Groot retrospectief in Berlijn toont Danny Lyons Amerika

Een man van radicale keuzen, vóór de onderdrukte en tegen de onderdrukker

Jong, oud, rijk, arm; de Amerikaanse fotograaf Danny Lyon vereenzelvigt zich in zijn werk met alles en iedereen. Arno Haijtema over wat zijn zijn persoon en zijn werk, nu te zien in een groot retrospectief, zo radicaal maakt.

Crossing the Ohio River, Louisville, 1966.

Zijn carrière beslaat meer dan vijftig jaar en voorlopig lijkt daar geen einde aan te komen. De Amerikaanse fotograaf Danny Lyon was in de vroege jaren zestig bij de opkomst van de zwarte burgerrechtenbeweging in het zuiden van de Verenigde Staten. Hij zag de laatste restanten van het oude, 19de-eeuwse Manhattan verdwijnen ten behoeve van nieuwe wolkenkrabbers en kantoorkolossen. Hij beleefde op de highways de rauwe Easy Rider-avonturen van motorclubs mee en ervoer het ijzeren regime van het Amerikaanse gevangenissysteem van binnenuit.

Lyons recentere projecten: de protesten van de Occupy-beweging en de (van Hillary Clinton verloren) verkiezingscampagne van de progressieve democraat Bernie Sanders. 75 is de fotograaf en hij toont, gezien de films op YouTube waarin hij met zijn lange witte haren figureert, geen sporen van vermoeidheid.

Een man van radicale keuzen, vóór de onderdrukte en tegen de onderdrukker, zo betoont de Danny Lyon zich in zijn werk, waaruit in het Fotomuseum in het Zwitserse Winterthur een groot retrospectief was samengesteld, dat vanaf 16 september in Berlijn is te zien. Progressief, strijdvaardig en kritisch op de heersende machten: de politie, het gevangeniswezen, grensbewakers. Die karaktertrekken kenmerken de in Queens, New York geboren fotograaf. Maar zijn werk onderscheidt zich toch vooral door zijn talent en het vermogen zich zo te vereenzelvigen met zijn onderwerp dat de afstand tussen fotograaf en gefotografeerde verdwijnt. Geen beschouwer, laat staan een naar objectiviteit strevende documentair fotograaf, maar een met hart en ziel in de politiek-maatschappelijke kwesties van zijn tijd geïnvolveerde kunstenaar.

Subway New York, 1966.

Sixties en seventies

De tentoonstelling Message to the Future van Danny Lyon is het eerste retrospectief dat aan de Amerikaanse fotograaf wordt gewijd. Ze past in een lange rij van recente exposities door Amerikaanse fotografen die opkwamen in de jaren zestig en zeventig van de 20ste eeuw. Onder hen de New Yorker Saul Leiter, pionier in de kleurenfotografie William Eggleston, Fred Herzog, Stephen Shore en Gordon Parks (onlangs nog te zien in FOAM in Amsterdam).

Shakedown at Ellis Unit Texas, 1968.

Hij kon het niet uitstaan wanneer kranten of tijdschriften zijn foto's aansneden, er koppen overheen plakten, ze ondergeschikt maakten aan de lay-out van het medium, vertelde Lyon op een op YouTube figurerende lezing uit 2010. Nee, hij is nooit een newsgetter geweest in gevecht met de dagelijkse deadline, als een jager op zoek naar een prooi. Lyon is een fotograaf die zich langdurig, jarenlang desnoods, onderdompelt in de (tegen)cultuur die hij wil verbeelden. Veel meer dan een journalistieke attitude - waarbij professionele distantie als een deugd geldt - vereenzelvigt hij zich met demonstranten, veroordeelden, ruige motorrijders en de (al dan niet zelfverkozen) gemarginaliseerden in de samenleving. Wél journalistiek was Lyons fijne neus voor de hartenklop van de maatschappij en de explosieve kwesties die de bloeddruk opjagen.

Lyons eerste grote onderwerp was de opkomst van de zwarte protesten tegen rassendiscriminatie, de strijd voor gelijkberechtiging en tegen de apartheid die de zuidelijke staten in blank en zwart verdeelde. Als begin twintiger raakte hij in Cairo, Illinois betrokken bij de Student Nonviolent Coordinating Committee (SNCC), waarvan een bestuurslid de jonge fotograaf aanmoedigde de acties en protesten van de burgerrechtenbeweging vast te leggen. Al gauw raakte Lyon in de ban van de protesten, hij toog naar Albany, Georgia, Jackson, Mississippi, de brandhaarden van de protesten.

Hij werd de eerste fotograaf in dienst van de SNCC en wie zijn foto's voor hun brochures uit de vroege jaren zestig ziet, begrijpt hoe bruikbaar ze waren voor de burgerrechtenbeweging. Hij stond er met zijn camera bovenop als ordetroepen jonge zwarte demonstranten in elkaar rosten, als geweldloosheid werd beantwoord met de gummiknuppel. Onthutsend ook, de haat die spreekt uit de obscene gebaren van de blanke politiemannen in Mississippi, sigaretten rokend in de schaduw. Of de arrogantie van een redneck in uniform, loerende blik, de armen gekruist voor de borst.

Helemaal vrij van activistische invloeden bleef Lyons werk niet. Vooraf bepaalde een demonstrant dat hij zich bij een protest zou laten arresteren - blijkbaar waren de ordetroepen eenvoudig tot gericht ingrijpen te verleiden - zodat Lyon zich met de camera optimaal kon voorbereiden op de confrontatie. Misschien zijn de foto's van bruut politie-optreden daarom wat theatraal, indrukwekkend en verontrustend. Doeltreffend zijn ze beslist, zeker vanuit het oogpunt van de burgergerrechtenbeweging. Treffend in sfeer en thematiek zijn de overeenkomsten met de (zwarte) fotograaf Gordon Parks (1912-2006).

Danny Lyon, Self-Portrait, New Orleans, 1964. Foto Foto: Fine Arts Museum of San Francisco

Lyons betrokkenheid reikt verder dan die bij de zwarte burgerrechtenbeweging. Zijn klik met generatiegenoten uit de jaren zestig is onmiskenbaar, ook als hun levens nauwelijks gericht zijn op het bestrijden van discriminatie, toch een ideaal uit die tijd. Zo werd hij, ondanks ernstige waarschuwingen van een bevriende fotograaf voor hun gewelddadigheid, lid van een ruige motorclub en legde dat bestaan van asfalt, bier en clubhuizen vast zoals een buitenstaander het nooit zou kunnen. De outlaws vergaten Lyons camera, zijn aanwezigheid was een vanzelfsprekendheid, en dat resulteerde in foto's die de clichés overtreffen. Lyon toont niet alleen ruige tronies maar ook verlegen jongens die, groepsgewijs op hun motoren, intimiderend kunnen overkomen op brave medeweggebruikers, maar die tegelijk saamhorigheid en groepswarmte uitstralen.

Hij portretteerde jongeren in de straten van Uptown Chicago en op het platteland- met een duidelijke voorkeur voor de rafelranden van de samenleving - waar de verslonzing blijkt uit een autowrak op de achtergrond, zwerfvuil of een groezelige betonmuur. Mooi, de levenskracht en bravoure die jochies van 13, 14, peuk in de mondhoek, uitstralen. Diezelfde kracht zocht Lyon in de gevangenissen van Texas, waar hij zo te zien zonder beperkingen het keiharde leven achter tralies en in ketenen vastlegde. Werken in de brandende zon, de vernedering van de weinig subtiele fouillering van de gedetineerden, de eindeloze dagen in de cel. Toch weet Lyon ook hier menselijke waardigheid te vinden. Met een verrassend zachtaardig portret van een voor verkrachting ter dood veroordeelde psychopaat. Of met het aandoenlijk stilleven van fotootjes uit een portemonnee van een net gearriveerde gevangene: portretjes van meisjes en vrouwen, een moeder met baby en (vermoedelijk) de veroordeelde met zijn liefje op straat, toen alles nog goed was.

Lyon verhield zich net zo makkelijk in de kringen van de beatgeneration, met schrijver Ken Kesey, of met inspirator en fotograaf Robert Frank, als met de jongens die hun roem ontleenden aan hun vermogen om bij demolition derby's - de op total loss gerichte autoraces. Opvallend afwezig in de tentoonstelling is de hippie-cultuur, de softe tegenbeweging waarmee Lyon naar het zich laat aanzien weinig op had. Een onmiskenbare hang naar het ongepolijste en het individualisme van de straat en subculturen kenmerkt Lyon, vergelijkbaar met de met drugs, alcohol en pistolen experimenterende personages uit Larry Clarks fameuze boek Tulsa uit 1971.

March on Washington, 1963.
Boulevard Jean-Jacques Dessalines, Port-au-Prince, Haiti, February 7, 1986.

Hoewel Lyon nog steeds actief is - zijn recentere werk toont nog steeds vechtlust, maar mist de rauwe kracht van weleer - vormen (in elk geval tot op heden) de jaren zestig en zeventig de artistiek vruchtbaarste jaren.

Naast zijn betrokkenheid bij zeer diverse generatiegenoten toont hij zich met zijn project The Destruction of Lower Manhattan van een poëtische en verstilde kant. De 19de-eeuwse arbeidersbuurt in de schaduw van de Brooklyn Bridge werd in de jaren zestig in hoog tempo gesloopt, om plaats te maken voor moderne wolkenkrabbers. Het grote geld deed zijn intrede. Lyon fotografeerde de pakhuizen en de wrakke etages met houten tussenvloeren en verweerde muren, de vervallen elegantie van de gevels die collega's als Alfred Stieglitz en Edward Steichen in hun hoogtijdagen hadden vereeuwigd. Net op tijd was Lyon daar om breekpunten in de tijd te herkennen.

Hij legde het vast: de baksteengevels, de erkers op schuine daken, de dikke lagen behang in aftandse appartementen. Ondertussen horen we de sloopkogel suizen.

Danny Lyon: Message to the Future. Kunstmuseum C/O in Berlijn, 16/9 t/m 3/12. Catalogus euro 65.