt later in het ziekenhuis. De voormalige Nederlands bokskampioen was sinds een paar jaar boksleraar, eigenaar van een bouwbedrijf en had drie jonge kinderen. ‘Maar hij hield zich ook bezig met criminele activiteiten, en die hebben mogelijk te maken met zijn dood’, zegt de politiewoordvoerder bij Opsporing verzocht, een maand na zijn dood.

Thomas wijst naar de televisie en zegt: ‘Met hem heb ik vastgezeten.’ En ik kijk hem stomverbaasd aan.

‘Dat was nou écht een aardige gast’, gaat Thomas verder, ‘een goede kok ook. We kookten weleens samen in de gevangeniskeuken. Hij werd boos als ik boven de pan hing met mijn neus; dat vond hij smerig. Ik moest volgens Kevin de dampen met een hand naar me toe zwaaien.’ Thomas maakt met zijn hand een koninklijke zwaai.

‘Hij was ook heftig. Bloed maakte hem agressief. Als Kevin tijdens een gevecht bloed zag, sloeg hij juist door. Hij probeerde me nog, half grappend, half serieus, te rekruteren voor drugssmokkel, iets met cocaïne. ‘Daar ben jij nou écht geschikt voor’, zei hij. ‘Je bent slim en ziet er betrouwbaar uit, niemand verdenkt jou.’ Volgens mij had hij trouwens ongelijk; ik zou een veel te zenuwachtige drugssmokkelaar zijn.’

Ik hoor hem luid en duidelijk en toch lijkt hij een andere taal te spreken. Thomas zucht en schudt zijn hoofd: ‘Jeetje, die Kevin.’

Ik zoek naar woorden. ‘Weet je wel hoe raar het klinkt dat jij met een vermoord iemand in de gevangenis hebt gezeten?’, werp ik hem toe. ‘Raar’ is niet het juiste woord, maar ik kan niets passenders verzinnen.

Hij erkent dit, het ís gek, maar hoe moet hij het dan zeggen? Het is waar, ze zaten samen in de Corridor, een jeugdgevangenis in het Brabantse plaatsje Zeeland. ‘En zo’n toffe peer was die Kevin dus niet’, ga ik verder, ‘want je wordt niet zomaar omgelegd, weet je.’ Wederom spreekt hij me niet tegen: ‘Ik zeg alleen dat hij aardig was.’

Kevin America eindigt op een parkeerplaats badend in zijn eigen bloed, en zijn lot zet me aan het denken. Hoe is het Thomas’ oude vrienden – Samir, Nourdin en Azad – vergaan, vraag ik me af. Lijkt hun leven meer op dat van ­Thomas of op dat van America? Thomas is ze twintig jaar geleden al uit het oog verloren.

En hoe zag die vriendschap eruit? Samir, Nourdin en Azad zijn kinderen van eerstegeneratiearbeidsmigranten in Nederland en hun vaders werkten in fabrieken rondom Arnhem. Thomas is een autochtoon en heeft witte hoogopgeleide ouders. Samir was zijn beste vriend. Hij deed havo op dezelfde middelbare school en begon met de overvallen, maar wilde niet dat Thomas mee ging doen. ‘Je bent mijn vriend’, zei hij tegen Thomas, ‘maak je maar geen zorgen over het geld. Waarom zou je het risico nemen? Jíj hebt kansen.’

En hoe zit het met de slachtoffers die in de loop van zijn wapen hebben getuurd? Worden zij nog wel eens aan dit moment herinnerd? Thomas heeft het nooit over ze, maar denken zij nog weleens aan hem?

Dan is er nog het mysterie van Thomas zelf: het muzikale talent dat met vwo op zak besluit gewapende overvallen te plegen. Wat dreef hem in vredesnaam? Waarom zou je willens en wetens van je leven zo’n zootje maken terwijl je ogenschijnlijk alles mee hebt?

Ik wil dit allemaal weten. Ik weet wie Thomas nu is, een ­geslaagd verhaal, maar ik wil weten wie hij wás. Ik besluit dat dit tot de bodem moet worden uitgezocht. En dat voert me naar de slachtoffers, zijn vroegere vrienden en Thomas’ ouders. En ik bedenk ook: alles wat ik ontdek, schrijf ik op. Daar komt een boek van: De jongen die wilde mislukken. Thomas zit zeker niet te wachten op een egodocument, zijn naam is dan ook gefingeerd, maar ik mag hem wel alles vragen, zegt hij. Bovendien is hij onbedoeld behulpzaam ­geweest door in de gevangenis een dagboek bij te houden. Al schrijvend probeerde hij in zijn cel zijn gedachten te ­ordenen en erachter te komen waar het mis was gegaan. Precies wat ik me nu afvraag. ‘Nu heb ik de afgelopen maanden slechte dingen gedaan’, schreef Thomas op in zijn cel in de nazomer van 1994. ‘Ik heb mensen bedreigd, hun geld afgenomen en ze met de schrik achtergelaten. Ik ben zoals ze zeggen ‘een gevaar voor de samenleving’. Ik heb nog steeds niet goed door hoe ernstig het wel niet is.’

Factcheck het criminele verleden van je vriend en je loopt tegen een berg ongemak aan, weet ik nu. Ongemakkelijk voel ik me bijvoorbeeld als ik bij de gepensioneerde snackbareigenaar op de bank zit, hij een zeer gewelddadige overval beschrijft waaraan hij een posttraumatische stressstoornis heeft overgehouden en ík moet opbiechten dat ik een van zijn overvallers goed ken.

Ik bloos en baal daar meteen van, als de eigenaresse van het Arnhemse tankstation dat Thomas twee keer heeft overvallen over onze dochter zegt: ‘Zie je nu wat voor impact die overvallen hebben? Stel je voor dat jouw kind op een dag op het schoolplein te horen krijgt: ‘Weet jij wel wat je vader vroeger heeft gedaan?’ Het kind is onschuldig, maar zij en ook weer haar kinderen zullen altijd de nazaten zijn van een eens gewapende overvaller.’

Ik denk aan mijn saaie, maar veilige dorpsjeugd als een oud-leraar van Thomas uitlegt dat de basisschool in het ‘hoerenrondje’ van het Spijkerkwartier lag, de rosse buurt van Arnhem, en dat hij vanuit zijn klaslokaal zo op de blauwe garagedeuren van de heroïnedealer kon kijken. Elke ochtend voordat de schoolbel ging, liep hij een rondje om de school om heroïnespuiten te verzamelen en waar nodig een zwerver weg te sturen.

Ik heb groot medelijden met ­Thomas’ moeder, die niet over de daden van haar zoon kan praten zonder zelfverwijt en diepe schaamte.

Maar de grootste schok ervaar ik als ik hoor dat de jongen die de bende overvaltips gaf nu een genadeloze topcrimineel blijkt te zijn die internationaal wordt gezocht.

Mijn ongemakkelijke dubbelrol heeft ook een groot voordeel: de drie vroegere vrienden, inmiddels mannen van begin 40, willen met me praten. Alléén omdat ik de vriendin van Thomas ben, voor enkel Angela Wals de journalist zouden ze dat nooit doen. Ook zij krijgen alle drie een alias in het boek.

Tientallen uren praten Thomas en ik over de misdrijven. Ik vind het knap dat hij dat kan. Maar ik mis wel iets bij hem, namelijk spijt. Misschien zit het er wel, maar ik zie het niet.

Hij voelt zich ongelooflijk schuldig tegenover zijn ouders, maar medeleven met de slachtoffers kan hij niet oproepen, dat lukte toen niet en hij heeft er nog steeds moeite mee.

Naarmate ik dieper graaf, heb ik steeds vaker dezelfde droom over Thomas.

In mijn droom breekt hij altijd eerst mijn hart. Voorbeeld: hij zoent voor mijn neus met iemand anders. Terwijl hij weet dat ik erbij sta. Of ik kom thuis en tref hem in de gang aan met een weekendtas in zijn hand. ‘Ik ga bij je weg. Zal ik de sleutel hier laten?’ En ik reageer met: ‘Wat doe je?’ Maar dan haalt hij alleen zijn schouders op en zegt: ‘Zo gaan die dingen.’ Of: ‘Je moet het je niet zo aantrekken.’ Zijn onverschilligheid drijft mij tot waanzin.

Als ik wakker word, lig ik misselijk in Thomas’ armen.

Ik denk vaak terug aan wat mijn leraar op de journalistiek­opleiding tegen me zei: ‘Nooit in je eigen achtertuin gaan spitten.’ Maar wat als in je achtertuin een schat ligt begraven? Of juist een lijk? Moet ik die dan ook niet opgraven en daar verslag van doen?

Ik vind van wel, ik moet wel, want ik ben met het grootse gemak verliefd geworden op een man die mensen heeft bedreigd met een wapen. En ik kan simpelweg niet accepteren dat ik van een intrinsiek slecht mens hou, dus wat is dan de verklaring?

De overvallen hebben onze relatie nooit aan het wankelen gebracht. Ik vertrouw Thomas. En tóch wil ik er alles van weten, elk minutieus detail, elke finesse.

Aan de gelaagde persoon die Thomas is, hangt nu nog het platte verleden van een ex-overvaller en een ex-gedetineerde. Ik wil dit eenzijdige beeld compleet hebben. Pas dan kan ik zijn verleden loslaten, denk ik. Hoop ik.

Voor dit artikel zijn fragmenten uit het boek ‘De jongen die wilde mislukken’ gebruikt. Thomas, Samir, Nourdin en Azad zijn gefingeerde namen. Het boek van Angela Wals is verschenen bij uitgeverij Querido, €20.

Podcast het Volkskrantgeluid

In de podcast-serie het Volkskrantgeluid vertelt Angela Wals meer over de totstandkoming van het boek over haar vriend. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.