BoekrecensieDe breedsprakige dame

Grandioze columns van een New Yorkse dame ★★★★☆

Lees één van de columns van Maeve Brennan en je bent verkocht. De schitterende stukken van deze New Yorkse dame leren je anders kijken naar het bekende.  

Beeld Martyn F. Overweel

In een grote stad is het prettig verdwijnen. Dat laten ook de columns zien die de Ierse journalist en schrijfster Maeve Brennan in de jaren 1953-1968 bijdroeg aan The New Yorker en die destijds anoniem verschenen, dat wil zeggen, geschreven door The Long-Winded Lady.

De vertaling daarvan luidt ‘de breedsprakige dame’, en onder die titel zijn de schitterende stukken dan ook ten langen leste in het Nederlands uitgebracht, met als ongelukkig gevolg dat de titelpagina niet direct uitnodigend oogt. Oude columns over New York van een breedsprakige dame, zit daar iemand op te wachten?

Maar één stuk lezen is genoeg om verkocht te zijn. In haar columns loopt de dame door de stad of zit in restaurants en hotels die Grosvenor, Algonquin of Le Steak de Paris heten, ze neemt plaats op een strategische plek met uitzicht op straat, ze eet, drinkt en rookt. Maar bovenal kijkt ze, en luistert af. Het zogenaamde grote leven, dat van de buitenwereld, lijkt enigszins aan haar voorbij te gaan, op een protestdemonstratie tegen de Amerikaanse inmenging in Vietnam na, of een filmopname met Julie Andrews. Het buitenissige en excentrieke hoeft voor haar niet zo. Zij wordt aangetrokken door het bekende, zoals ze opbiecht in het voorwoord van de bundeling van deze stukken, die in 1969 verscheen onder haar eigen naam.

Zelf onzichtbaar blijvend, kan ze de schijnwerpers richten op de personages om zich heen, zoals deze slechtgehumeurde dame: ‘Ze ziet eruit alsof ze graag iemand zou willen heropvoeden.’ Erg mooi ook de jongen die een telefooncel ingaat en daar een menukaart gaat voorlezen, vermoedelijk in de hoop een vriendin over te halen met hem te komen eten. Hij wordt steeds door haar onderbroken, en iedere keer nadat hij naar haar heeft geluisterd, ‘hief hij het menu vlak voor zich op, alsof het een haak was waarmee ze teruggetrokken kon worden naar het onderwerp waar hij het over wilde hebben’. De columnist heeft haar eigen menu, zodat ze precies kan nagaan waar hij is: ‘bij Vis, bij Desserts, en bij Kerriegerechten en Specialiteiten en bij Salades, enzovoorts. Hij las de rij Geroosterde Gerechten in zijn geheel voor en iets daarvan kan het pleit voor haar beslecht hebben, waardoor ze verder zweeg, want aan dit alles kwam plotseling een einde.’

Beeld Athenaeum-Polak & Van Gennep

Wie was die bijzondere observator, die de haveloze Sixth Avenue bewonderde toen een sneeuwbui de straat een filmisch aanschijn van verlorenheid verleende, ‘omdat Sixth Avenue een eigenschap bezit die sommige mensen soms zomaar ineens verkrijgen die de avenue en hen ertoe veroordeelt alleen bemind te worden op het moment dat er voor de allerlaatste keer naar ze gekeken wordt’? 

Maeve Brennan (1917-1993) kwam in 1934 naar New York omdat haar vader daar gezant werd van de Ierse Republiek, schreef verhalen en reportages, dronk, rookte, frequenteerde restaurants en hotels, had een onrustig privéleven, ontspoorde in de jaren zeventig, werd dakloos, schreef niet meer en zat twaalf jaar in een psychiatrische inrichting waar ze elke hulp weigerde, en waar ze is overleden.

Van die tragiek is in deze grandioze columns nog niets te bespeuren, al heeft ze een fijn oog voor mensen die hun eenzaamheid maskeren, alsook voor die geheel ándere, merkwaardige mensen die heel zeker in het leven staan. In restaurant Longchamps ziet ze een dikke dame met tulband die onverstoorbaar eet, ‘ik zag hoe Shiva zou eten en desondanks een niet-menselijk overwicht zou behouden, omdat een gewone daad als eten net zomin afbreuk deed aan de koninklijke waardigheid van deze vrouw in Longchamps als het neerstorten van een klif afbreuk doet aan de waardigheid van water of het voorbijdrijven van wolken afbreuk doet aan de waardigheid van de zon. Zij zou hetzelfde blijven, wat ze ook deed.’ Die mensen bestaan, en Brennans fascinatie is maar al te begrijpelijk. Juist het genoegen dat de auteur heeft in het formuleren, en de beheersing die daaruit spreekt, maakt die ineenstorting en de daaropvolgende stilte van haar lange laatste levensjaren des te verdrietiger.

Leren we New York kennen uit deze stukken? Een beetje. De achterkant van Broadway. Maar vooral leren we kijken, en dat moet Brennan zelf, die niet bekendstond als bedeesde kroegtijger maar in de jaren van haar bloei nadrukkelijk aanwezig was in het uitgaansleven, onder het drinken door heel goed hebben gedaan.

In 1960 hoorde ze in een schoenenzaak twee dames, op zoek naar avondsandaaltjes, praten over de verkiezingen en senator John Fitzgerald Kennedy. ‘De ene zei: ‘Hij is gewoon te jong. Hij is te jóng.’ De ander zei: ‘Véél te jong.’ De eerste zei: ‘Drieënveertig. Dat is absurd.’ Ik ging me heel blij voelen. Ik ben drieënveertig. Natuurlijk was ik me als krantenlezer ervan bewust dat senator Kennedy en ik in hetzelfde jaar waren geboren, maar deze nauwe verwantschap tussen ons was me nooit zo duidelijk geweest tot dat ogenblik.’

 Kennedy zou nog 3 jaar leven, Brennan nog 33. Maar vraag niet hoe. Toen ze stierf, was ze allang verdwenen.

Maeve Brennan: De breedsprakige dame – Columns uit The New Yorker 

Uit het Engels vertaald door Rosalie van Witsen. Athenaeum-Polak & Van Gennep; 280 pagina’s; € 20.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden