Grensoverschrijdend schrijven

Eind jaren zeventig kwam Oek de Jong met de verhalenbundel De hemelvaart van Massimo en de roman Opwaaiende zomerjurken met een sprong de Nederlandse letteren binnen....

Daarna viel er een gevaarlijke stilte. Er verschenen novellen en een essaybundel, maar de romanschrijver Oek de Jong leek verdwenen. Tot de verschijning, in 2002, van zijn omvangrijke roman Hokwerda’s kind, dat – op een enkele uitzondering na – goed werd besproken en goed verkocht.

Over het ontstaansproces van Hokwerda’s kind, na al die jaren van bijna zwijgen, hield de schrijver een dagboek bij, dat zich uitstrekt over de jaren 1997 tot 2002 en dat nu is verschenen onder de titel De wonderen van de heilbot. Deze Begleitband bij een roman die uit een diepe duisternis naar boven kwam, is een fascinerend boek geworden. Het wordt voorafgegaan door een leesaanwijzing in de vorm van een motto van dagboekschrijver Max Frisch: ‘Alles kann man erzählen, nur nicht sein wirkliches Leben.’

De wonderen van de heilbot zit dicht op het leven van Oek de Jong, maar vanzelfsprekend wordt niet ‘alles’ verteld. De Jong schrijft over het werken aan Hokwerda’s kind en wat daarmee samenhangt: de diepe onlust die hem bevangt als hij aan zijn tafel zit en niets weet te produceren (‘Ga iets doén, ga iets doén, ga iets doén’), het ontstaan van de personages, de bevrijding als het verhaal begint te stromen, de twijfels die hem tot het einde achtervolgen. Hij schrijft over wat hem gaande houdt: hardlopen, zeilen, zijn verhouding met zijn geliefde Jeanne. Gebeurtenissen in de buitenwereld worden alleen vermeld als ze van invloed zijn op zijn ervaringen: kort na elkaar de aanslag op de Twin Towers en de moord op Pim Fortuyn, die allebei als een inslag het dagelijks bestaan binnendringen.

Maar de meeste dagboekaantekeningen zijn gewijd aan het schrijverschap en aan het ontstaan van Hokwerda’s kind. De eerste notitie, op 1 januari 1997, gaat over de schok die hem bevangt als hij een meisje herkent op een foto in een roddelblad, met een zwart balkje over haar ogen. Hij ging met dit meisje om toen ze elf, twaalf was, een eenzaam, ongelukkig kind. Zes jaar na hun laatste contact vermoordt zij haar vader en haar stiefmoeder met een bijl. Voor de Amsterdamse daklozenkrant schrijft hij daarna een kort verhaal, getiteld Rubberen roos, over een meisje, Lin, dat van een man, Henri, een orchidee in plastic krijgt en in haar verwarring de bloem voor een roos van rubber houdt. Deze Lin en Henri zullen de hoofdpersonen worden in Hokwerda’s kind.

Twee jaar later, begin 1999, neemt De Jong zich plechtig voor dat hij begonnen is aan een nieuw boek. Hij werkt opnieuw aan Rubberen roos, met het idee een boek met novellen te schrijven over een liefdespaar in Amsterdam. Vanaf dit moment grijpt de angst hem bij de keel voor het sadisme dat hij zal beschrijven, en het gewelddadige slot, alsof hem is opgelegd zich met moord bezig te houden. Een jaar later is de novelle een roman geworden, en voor het eerst zet hij het verhaal in schema.

Dan, eindelijk, op 12 augustus 2000, schrijft hij dat hij zich sterk en gelukkig voelt aan de schrijftafel. ‘Ik heb tien jaar van bijna-niet-kunnen-schrijven overleefd.’ Het boek is dan nog lang niet af en meer dan eens zit hij te zuchten onder het werk. Jarenlang werkt hij met de gedachte dat de minnaar Lin zal doden. Pas een paar maanden voor de voltooiing bedenkt hij dat hij misschien toch zal terugkeren naar zijn eerste fascinatie: een meisje dat een gewelddadige moord pleegt. In het jaar dat het boek gepresenteerd zal worden, vraagt een boekhandelaar hem: ‘Schrijft u nog?’, wat hem tot de uitlating brengt: ‘Over een maand of acht is die vraag hopelijk definitief verstomd.’ Oktober 2002 verschijnt Hokwerda’s kind.

Uit dit schrijversdagboek wordt duidelijk hoe onhoudbaar de positie wordt van een schrijver die niet publiceert. De jaren dat De Jong weinig of niets naar buiten brengt, voert hij een langdurig gevecht tegen de duisternis van het niet schrijven. In De wonderen van de heilbot schrijft hij, vlak voordat hij officieel begint aan wat zijn nieuwe roman moet worden: ‘Eigenlijk moet ik mijzelf, na een onderbreking van bijna veertien jaar, als romanschrijver opnieuw uitvinden.’

Ook tijdens het werken aan Hokwerda’s kind overvalt hem nog geregeld dat gevoel van verstarring, de ‘dood van de ziel’ die over hem komt wanneer er niets op papier verschijnt. De Jong is geen zondagsschrijver. Hij graaft diep, en laat wat hij heeft opengelegd lange tijd liggen, om nog dieper te kunnen gaan. Het niet weten en het vernietigen beschouwt hij als voorwaarden voor het scheppen. Daarmee samen hangt zijn overgave aan roekeloze, lichamelijke snelheid tegenover de geestelijke verstarring. Meer dan eens vertelt hij dat hij kilometers lang hardloopt, dat hij op het IJsselmeer zo snel zeilt dat de boot kapseist, of zo ver de zee in zwemt dat de achterblijvers radeloos van ongerustheid aan de kust staan te wachten.

Het is het zoeken naar grensoverschrijdingen en overgave dat Oek de Jong als schrijver kenmerkt. Voor lezers met een ander temperament noopt De wonderen van de heilbot evengoed tot lezen en herlezen.

Oek de Jong: De wonderen van de heilbot – Dagboek 1997-2002. Augustus; 249 pagina’s; € 17,90. ISBN 90 457 0014 X.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden