Reportage

Grinniken om Barbarber (1958-1971), ‘het gekste blad op aarde’

Toef Jaeger schreef een zwierige hommage aan het tijdschrift van drie vrienden, dat de Nederlandse literatuur flink opschudde.

Barbarber nr 52 verscheen in mei 1967, nummer 59 (april 1968) was geheel gevuld met behangpapier. Beeld Literatuurmuseum
Barbarber nr 52 verscheen in mei 1967, nummer 59 (april 1968) was geheel gevuld met behangpapier.Beeld Literatuurmuseum

Door J. Schoorl

Het was vorige week vrijdag dat K. Schippers niet meeging naar het Literatuurmuseum. Hij nam niet de trein naar Den Haag, vanaf het Centraal Station in Amsterdam, waar hij met de metro niet was gekomen. Hij had niet voor onderweg twee bruine boterhammen met kaas meegenomen, en een kan koffie. Om te kijken wat er allemaal was, tussen Den Haag en Amsterdam, keek K. Schippers, een kijker van formaat, niet naar buiten.

K. Schippers was er niet bij, omdat hij er niet bij was, maar in het ziekenhuis ligt. Om gezondheidsredenen, zeg je dan. K. Schippers heet trouwens Gerard Stigter, en is van 1936. Hij is niet van de straat, maar gaat doorgaans veel de straat op, opgewekt en nieuwsgierig. Zijn literair oeuvre, als schrijver, essayist en dichter, past niet op een A4'tje.

De reis naar Den Haag had te maken met Barbarber (BBB), het lijpe tijdschrift dat hij in de jaren vijftig samen met zijn beste vrienden oprichtte, G. Brands (Gerard Bron) en J. Bernlef (Henk Marsman). Over ‘verreweg het gekste blad op aarde’, zoals Simon Carmiggelt het noemde, valt veel te zeggen, en veel te grinniken, en Toef Jaeger schreef er een zwierig boek over, De jongens van Barbarber – Hoe een vriendschap het literaire landschap veranderde.

K. Schippers had jarenlang de inhoud van zeven kartonnen dozen in zijn huis in Amsterdam staan, in een kast op de gang. Dat waren brieven, teksten, knipsels, foto’s, nog meer brieven, andere knipsels en heel veel teksten en ook wel foto’s. Die zaten in mappen, en in grote enveloppen, of bij elkaar gehouden door elastiekjes. Dat was het Barbarber-archief, wat niet zo heette, maar het wel was.

Zeven dozen bevonden zich vorige week vrijdag op lange tafels in de studiezaal en K. Schippers, het enige nog levende redactielid, was er niet bij om ze te openen en iets onzinnigs zinnigs erover te zeggen. Hij zag niet dat er een man met een bril en een ringbaard erop toezag dat het archief niet werd geplunderd of leeggeroofd. Die man had een koptelefoon op, en loerde naar zijn laptop. Hij zat achter een plastic scherm waarop een tekst was te lezen, die door K. Schippers onmiddellijk als een excellente poëtische bijdrage voor Barbarber zou zijn gezien:

Wifi

Netwerk: vergader

Wachtwoord:

Shakespeare1564

Over dat archief, wat niet echt een archief is, moet ook nog worden gezegd dat het geruime tijd op de zolder van de ouders van T. Jaeger stond. Jaeger nam het beetje voor beetje mee en had de pech (of geluk, het is maar net hoe je het ziet) dat er lekkage was op de zolder van haar ouders. Er vergeelde het een en ander en raakte beschimmeld. Toen ze het K. Schippers per e-mail liet weten – besmuikt, beschaamd – was zijn reactie: ‘Treur er maar niet te veel om, zo zit een en ander soms in elkaar, zonder slot of zin.’ Nadat K. Schippers ook met eigen ogen de beschadiging had vastgesteld, zei hij: ‘Barbarber is nog steeds in beweging, de tijd laat letterlijk zijn sporen na.’

Barbarber zou eigenlijk Rabarber heten. Tenminste, dat stelde een Haagse kennis voor aan de drie vrienden, eind jaren vijftig. Een naam van niks, vonden ze, en toen G. Brands tijdens een fietstocht met K. Schippers het verkeerd uitsprak, was de definitieve naam geboren: Barbarber. Ook geestig om te vermelden is dat K. Schippers en G. Brands heel graag heel langzaam fietsten, om zo lang mogelijk te kunnen ouwehoeren.

Omslag van Barbarber nr 81. Beeld Hollandse Hoogte / AFP
Omslag van Barbarber nr 81.Beeld Hollandse Hoogte / AFP

Het blad, dat een smal formaat had, bestond tot 1971 en er verschenen negentig edities, inclusief een speciale Barbarber-wijnfles en -alfabet. Je zou het blad dadaïstisch kunnen noemen, of absurdistisch. Uit het verband gehaalde teksten uit het alledaagse werden afgedrukt. Deze heetten readymades. Iets wat er al is, wordt iets anders, in een andere context. Het urinoir van Marcel Duchamp, maar dan op papier. Ook de pointeloze grap, en het totale gebrek aan ernst (en boosheid en drama) kenmerkte BBB. De ondertitel was ‘tijdschrift voor teksten’.

Duwen

Trekken

( J. Bernlef: Deur)

Omdat ook in Rotterdam de realiteit de literatuur binnenstormde, met de lancering van het tijdschrift De Nieuwe Stijl (voortgekomen uit Gard Sivik), werd er gesproken van ‘de Zestigers’. Hans Sleutelaar, C.B. Vaandrager, Armando en Hans Verhagen zouden zich net als Barbarber ‘verzetten’ tegen de Vijftigers en hun op hol geslagen weinig toegankelijke poëzie. ‘Een protest tegen duurdoenerij’, heette het zelfs, maar biograaf T. Jaeger ziet dat toch anders: ze gooien misschien wel literaire conventies omver, maar doen daar allesbehalve hoogdravend over.

Bertram Mourits, auteur van Zestig – een nieuwe datum in de poëzie en verbonden aan het Literatuurmuseum, zegt dat er in de spirit van Barbarber geen onderscheid wordt gemaakt tussen hoge en lagere kunst, tussen Dostojevski en Laurel & Hardy, en dat film, literatuur, beeldende kunst en fotografie er zijn om je ten volle door te laten verwonderen. Je kijkt wat zich voordoet, zegt Mourits, en dat weet je te waarderen en te verfraaien. Je bent op zoek naar het mooie van het gewone. En volgens Mourits is het behangnummer daarvan de uiterste consequentie. Meer van het-is-wat-het- is, is niet denkbaar

Het behangnummer! Nummer 59! En daar werd-ie genoemd door B. Mourits!

En daar lag-ie dus, in de studiezaal van het Literatuurmuseum, met z’n oranje kaft. Twaalf pagina’s van verschillende behangpapieren met een niet er doorheen, elk een ander motiefje in één Nederlandse tijdschrift, verspreid in een oplage van vijfhonderd exemplaren in april 1968. Een nummer zonder tekst, als je tenminste het colofon en de achterkant van het behang niet meetelt: Fixa-Color Lichtecht ƒ 4,50 per rol.

Nou K. Schippers, was nu dan de vraag geweest: waarom moest dat zo nodig, een behangnummer? Dan had hij gezegd dat het tijd was om weer een stapje verder te gaan, een tijdschrift voor teksten zonder teksten. De drie vrienden gingen op bezoek bij behangselpapierfabriek Rath & Doodeheefver ter kennismaking. De behangfabrikant kende een traditie met kunstenaarsbehangsels, behang ontwikkeld door kunstenaars, en de reclamechef ontving hen met open armen.

Binnenwerk Barbarber nr 59. Beeld Literatuurmuseum
Binnenwerk Barbarber nr 59.Beeld Literatuurmuseum

De fabriek dacht met de samenwerking een jong en intellectueel publiek aan zich te binden en op deze wijze reclame te maken voor het aloude merk. Waar het drietal rustig behang wilde waar niet veel aan te zien was, gingen ze nu huiswaarts met gratis behangstalen met (diverse) jugendstil-motieven.

Het zal nu wel klaar zijn, luidden de reacties op het behangnummer. Wat kunnen ze nu nog doen, dit was het eindpunt. Maar een nummer met alleen maar namen zou nog volgen, net als een editie met lege schilderijlijsten. In 1971 was het gedaan en een gedicht dat ook in een van de eerste nummers stond van G. Brands ging in repeat, de cirkel was rond. Al kwam er nooit een formeel einde. ‘Wat vrienden maken, hef je niet op en het blad is dan ook nooit opgeheven’, schrijft T. Jaeger.

Het laatste kwatrijn

Des morgens sta ik op

des avonds weer naar bed

mijn wekker heb ik dan op zeven uur gezet

Dat K. Schippers er vorige week vrijdag niet was om de Barbarber-dozen weer dicht te doen, hoeft trouwens helemaal niks te zeggen. Hij is wel vaker ergens niet geweest, omdat het er niet van kwam. Hij heeft het voornemen uitgesproken om nog één keer lang te gaan bij het Literatuurmuseum om de brieven van zijn overleden boezemvrienden G. Brands en J. Bernlef eruit te pikken. Die heeft hij toch liefst dicht in de buurt.

null Beeld Querido
Beeld Querido

Vechtpartij

Dat niet iedereen kon lachen om melige samenzang (‘Vader Jacob’) van de Barbarber-redacteuren, bleek in 1960. Een optreden voor Het Rotterdamsch Studenten Genootschap ontaardde in een vechtpartij. De studenten voelden zich in de maling genomen en er klonk gebrul en gelal. De sterke arm werd gealarmeerd, en de boel werd tot bedaren gebracht.

Toef Jaeger: De jongens van Barbarber – Hoe een vriendschap het literaire landschap veranderde. Querido; 320 pagina’s; € 26,99.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden