boekrecensie fietsmod

Graphic novel Fietsmod is een uniek identiteitsdocument (vier sterren)

In zijn graphic novel Fietsmod beschrijft de Duitse schrijver Tobi Dahmen hoe hij onderdeel was van de mod revival. Zelden werd de gang naar volwassenheid zo mooi gevangen.

Fietsmod boek

In de regel definiëren tieners hun smaak door eens flink te hameren op wat ze vooral níét interessant of mooi vinden. Het is een poging om je plek te zoeken in de wereld, om net even anders te zijn (dan je ouders). De grap is natuurlijk dat alle tieners allemaal tegelijk net even anders willen zijn, en daarom vinden ze elkaar uiteindelijk in een subcultuur. Lekker anders met z’n allen, zogezegd. Als een gebohemiseerde massa. Dat is van alle tijden: van Rotterdamse gabbertjes tot skaters en alto’s.

Helemaal mooi als een rivaliserende groep zich door jouw territorium beweegt: tegenstand versterkt de interne cohesie bij je eigen club. Amsterdam kende eind jaren vijftig, begin jaren zestig zijn pleiners en dijkers, Utrecht zijn sjorsklanten en vetkuiven, Den Haag zijn kikkers en bullen. De eerstgenoemden zijn telkens de vermeende artistiekelingen, de tweede groep betreft de werkende jeugd. Zoals Engeland zijn mods (naar: modernisten) en rockers had, die regelmatig knokpartijen uitvochten in Brighton.

Jeugdcultuur is een serieuze zaak, zeker als je jong en dolend bent. Hoe serieus precies komt scherp naar voren in de lijvige graphic novel Fietsmod van de Duitser Tobi Dahmen. Zelden werd de gang naar volwassenheid zo mooi gevangen als in deze strip, die in 2015 onder de titel Fahrradmod in Duitsland verscheen en nu zijn Nederlandse vertaling heeft gekregen. In autobiografisch proza en met tekeningen in zwart-wit vertelt de auteur hoe hij in de jaren tachtig onderdeel werd van de mod revival  – want die was er na het verschijnen van de film Quadrophenia (1979) ook in het toenmalige West-Duitsland.

Klinkt minder gek dan het misschien lijkt. Tobi Dahmen groeide op in Wesel, vlak bij de Nederlandse grens. En in die stad was werkelijk niets te doen, of het zou het uitpluizen van de platenkast van je ouders moeten zijn. Daar vond Tobi werk van Ella Fitzgerald en Nina Simone, en nog veel meer jazz. Een liefde voor muziek werd geboren, zoals je alles wat je tussen je 8ste en 18de ontdekt nooit meer vergeet: de vormende jaren. Terwijl zijn klasgenoten meezongen met Hold the Line van de beschaafde Californische powerpopband Toto, spitte Tobi – die op school nogal als een loser werd gezien – in het verleden.

Mod badges op jack tijdens de Brighton Mod Weekender. Beeld Getty Images

Hij kopieerde zijn favorieten op cassettebandjes en die muziek werd soms op feestjes gedraaid en verspreid onder zijn bescheiden vriendenkring. Aangemoedigd door die vrienden kwam Tobi een keer min of meer per ongeluk op een partijtje van Duitse mods terecht. Wat zagen die luitjes er cool uit, met hun op maat gemaakte, scherpe pakken en hun bloempotkapsels (een haardracht die een betere naam had verdiend). En zij draaiden Mose Allison en The Kinks en The Small Faces en The Jam van modfather Paul Weller en bovenal natuurlijk: My Generation van The Who. Vaarwel grauwe dagen in Wesel, Tobi werd mod – eindelijk een clubje waarbij hij zich thuisvoelde.

Dat zoeken naar een identiteit maakt dit boek universeel. Net zo gemakkelijk had het over hardrockers kunnen gaan, of reggaefans, punkers met hanekammen, rappers – noem maar op. En omdat Dahmen die weekendlange feesten allemaal zelf heeft doorleefd, vliegen de relevante details van het mod-zijn je om de oren:

Scooters: Vespa of Lambretta, en niets anders. Opgetuigd met vele extra’s.

Buitenjas: parka. Punt.

Pakken: handgemaakt, naar Italiaans voorbeeld. Liefst met meer dan drie knopen.

Overhemden: Ben Sherman uit Carnaby Street, Londen, of sportshirts van Fred Perry.

Stropdas: smalle snit, mag leer zijn.

Schoenen: alles van Shelly’s, Carnaby Street.

Mods-bijbel: het cultfotoboek Mods! (1979), samengesteld door Richard Barnes.

Mods-film: Quadrophenia (1979), naar de rockmusical van The Who.

Mods-roman: Absolute Beginners (1959) van Colin MacInnes.

Mods-partydrug: amfetamine (pep), om een weekend lang te kunnen dansen.

Favoriete Mod-steden: Londen en Brighton.

Mod-meisjesmode: androgyn, jongensachtig, platte schoenen, bruine make-up, valse wimpers en later ook geruite minirokjes.

Uit het boek Fietsmod komt naar voren dat Tobi Dahmen weliswaar een dedicated follower of fashion was, maar toch ook weer geen model-mod. Hij kan niet aan scooters sleutelen en mag daarom achterop. Is er geen scooter in de buurt, dan verplaatst hij zich per tweewieler: fietsmod. Van zijn ouders mag hij geen scooter kopen, zelfs niet van zijn zakgeld.

Ander probleem: zijn bakkebaarden willen maar niet doorbreken – toch een voorwaarde om zelf een échte mod te kunnen zijn, bakkebaarden. Ook al om van de hoon en het snobisme af te wezen. Want binnen deze subcultuur bestaat een strenge hiërarchie met zijn tickets (die meeliften op de bagagedrager van het succes), numbers (mod-voetvolk) en glory boy of ace face (bewonderd voorbeeld en leider van de gang). Halverwege neemt Tobi een dramatisch besluit: hij zegt de mods vaarwel en wordt nu ska. Inclusief broeken met pijpen op hoog water en een Blues Brothers-hoedje plus zonnebril. Dat zal ze leren!

Maar omdat het mod-bloed kruipt waar het niet gaan kan, keert verloren zoon Tobi al snel weer in de kudde terug. En er is nog iets anders aan de hand: langzaamaan rukken de eclectische tijden op. De grote feesten worden plots bevolkt door een amalgaam van stijlen: punk, ska, mod, jazzcat, rock, reggae, new wave, rockabilly, glamrock – en alles vreedzaam naast elkaar (dat is weleens anders geweest). Alleen de discoliefhebbers komen er niet in.

En vervolgens ben je zomaar volwassen, met een vriendin, een paar kinderen en een baan als illustrator, en ben je te moe om nog te gaan dansen, dus zet je maar een plaatje op. En zelfs dat mag tegenwoordig alles zijn: Mozart én Madness en Morrissey en Mongo Santamaría, Sinatra en Elliot Smith, en John Coltrane naast Johnny Cash. Anything goes. Wat een verworvenheid is dat eigenlijk. Toch krijg je door zo’n strip als Fietsmod bijna zin om je eigen rigide collectie cassettebandjes nog eens van onder het stof vandaan te halen, destijds een serieuze zaak van identiteit en smaak.

Film still Quadrophenia

Quadrophenia

In de film Quadrophenia (1979) van regisseur Franc Roddam wordt de oorsprong van de eerste generatie Britse modernisten nog eens helder uitgelegd. De grijze oorlogsjaren zijn voorbij, de jeugd wil in 1964 iets nieuws, hoofdpersoon Jimmy Cooper (Phil Daniels) in Londen voorop. Het is niet zozeer een politieke keuze, het is eerder een keuze voor stijl. En dus zien we het bleekneusje Jimmy tussen zijn nieuwe vrienden in scherp gesneden pakken, scheurend op hun Vespa’s van dansfeestje naar dansfeestje. Attributen die ze zich kunnen veroorloven door als vroege schoolverlaters allerhande baantjes aan te nemen. Zo komt Jimmy terecht op de postkamer van een hip reclamebureau. De vijand, dat zijn de rivaliserende rockers – zij hangen nog enorm aan Elvis, Gene Vincent en Marlon Brando in The Wild One, en rijden op motoren. 
De film – gebaseerd op de gelijknamige rockopera uit 1973 van mod-band bij uitstek The Who – werd goed ontvangen en kent een dramatisch einde. Jimmy pikt de scooter van zijn grote voorbeeld Ace Face (een nog heel jonge Sting) en laat die met donderend geraas van de witte klif van Beachy Head storten. Zelfmoord? Nee. Want als je het beeld stilzet, zie je Jimmy in een flits nog op die klif staan. Bovendien opent de film met Jimmy die in zijn eentje wegloopt van de rotsverheffing: full circle. Het statement is er niet minder om: de mods-droom, die is nu wel voorbij.

Mods!

Toen door het verschijnen van de film Quadrophenia in Groot-Brittannië en ver daarbuiten een heuse mod-revival onstond, was er maar één stijlboek dat ertoe deed: Mods!,  in 1979 samengesteld door auteur Richard Barnes, zelf oer-mod en verbonden met The Who. Hij verzamelde meer dan 150 foto’s uit de vroege jaren zestig, waarop je de eerste generatie Londense mods ziet staan. Met hun opgepimpte scooters, vol met extra koplampen, en in hun parka’s, behangen met popart-toepassingen van Britse symbolen: de Union Jack of het cirkelvormige blauw-wit-rode logo van de Royal Air Force. En wat kijken al die jongens en meisjes stoer op deze prenten! Fraai tijdsbeeld.

Q & A met Tobi Dahmen

De Duitse tekenaar en schrijver Tobi Dahmen (47) studeerde visuele communicatie in Düsseldorf en woont sinds 2008 met zijn gezin in Utrecht. (Met een vriend ging hij ooit naar een platenbeurs in de Utrechtse Jaarbeurs; ’s avonds was er elders in de stad een muziekfeest, hij zag een meisje op de dansvloer en prompt sloeg de vonk over.) Dahmen heeft een studio in de Pauwstraat, waar hij – tussen zijn opdrachten als illustrator voor hoofdzakelijk Duitse opdrachtgevers door – acht jaar lang in stilte werkte aan Fietsmod.

‘Het boek gaat eigenlijk over het ontwikkelen van je eigen smaak’, zegt hij, ‘en hoe belangrijk dat op die leeftijd is. Je zoekt houvast. Op een bepaald moment staat de hoofdpersoon in een Duitse muziekwinkel, ergens in de jaren tachtig. Je staat voor die platenbakken en je hebt 15 mark te besteden. Je kunt dat geld maar één keer uitgeven: koop je The Housemartins of kies je voor The Smiths? Bedenk wel dat je de hele maand met het album moet doen. Het mag dus geen miskoop zijn, want dan trek je jezelf vier weken lang de haren uit het hoofd. Zo’n keuze kan je hele leven beïnvloeden – zo voelt dat dan.’

Tobi Dahmen. Beeld Els Zweerink

Tegenwoordig heb je streamingdiensten als Spotify. Is dat niet veel handiger?

‘Dat is een breed aanbod, ja. Maar gek genoeg is daarmee ook iets verloren gegaan. In de platenzaak word je gedwongen zélf keuzen te maken. Bij die digitale muziekdiensten doen de algoritmen dat voor je. ‘Vind je dit leuk? Dan serveren we nu...’ Die shuffle is funest. Je wordt er lui van. En ten tweede: als je toch alles kunt krijgen, beleef je de muziek niet meer zo intensief. Dan ontbreekt het je aan de toewijding die je als zoekende puber moet hebben: het ontdekken van je eigen wereld.’

Wat was voor jou de beste platenwinkel?

‘De bijzonderste platenzaak die ik kende, was Da Capo Records aan de Oudegracht in Utrecht. De eigenaar, Michel Terstegen, is in 2011 aan kanker overleden; hij was nog maar 50. Die man wist alles, had een waanzinnige collectie aan vinyl. Onder muziekgekken was hij internationaal vermaard. Tijdens mijn eerste jaren in Utrecht heeft hij mij enor geholpen. Als hommage heb ik hem en zijn platenzaak als tekening opgenomen in mijn boek. Zo jammer dat hij het verschijnen van Fietsmod niet heeft kunnen meemaken.’

Als je naar het straatbeeld kijkt, wemelt het weer van de scootertjes. Maken we nu het mod-tijdperk 3.0 mee?

‘Die scooters zijn tegenwoordig meestal van plastic. Dat telt niet.’

Fietsmod boek

ON TOUR

Strips en muziek treffen elkaar regelmatig in een levendige subcultuur. Komend weekend (17-18/11) vindt in de Utrechtse Jaarbeurs de 50ste editie plaats van de Mega Platen & CD Beurs. In de Rotterdamse Schouwburg wordt op zondag bovendien het Cross Comix-festival georganiseerd. Daar treden wisselende kunstenaars op als Joe Sacco, de Amerikaanse journalist die zijn reportages in strips verpakt, Wende Snijders, en Typex, van wie recentelijk een Andy Warhol-stripbiografie verscheen. Sinds het verschijnen van Fietsmod is ook Tobi Dahmen een veelgevraagd spreker. Tijdens de Platenbeurs zal hij zijn boek signeren en op Cross Comix geeft hij een lezing, waarbij hij plaatjes draait.

Fietsmod, Tobi Dahmen

vier sterren

Hardback. 476 pagina’s – uitgeverij SubQ

Winkelprijs: € 29,95 (inclusief cd van The Smalltown Mods).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.