Grijs

Martin Bril..

Martin Bril

De dichter en ik, we zitten aan het IJ. We hadden eigenlijk aan de Maas in Rotterdam moeten zitten. Maar het IJ is ook goed.

Water.

Vanuit het restaurant hebben we zicht op een sportvisser. Hij staat met een werphengel op een pier. Zwierig werpt hij in, langzaam draait hij aan zijn molen, nooit heeft hij beet. Het is de tijd voor snoekbaars, dat wel.

Geduld is een schone zaak.

We bespreken de vele variaties grijs die buiten zijn te zien: het water, om te beginnen: het neigt van grijs naar bruin, het klotst en wiebelt. De lucht: grijs en wit, de gebouwen die aan de overkant in de steigers staan: donkergrijs (de kranen erboven gelukkig geel), het Shell-gebouw verderop: grijs dat bijna zwart is, of donkerbruin, het grijs van de visser – zijn haar, zilvergrijs, de tas op zijn rug, militair grijs.

Ja.

Ik vraag de dichter, Hans Sleutelaar, wat volgens hem het beste gedicht van de legendarische Rotterdamse dichter C.B. Vaandrager is. Hij denkt na, zijn bruine ogen proberen het grijs van de novemberdag buiten te weerspiegelen. Dat lukt niet, de ogen zijn sterker – ze laten de ouderdom niet toe.

‘Cyclus in de verleden tijd’, antwoordt hij dan. ‘Ik kwam gek uit de hoek, ik struikelde over mijn woorden, ik zei maar wat, ik wist niet wat ik moest zeggen, ik zei niks. Ik sloot me aan bij de vorige spreker.’

‘Goed gedicht’, zeg ik.

‘Ja’, zegt Sleutelaar, ‘wie komt er nou met zoiets? Het is zo kwetsbaar. Cor was een moeilijke gozer, maar hij kon om zichzelf lachen, ook. Al schrijf je maar één gedicht dat de eeuwigheid haalt, dan ben je er, om Pessoa te citeren.’

We herinneren ons het hele gedicht:

Ik had kapsones.

Ik was onzakelijk.

Ik had geen geld.

Ik had klamme handen.

Ik schaamde me.

Ik had geen geduld.

Ik was naïef met wijven.

Ik kon niet dansen.

Ik was stug.

Ik wou opvallen.

We kijken naar het grijs, buiten, en denken allebei onze gedachten, zoals dat gaat onder vrienden die elkaar zo goed kennen dat zwijgen geen probleem meer is. ‘En wat vind jij Cors beste gedicht?’, vraagt Sleutelaar uiteindelijk. Hij weet het antwoord al, maar toch wil hij het gedicht nog wel een keer horen.

Je taime, madame, votre memme,

ma petite. Stierebiet moi-meme

mooi meegenomen, nom de plume, mon

pym. Pas de deux... de moi. Ik zou

zegge ga zitte. Ik salsa. Ik zoek me

boeie. Ik hou je vast en zeker.

‘Goeie regels’, zegt de dichter tegenover me. ‘Ik zoek me boeie. Ik hou je vast en zeker.’ Hij roert peinzend in zijn espresso. ‘Cor ziet ons nu zitten’, zegt hij langzaam, ‘hij ziet dat het goed is.’ C.B. Vaandrager is dood sinds maart 1992. Hij stierf op een even grijze dag als deze novemberdag, tenminste – zo stellen we het ons voor, de oude boezemvriend van de dode, en de bewonderaar. Buiten heeft intussen de visser nog steeds niets gevangen.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden