Groninger museumdirecteur heeft geen smaak

Het gaat niet om de afbeelding op de omstreden plassex-affiche, maar om de wijze waarop die wordt verspreid. Daarom is het goed dat dergelijke posters niet in bushokjes worden opgehangen, betoogt Tom Schalken....

ER IS nogal wat opschudding ontstaan over een vrijpostige poster waarop een vrouw staat afgebeeld die in de mond van een man plast. De poster werd opgehangen bij bushaltes om daarmee de aandacht te vestigen op de expositie van kunstfotograaf Andres Serrano in het Groninger Museum.

Intussen is de plasseks-affiche in Groningen verwijderd en verdere verspreiding gestaakt. Het Openbaar Ministerie, niet alleen in Groningen, maar ook in Amsterdam, had gedreigd met inbeslagneming. Kan dit zomaar? Bestaat er anno 1997 geen kunstvrijheid meer in Nederland?

Overheid en kunst hebben geen gemakkelijke relatie met elkaar. Vooral als de moraal van de kunst niet de moraal van de overheid is. Toch is vrij algemeen aanvaard dat gouvernementeel moralisme geen grond meer mag zijn om het strafrecht uit de kast te halen. De staat is geen zedenmeester. Daarom mag het strafrecht slechts zeer terughoudend worden toegepast.

Dreigen met inbeslagneming bij wijze van preventieve censuur is niet toegestaan. Censuur is in onze Grondwet verboden. Het OM kan wel tot inbeslagneming overgaan om daarmee de strafbare toestand te beëindigen. Maar dan moet daarna de zaak aan de rechter worden voorgelegd. De ervaring leert dat een dergelijk avontuur doorgaans niet tot grote successen leidt.

De geschiedenis van overheidsbemoeienis met erotische kunst komt neer op een treurige reeks van onhandige pogingen om greep te krijgen op een terrein waar de overheid geen verstand van heeft. De politieke smaak bepaalde wat pornografisch was en wat niet. De meeste strafprocessen liepen dan ook op niets uit. Individuele zedelijkheid bleek niet geschikt als rechtsgoed dat door de wet moest worden beschermd.

De wijziging in de maatschappelijke zedelijkheidsopvattingen leidde in de jaren tachtig tot een minder betuttelende wetgeving. De overheid zag geen taak meer voor zichzelf om te bepalen wat burgers mochten zien of lezen. Er werd een nieuw criterium geïntroduceerd: doel was nu om de menselijke vrijheid te beschermen tegen opdringerige vormen van pornografie.

Het werd een zaak van openbare orde om de algemene eerbaarheid te vrijwaren van ongewenste krenkingen. Maatstaf daarbij was niet het zedelijkheidsgevoel van overgevoelige types, maar de algemeen heersende zeden zoals die door een belangrijke meerderheid van het Nederlandse volk wordt beleefd.

Dit betekent dat de overheid tegenwoordig twee belangrijke hobbels moet overwinnen om zich nog inhoudelijk met erotica te kunnen bemoeien. Haar taak is in de eerste plaats beperkt tot het beheer van de publieke ruimte.

Openbaarheid biedt een formeel criterium. Wat zich achter de gordijnen afspeelt is in principe, tenzij het tegen iemands wil gebeurt, geen object meer van overheidszorg. Maar zich helemaal niet meer inlaten met de inhoud, kan ook weer niet. Want niet alles wat opdringerig wordt gepresenteerd, verdient tenslotte afkeuring. Het moet gaan om aanranding van de seksuele eerbaarheid.

De tweede hobbel ligt in de beperkte mate waarin wordt aangenomen dat het eerbaarheidsgevoel gekwetst is. Een belangrijke meerderheid van het Nederlandse volk kan wel tegen een stootje. Het moet dus om extreme uitingen gaan. Prikkeling van de zinnen is onvoldoende om aanstoot te kunnen geven.

Plasseks-afbeelden getuigt van een bizarre smaak, maar is het ook een obsceniteit? Of gaat het om een zedelijke afkeuring van datgene waar sommige mannen en vrouwen plezier in schijnen te beleven?

Als beide vragen (naar de opdringerheid en de extremiteit) positief zijn beantwoord, is dat nog geen reden voor de overheid om in te grijpen. Er kan immers een hoger belang zijn dat zich tegen overheidsinterventie verzet. Zo'n belang kan zijn gelegen in de artistieke betekenis van de afbeelding. Kunst bestaat bij de gratie van de vrijheid waarin zij wordt beoefend. Wie aan die vrijheid tornt, tast het wezen van de kunst aan.

Leidt dit ertoe dat elke kunstenaar zich dan maar alles kan veroorloven? Hier komt het recht van de kunstenaar om zijn smaak te etaleren te staan tegenover het recht van de burger om van die smaak verschoond te blijven.

Beide rechten komen in gelijke mate voor bescherming in aanmerking. Hoe wordt dan de uitkomst van die belangenafweging bepaald? Daarvoor is nodig te onderzoeken wie door beperking van zijn recht de grootste schade lijdt, met andere woorden wie in de uitoefening van zijn recht het meest zou worden belemmerd.

Dan blijkt dat de kunstenaar de minste aanspraken op ongeremde ontplooing van zijn artistieke vrijheid kan doen gelden. Die vrijheid wordt immers niet wezenlijk aangetast wanneer het kijken naar kunst wordt beperkt tot situaties waarin mensen dat ook graag willen, bijvoorbeeld door publicatie in een boek of het exposeren in een museum. De bezoeker van een museum kan zich niet, zeker niet na voorafgaande publiciteit, op ongewilde krenking van zijn gevoel voor eerbaarheid beroepen.

Maar wie kan, wachtend op de bus, een bij de halte aangeplakt affiche ontlopen? Wie moet dan op een plassende vrouw bedacht zijn? En hoe legt hij zijn kinderen uit dat dit kunst is? Degene die de confrontatie uit de weg wil gaan, kan zich weliswaar niet meer in de openbare ruimte begeven, maar dat is geen redelijk alternatief.

Het belang van de kunstenaar weegt hier dus niet op tegen het belang van de gewone burger. Wat precies de bedoeling van de kunstenaar is geweest, is niet relevant. Het gaat niet om de inhoud, maar om de wijze waarop die wordt tentoongesteld of verspreid. Ook de artistieke intentie van de verspreider (reclame maken voor een expositie) zegt niets. Alleen het aanstootgevende effect telt.

Achter de tentoonstelling van de omstreden poster ging trouwens geen kunstzinnige pretentie schuil. De nieuwe directeur van het Groninger museum wilde op een opzichtige manier laten weten dat hij met zijn werk begonnen is. Dat weten we nu, maar dat is nog geen reden om het belang van andere mensen aan de kant te schuiven. Jeff Koons trok met zijn expositie in het Amsterdamse Stedelijk Museum genoeg belangstelling zonder dat zijn copulatiescène op het affiche stond afgebeeld.

Het meest effectief is natuurlijk de maatschappelijke afkeuring. Uit de protesten, ook uit niet-godsdienstige kring, is wel duidelijk geworden hoe men over de verspreiding van het affiche denkt. Over smaak valt niet te twisten, maar wel over de goede smaak van de Groningse museumdirecteur.

Hij houdt er nog steeds de al lang achterhaalde opvatting op na dat de tijd rijp is om elke intimiteit aan de openbaarheid prijs te geven. Door met een dergelijk provocerende foto uit het werk van Serrano de bevolking te shockeren, heeft hij diens expositie schade toegebracht.

Voor de overheid gelden dit soort overwegingen niet. Was ingrijpen in dit geval te verdedigen, het blijft een precaire onderneming. Op grond van welke voorkeur moet de overheid immers selecteren? Er is in het dagelijks leven op tal van terreinen zoveel lelijkheid om ons heen - elke wansmaak heeft kennelijk zijn eigen schoonheid -, dat een speciale opsporingsbrigade een permanente taak zou hebben.

De overheid moet laveren tussen publieke smakeloosheid en bescherming van gerechtvaardigde emoties. Daarbij komt het, hoe men het ook wendt of keert, altijd weer neer op een kwestie van smaak. En smaak heeft de overheid niet, behoort zij althans niet te hebben.

Tom Schalken is hoogleraar strafrecht en strafprocesrecht aan de Vrije Universiteit in Amsterdam.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden