Goethe zingt de blues in festival van de dood

Aus Deutschland, van Kagel, o. l. v. Reinbert de Leeuw en Herbert Wernicke. Amsterdam, Carré (12 juni). Herhaling 14 juni in Carré, 20 en 21 juni in Wenen, en van 8 oktober t/m 22 november in Basel....

De tango-dame die haar handen in lompe laarzen door de lucht liet marcheren. De schipper die in een piano langs de hemel roeide. Schubert die verwilderd op een vleugel hengstte. De Dood die het Meisje naar de toneelkap liet hijsen. De rattenvanger die Mickey Mousjes ving; Goethe's Mignon die de mondharmonica blies.

Het leek simpel, maar het maakte het hoofd licht en het hart zwaar. Het was groot theater, en de muziek van Kagel was weer ijl, lucide, en gammel in de hoogste graad.

Aus Deutschland. Als er één treurspel is waarin de compassie met het personage er minder toe doet dan het heimwee naar een verloren kunstvorm, dan is het deze 'liederenopera' van Mauricio Kagel - de uitvinder en enige beoefenaar van dit genre.

Tot de grootheden die er donderdag niet bij waren in Carré, waar de regisseur Herbert Wernicke Kagels 'Liederoper' heeft neergezet op een pianokerkhof, hoorden de dichters Heine en Mayrhofer. Hun afwezigheid werd goedgemaakt door het optreden van Johann Wolfgang von Goethe. Hij keek in een spiegel en zong de blues.

Een 'opera' peuren uit de intieme liedkunst - het leek onmogelijk. Tot we in 1985 Schuberts Leiermann door de piste van Carré zagen struinen, en Lucia Meeuwsen met gebroken mezzo 'Beglücke mich' hoorden steunen. Strompelend door een park van toetsinstrumenten, vertolkten ze het Duitse doodsverlangen in een semi-concertpremière die nog steeds kan gelden - ook na de nieuwe enscenering - als een sleutelmoment in de geschiedenis van het Holland Festival.

De essentie van Kagels Aus Deutschland is haar breekbaarheid. De lang verbeide theaterenscenering (de eerste sinds die van 1981 in Berlijn) wierp dus niet meteen de verwachting op dat de herinnering aan de door Reinbert de Leeuw gedirigeerde, mooi fragiele uitvoering van '85 zou worden uitgewist. De vraag was in dit geval veel meer, of Wernicke het stuk niet zou vermorzelen onder zijn gebergte van 150 op elkaar gekwakte, gemutileerde piano's en concertvleugels - die in Carré geluidloos maar oorverdovend liggen te donderen en te jammeren.

De piano is een mooi ding, en de liedkunst kan er niet buiten. Kagel zelve gebruikt hem in verschillende soorten: machtig, nietig, ontstemd, vermomd als harmonium of celesta; gesampled.

De piano's uit de tijden van Schubert en Mayrhofer waren echter fragieler en aanzienlijk minder zwart. Met zijn matglanzende vleugelmassa heeft Wernicke vermoedelijk een beeldrijm willen scheppen met het laarzenzwart en de massagrafliefde van de beweging waarin de romantische doodsdrift tussen 1933 en '45 haar consequentie vond. Maar zwaar is het, en het doet Kagels subtielere klankrijmen enigszins geweld aan.

Maar toen Leandra Overmann in scène 2 met een lichtbol op haar kop de klavieren beklauterde (uit Schumanns Dichterliebe: 'Es fählt kein Strahl in deines Herzens Nacht'), moesten we inzien dat het goed zat. De vleugel bleek ook bruikbaar als doodkist voor Heines Grenadiere. Dat was scène 9, waarin de esthetiek van desolate pianotoontjes, begeleidingsfiguurtjes en andere (schijnbare) restproducten een contrapunt krijgt in de vorm van Marseillaise- en Deutschlandlied-flarden van een blaasorkest.

Kagel is een grootmeester van de kleinschaligheid. Aus Deutschland is een verlijming van 25 tafereeltjes. Ongemeen boeiend is niettemin de Werdegang van de romantische beweging die Kagel voortovert, door haar te laten rijmen met zondagsschoolklanken, met de tango, met de blues (Goethe: 'My calm is gone'). En door haar te laten ontbinden in kermisklanken.

Schoner kan het vulgaire nauwelijks klinken, en beter dan Reinbert de Leeuw zal een dirigent het niet begrijpen. De muzikale uitvoering, met het Schönberg Ensemble en - opnieuw - het Nederlands Kamerkoor en de pianisten Marja Bon, Gerrit Hommerson en Stanley Hoogland, was, onder lastiger omstandighden, indrukwekkender en gaver dan die van '85. Désirée Meiser was een veelzijdige Sprecherin, behendig met laars, doodskop en uitklapsprookjesboek. De altus Kai Wessel was een mooi kwetsbare Mignon. Zijn baas Goethe (Thomas Möwes) was meer een crooner dan een John Lee Hooker, maar legde zich adequaat neer op de Dichteres ('Beglücke mich'), voorzover mogelijk op een pianogebergte.

Schubert (Christoph Homberger) had een expressief stemgeluid, en nam aan een schrijftafeltje in de hemel (op het balkon) verdiende hommages in ontvangst van collega-componisten, omgeven door gouden engeltjes - een fraai slotbeeld, ontleend aan een Schubertprent van Otto Böhler.

Roland de Beer

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden