Groninger Museum ontsluit het voorland van Haks

Accenten, Aankoopbeleid moderne kunst, De Gruyter, Westers, en Haks; tot en met 7 juni in het Groninger Museum...

WILMA SUTO

Uit de gouden toren van het Groninger Museum, het depot dat er dankzij de architect Alessandro Mendini als een schatkamer uitziet, zijn tevoorschijn gescheurd: een vliegtuig en een speedboat, een sneltrein en een motorcoureur. François Boisrond schilderde ze begin jaren tachtig met vlotte hand op twee grote vellen bruin pakpapier, in vrolijke kinderkleuren en voorzien van snelheidsstreepjes, als waren het opgeblazen stukken speelgoed of aangejaagde stripfiguren, uitvergroot in volle vaart.

Frans Haks, indertijd directeur van het museum en verzot op dynamiek, effende in 1982 de weg voor deze voertuigen. Eerder had hij laten zien hoe vrijmoedig er ineens weer werd geschilderd in Italië en Duitsland; op de expositie Figuration Libre bracht hij het verwante werk van losbandige Fransen naar voren. Boisronds razende gevaarten staan aan de start van het overzicht Accenten, waarmee het Groninger Museum het aankoopbeleid uit de periode 1955-1995 herbeziet.

Voor het museum een internationale halteplaats werd, was het een op de provinciale geschiedenis gericht instituut, een Museum van Oudheden. Dat veranderde in 1955, met de komst van Jos de Gruyter, die als criticus naam had gemaakt met zijn artikelen voor Het Vaderland. Onder zijn collega's was hij één van de weinigen die de eigentijdse kunst een warm hart toedroeg. Groningen benoemde hem tot directeur in de hoop dat hij het museum zou moderniseren, en vooral: uit vrees dat het werk van de Ploeg-kunstenaars anders verloren zou gaan voor de stad.

Accenten toont mooie voorbeelden van het reddingswerk dat De Gruyter verrichtte. Johan Dijkstra en Jan Wiegers, die elkaar in 1927 portretteerden, werden door hem opnieuw verenigd. Ze hangen nu andermaal zij aan zij, in het gezelschap van Ernst Ludwig Kirchner. Want De Gruyter deed niet alleen zijn best alsnog de helden van De Ploeg te eren, die in de jaren twintig gestalte gaven aan het Groninger expressionisme. Hij verrijkte de collectie bovendien met het vergelijkbare werk van schilders uit Vlaanderen, Duitsland en Scandinavië. Daarmee zette hij een ontwikkeling in gang.

Tegenover de door hem verworven doeken van Kirchner, een stilleven uit 1912 en het Meisje met Kind uit 1919, hangt het interieur dat Wiegers in 1925 schilderde, toen hij zijn Duitse collega thuis bezocht. Maar Wiegers Slaapkamer van Kirchner kwam pas in het Groninger Museum terecht toen Frans Haks er de hand op wist te leggen. Hoewel Haks vaak het verwijt kreeg zich te weinig aan de regio gelegen te laten liggen, werd ook onder zijn bewind de collectie-De Ploeg nog aanzienlijk uitgebreid, zij het misschien ook tussen de bedrijven door.

Waar voor De Gruyter en zijn eerste opvolger Bram Westers de eigen omgeving het vertrekpunt vormde, keerde Haks er zo te zeggen af en toe naar terug van zijn speurtochten door het buitenland. Accenten weerspiegelt het uitdijende territorium van de Groninger museumdirecteuren, alsmede hun toenemende aandacht voor de actuele kunst en, onder Haks, ook voor de veranderingen in de populaire cultuur, op straat en in de massamedia, variërend van graffiti en videoclips tot mode- en reclamefotografie.

Maar De Gruyter beperkte zich evenmin tot inhaalmanoeuvres. Hij verzamelde zowel de vooroorlogse expressionisten als de eigentijdse, voor wie hij een persoonlijke voorliefde had. Het lyrische doek Mon Abri (1959) van Jaap Nanninga is op de tentoonstelling één van zíjn Accenten. Uit geldgebrek moest De Gruyter een stadium overslaan: de dramatische schilderijen waarmee Cobra direct na de oorlog furore maakte, waren al onbetaalbaar toen hij aantrad.

Slechts één Constant en één Appel vullen het hiaat. Ze werden later bemachtigd, door Bram Westers, die het museum van 1963 tot 1978 leidde, samen met Paul Vries, de eerste conservator beeldende kunst. Zij voegden aan de verzameling expressionisme het luchtiger werk toe van jongere schilders als Reinier Lucassen en de Vlamingen Roger Raveel, Raoul de Keyzer en Etienne Elias: de Nieuwe Figuratieven, die herkenbare huis-, tuin- en keukentafereeltjes opvoerden of vrolijke toespelingen maakten op de overvloed aan hebbedingetjes in de consumptiemaatschappij.

Hun bonte doeken, zoals De Sphinkx (1972) van Lucassen, rijk aan omgevormde clichées en citaten uit damesbladen, stripboeken en de kunstgeschiedenis, lijken het voorland te ontsluiten van de felgekleurde cultuur waar Haks naar uitkeek, maar dat is schijn.

Frans Haks, directeur van 1978 tot en met 1995, verving het ironische of gemoedelijke commentaar in de schilderijen van de Nieuwe Figuratieven door onvervalst design: decoratieve vloerbedekking van Mendini, een grillige en met goud omlijste spiegel van Jeff Koons en een bolle fauteuil van Peter Shire.

Ook de door Westers en Vries verworven geometrisch abstracte kunst was aan Haks nauwelijks besteed. Van Ad Dekkers, Jan Schoonhoven en Peter Struycken vond alleen Struycken in het Groninger Museum zijn tweede huis.

Haks nodigde hem uit een veranderlijk kleurenschema te bedenken voor de muren in het Mendini-paviljoen. De strakke witte wandreliëfs van Dekkers en Schoonhoven werden verbannen naar het depot. Nu hangen ze subliem te stralen in twee kleine nissen die hemelsblauw geschilderd zijn, in één van de tinten uit Struyckens kleurenwaaier.

Wilma Sütö

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden