Boekrecensie David Christian & Adam Rutherford

Grote of kleine geschiedenis over het ontstaan van de mens

Terwijl de ‘Big History’ van historicus David Christian braaf en bourgeois is, heeft geneticus Adam Rutherford iets levendigs en boeiends van gemaakt van zijn ‘kleine geschiedenis’.

The Big History van David Christian. Beeld Claudie de Cleen

Hoe kun je in hemelsnaam een boek maken over ‘het waanzinnige wetenschappelijk ontstaansverhaal van de mens, de wereld en het universum’ zonder één enkel plaatje? Moeten je lezers dan maar weten hoe een archeopteryx eruitzag? Waar Uranus ongeveer ligt en hoe een eukaryoot en een golgiapparaat eruitzien? Aan mensen die dat weten, vertelt David Christian in zijn Big History weinig nieuws; voor mensen die het niet weten, zijn er betere en mooiere boeken.

De Australische historicus is de grondlegger van het idee van ‘big history’ of, zoals het in Nederland door Fred Spier en Joop Goudsblom met verve werd gedoceerd, ‘geschiedenis in het groot’. We worden hierin, zoals de ondertitel al aangeeft, meegenomen van de oerknal naar het ontstaan van atomen en moleculen, van sterren en planeten, van fotosynthese en primaten, van landbouw tot en met de klimaatproblemen van nu. In netto 345 bladzijden.

Omslagpunt

Als rode draad voor zijn Big History kiest Christian de beschikbaarheid van energie. Als daarvan opeens veel meer is (‘energiebonanza’ en ‘entropiebelasting’ zijn z’n favoriete woorden) komt er, als de omstandigheden ‘precies goed’ zijn, een ‘omslagpunt’ en kan de geschiedenis een nieuwe wending nemen.

Christian legt het kosmologische begin uit zoals het in elk modern schoolboek staat. Keurig, maar op een originele invalshoek of een knappe manier van uitleggen valt hij niet te betrappen. Ongeveer halverwege het boek komt de mens op de proppen (‘Deel III: Wij’). Wij zijn dan inmiddels al bij omslagpunt 6 — omslagpunt 7 is het ontstaan van de landbouw. Dit is de eigenlijke expertise van Christian (hij specialiseerde zich in de geschiedenis van de Russische landbouw), en hier wordt het boek 100 pagina’s lang uitgesproken saai en wijdlopig. Enige vaart komt er pas weer in rond het achtste en laatste omslagpunt, bij de ontdekkingsreizen (energiebonanza!), de stoommachine (energiebonanza!) en het beschikbaar komen van fossiele brandstoffen.

Het mensbeeld van Christian is somber, zijn sociologie eenvoudig. Iedereen is afhankelijk van boeren, maar boeren worden uitgebuit. Staten zijn, zo zegt hij Thomas Hobbes na, als cellen van levende organismen, met grenzen die bewaakt moeten worden en energiestromen die veiliggesteld moeten worden. Straf is, zo zegt hij de Arthashastra na, het fundament van het staatsbestel. Aan onderhandelingen, betrokkenheid of wederzijdse afhankelijkheid maakt hij geen woorden vuil, kolonialisme en imperialisme ziet hij als ‘creatieve vernietiging’: vele levens werden verwoest ‘maar er werd ook veel tot stand gebracht’.

Hoewel Christian zich steeds beroept op wetenschap, trekt hij zich weinig aan van wetenschappelijke onzekerheid. Bevindingen van tien of twintig jaar geleden presenteert hij al als onomstotelijk, of die nu kosmologisch, genetisch of antropologisch zijn. In zijn enthousiasme is alle onzekerheid hem vreemd – hij lijkt amper te beseffen dat hij twintig jaar geleden een heel andere Big History had geschreven, en over twintig jaar een heel andere zal moeten schrijven. Het is werkelijk ahistorische historie.

Meer dan de mensheid

Veel centrale begrippen, ten slotte, worden niet of slecht uitgelegd, maar daar moet een handig glossarium in voorzien – ‘Chemiosmose: de beweging van ionen langs hun concentratiegradiënt door een celmembraan’. Als u niet weet wat ‘ionen’ zijn, is dit boek kennelijk niet voor u, als u het wel weet, dus eigenlijk ook niet. Een index ontbreekt.

Een kleine geschiedenis van iedereen die ooit heeft geleefd, de titel van het boek van de Britse geneticus Adam Rutherford, zet een beetje op het verkeerde been. Je verwacht weer een ‘big history’-boek maar dan van alleen de mensheid, maar het biedt beduidend meer dan dat. Rutherford schuwt de controverses niet, hij geeft gemakzuchtige journalisten en opschepperige geleerden er flink van langs als dat moet, en hij behandelt – naast de ontwikkeling van de mensheid – ook bekwaam begrippen als ras, misdaadgenen en de erfenis van de Nederlandse hongerwinter. Zo braaf en bourgeois als Big History van David Christian is, zo levendig is Een kleine geschiedenis van iedereen die ooit heeft geleefd – en er staan toch ook amper plaatjes in.

David Christian: Big History – Het waanzinnige wetenschappelijke ontstaansverhaal van de mens, de wereld en het universum. 
Maven; 416 pagina's; € 24,99. 

**

Het boek bestaat uit twee delen. In het eerste gaat Rutherford inderdaad terug in de geschiedenis en traceert hij de oorsprong van de mensheid: vanuit Afrika keer op keer uitzwermend over de wereld, ‘wellustig en mobiel’, zoals hij het noemt. Hij legt de werking van het dna uit, wat er bij de voortplanting allemaal goed en fout kan gaan, en wat geleerden van die goede en foute gang van zaken kunnen leren. Hij vertelt over de genen waardoor westerse landbouwers melk konden blijven drinken, over de genen van roodharigen (en of ze ooit zouden uitsterven, zoals kranten in 2014 meldden), en over IJslandse en Habsburgse inteelt. Voor mensen die het nieuws goed volgen, is het niet allemaal even opzienbarend, maar er zitten genoeg haakjes en oogjes in de tekst waardoor zij toch geboeid zullen blijven lezen.

In het tweede deel behandelt Rutherford meer actuele kwesties, zoals het al genoemde begrip ‘ras’, dat volgens hem (en alle moderne deskundigen) een genetisch onzin-begrip is. Hij haalt ook een van de laatste bolwerken van het ras-idee, de gedachte dat er toch ‘typisch Joodse aandoeningen zoals de ziekte van Tay-Sachs’ bestaan, met een fraaie tackle onderuit. Al even weinig goede woorden heeft hij over voor het ‘misdaadgen’ of het ‘strijdersgen’ MAOA en voor de strafvermindering die misdadigers op grond van het bezit van dat gen eisen (waarom krijgen ze geen strafverméérdering als ze zo onverbeterlijk zijn, vraagt hij zich met de nodige ironie af). Van genetisch determinisme moet hij, kortom, weinig hebben, en dat is een verfrissend en helaas nog steeds noodzakelijk tegengeluid in deze tijden.

De lastige kwestie ‘nurture versus nature’, aangeboren of aangeleerd, genen of omgeving, legt hij niet helemaal bevredigend uit, en zijn uitleg wordt in deze Nederlandse editie ook nog een beetje ontsierd door de foute vertaling van het begrip heritability. Het is in ieder geval ‘nature via nurture’, zo probeert Rutherford duidelijk te maken.

Het boek is wat aan de dikke kant, zoals veel wetenschapsboeken tegenwoordig, maar de ‘gevoelsdikte’ valt in dit geval erg mee, zeker als je niet over elke voetnoot struikelt. Na lezing kun je zeker weer een tijdje meepraten over genoombrede associatiestudies, over de waarde van tweelingenonderzoek, over epigenetische veranderingen en over het oprollen van je tong – dat is niet, in tegenstelling tot wat iedereen denkt, een eenvoudig dominant-erfelijk kunstje, maar tot op zekere hoogte gewoon aan te leren. En ouders met bruine ogen kunnen best een kind met blauwe ogen krijgen.

Adam Rutherford: Een kleine geschiedenis van iedereen die ooit heeft geleefd
Luitingh-Sijthoff; 486 pagina’s; € 22,99. 
****

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.