Handboek moraliseren

Moraliseren voor de vuist weg

De titel is ironisch bedoeld: Handboek moraliseren, een vrolijke knipoog op de wijze van Neuken doe je zo, het quasi-opvoedende BNN-programma.

Maar waarom eigenlijk die ironie? Om het onmogelijke van de opgave te onderstrepen? Om aan te geven dat de hele onderneming eigenlijk met een korreltje zout genomen moet worden? Of dat moraliseren misschien wel weer moet, maar tegelijk lachwekkend kansloos is? Om de spot te drijven met de eigen fundamentele weerzin tegen dat noodzakelijke maar hopeloos oubollige moraliseren?

Hoogleraar actief burgerschap Evelien Tonkens, een van de redacteuren van de bundel - ondertitel: Burgerschap en ongedeelde moraal -, verklaart de relativering met de vaststelling dat er nu eenmaal geen receptenlijstjes zijn. De bundel is een verkenning waarin het draait om verwondering en reflectie, beschrijving en analyse - om vragen, niet om weten. Met andere woorden: de hedendaagse 'moralist' staat met nogal lege handen. 'Moraliseren, hoe doe je dat?' is daarom eigenlijk de vraag die dit jaarboek van het Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken beheerst.

Dat moraliseren weer moet, als het tenminste 'modern' gebeurt, blijft min of meer axiomatisch. Het is een Derde Weg, zo niet het smalle pad van de deugd, tussen het 'liberale' vrijheid-blijheid dat in de jaren tachtig de overhand kreeg, en de nieuwe flinkheid van ongeduldige, autocratische dwingelanden die daar weer een reactie op is. Dan liever moraliseren, al weten we niet meer hoe dat gaat en mag het allicht niet lijken op wat Jan Peter Balkenende er zoal onder verstaat.

Plaats van handeling zijn uiteenlopende 'praktijken' als (psychiatrische) zorg, onderwijs (vmbo), welzijnswerk, schuldhulpverlening, sociale zekerheid, waar min of meer autonome professionals geacht worden hun al evenzeer autonome clientèle te helpen goede - of betere? - levens te leiden. Maar ook de publieke ruimte, en het nut van - moraliserende - omgangscodes, komt in Handboek moraliseren aan bod, net als verstrooide casussen van - al dan niet mislukte - gedragsbeïnvloeding door moralisering.

Bij alle verschillen - van praktijk, auteur, benadering - is de rode draad in de bundel onze postmoderne verlegenheid met het aanspreken van 'anderen' op onwenselijk gedrag. Wie ben ik dat ik daar iets van zou mogen vinden, laat staan er iets over te zeggen? En natuurlijk, de pendant hiervan: wie ben jij dat ik me door jou iets zou moeten laten gezeggen? Waar die alomtegenwoordige verlegenheid nu precies vandaan komt, blijft rijkelijk in het vage.

Dat is meer dan alleen maar jammer: het is een regelrecht gemis, want het soort professionele 'praxis' waarover het gaat, heeft aan niets zozeer behoefte als aan goede theorie. Proefondervindelijk, gissend en missend 'de' moraal - weer - inzetten om gedrag te beïnvloeden, is zeker niet niks, maar het heeft veel weg van kurieren am Symptom zolang het grote beeld wazig blijft - of vertekend door misvattingen.

Zijn het bijvoorbeeld wel de jaren tachtig met hun opkomst van het (neo)liberale denken die een 'ideologie' van non-interventie in het zadel hielpen en zo voor onze verlegenheid hebben gezorgd? Heeft het marktdenken, zoals beweerd, er werkelijk iets mee te maken? Of moeten we verder teruggaan, minstens naar de jaren zestig, om erachter te komen hoe ooit vitale instituties en hun dienaren hun tanden verloren en daarmee hun greep op de samenleving? En hebben misschien ook de veranderende bevolkingssamenstelling, gevolg van immigratie, en het even omstreden als dominante multiculturalisme wat met die machteloze verlegenheid van doen? De ondertitel mag dan gewagen van een 'ongedeelde moraal', maar bij ontstentenis van een eensluidende opvatting over 'het goede leven' bestaat die eenvoudigweg niet - en het ziet er allerminst naar uit dat die zich binnenkort wel aandient. Vooralsnog is de maatschappelijke werkelijkheid waardepluriform, en nog op goede gronden ook. Zelfs de onverbiddelijke terugkeer van gemeenschapsdenk

en in de Nederlandse politiek zal daaraan hopelijk niet snel iets veranderen.

De bundel, hoe gedurfd hij ook onbekend terrein binnentrekt, wekt de indruk die vragen en bredere kwesties net iets te lastig te vinden. Dus lezen we vrijwel niets over de nog altijd vitale erfenis van de jaren zestig: waarde- en cultuurrelativisme, de teloorgang van Bildungs- en emancipatie-ideaal, de onttroning - of abdicatie - van de middenklasse als sociaal-cultureel voorbeeldige klasse. Evenmin gaat het over - om nog een dwarsstraat te noemen - machtsverschil en moralisering, noch over allerlei progressieve ideeën die het good old moraliseren in diskrediet brachten. Veel verder dan pragmatische gedragsregels en codes reiken de aanbevelingen, als daarvan al sprake is, dan ook niet. Dat is allemaal wel begrijpelijk, het gaat tenslotte slechts om een eenvoudig 'handboek'. Niettemin is het onbevredigend dat de vaak extreme problemen waarmee praktijkbeoefenaren worden geconfronteerd, lijken te ontspruiten aan een geschiedenisloos heden. Ook relevantie en bruikbaarheid van de analyse en reflectie lijden onder dit kortzichtige presentisme.

Inderdaad, met alleen vrijheid of dwang lukt het niet. Maar zonder vrijheid en zonder dwang? Is in laatste instantie dwang, Fremdzwang zo men wil, niet onontbeerlijk voor sociale disciplinering, want daarover hebben we het hier, en de grondslag voor Selbstzwang: in vrijheid ontwikkelde zelfbeheersing. Sterker nog: is eerlijke Fremdzwang niet verre te verkiezen boven wat in de bundel 'dialogisch moraliseren' heet? Het is een 'moraliseringsstrategie' die de kennelijke voorkeur van de auteurs geniet, en niet te ontkennen valt ook dat we haar op z'n tijd allemaal hanteren. Maar kleeft er niet de penetrante geur van manipulatie aan, van de zachte, welbespraakte dwang waarmee een meer machtige een minder machtige in het gareel tracht te krijgen? Bedrog dus. We doen net of we, docent en leerling, dokter en patiënt, ouder en kind, jongerenwerker en jongere, gelijk zijn - maar ondertussen.

Te hopen valt dat de pendule nog verder zwaait en 'dialogisch moraliseren' straks een tussenstap blijkt te zijn geweest, geschikt voor de tegenstribbelende neomoralisten van dit moment, op de weg terug naar authentiek, ongezouten moraliseren. Dat is absoluut niet hetzelfde, zoals het Handboek lijkt te suggereren, als onbehouwen elkaar de maat nemen. Bezield, verfijnd moraliseren is een teken van grote beschaving. Het erkent en dempt machtsverschillen, stelt de ander op zijn gemak, vermijdt gêne.

In The Moral Imagination, exploreert de Amerikaanse neoconservatieve historica Gertrude Himmelfarb de kunst van het moraliseren aan de hand van door haar bewonderde schrijvers, geleerden en politici, van Edmund Burke via onder anderen Jane Austin, Charles Dickens, John Stuart Mill en Walter Bagehot tot Michael Oakeshott en Lionel Trilling. Een mooi, liefdevol boek, dat te denken geeft over de ernst van het huidige 'beschavingsoffensief'.

Afgemeten aan de tact en het inzicht van haar idolen hebben we - heb ik - nog een lange weg te gaan. Een eerste stapje is gezet - zonder ironie.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden