Boekrecensie Jaap Goedegebuure

Goedegebuure heeft veel uitgezocht voor zijn biografie, maar de echte Kellendonk blijft achterwege (drie sterren)

Jaap Goedegebuure heeft mooie dingen naar boven gehaald over – en van – Frans Kellendonk, maar de biograaf heeft de essentie van diens schrijversbestaan niet weten te vatten.

Biografie Frans Kellendonk Beeld Silvia Celiberti

Jaap Goedegebuure: Kellendonk – Een biografie

Querido; 547 pagina’s; € 29,99.

Een schrijver is iemand die achter zijn bureau zit, en schrijft. ‘In het leven zelf ben je een afwezige’, aldus Arie Storm in zijn korte biografische roman Het laatste testament van Frans Kellendonk (2015), waarmee hij de bewonderde schrijver aan zijn lezers wilde teruggeven. Storm had zich in 2006 luidruchtig opgeworpen als ‘de ideale biograaf’ van Frans Kellendonk (1951-1990), de auteur van Mystiek lichaam, ook essayist en vertaler, die aan aids stierf. In plaats daarvan kwam hij jaren later met fictie. Wilde het niet zo met de biografie? Misschien, maar het zou ook kunnen dat hij de schrijver op deze manier een biografie wilde besparen. Immers, de geremde Kellendonk was bepaald geen liefhebber van het genre (zelfs interviews gaf hij liefst schriftelijk): ‘Dat kennis van het leven zou leiden tot een beter begrip van het werk is een veelgehoord, maar ondeugdelijk argument, want de biograaf kan niet anders dan omgekeerd te werk gaan en proberen om de chaos, die elk leven is, in het perspectief van de kunst te ordenen.’

De zin van een kunstwerk, schreef Kellendonk, is niet gelegen in de biografie van de schrijver, ‘die is in de concreetheid van het ding zelf gelegen. In de klank, kleur, en ritme van de woorden en zinnen.’

Het is kinderachtig dat Jaap Goedegebuure (1947), literatuurcriticus en emeritus hoogleraar Nederlandse letterkunde, in de biografie Kellendonk die hij is gaan schrijven toen Arie Storm maar niet opschoot, wel een hoofdstuk inruimt voor ‘naleven en nalatenschap’, maar de roman van Storm niet eens noemt. Ook schrijft de biograaf opvallend weinig over het aspect dat Kellendonk zelf zo belangrijk vond. De stijl. Die geen buitenkant is. Het moge duidelijk zijn dat de laatste roman uit dit kleine maar hoogstaande oeuvre, Mystiek lichaam (1986), zo imponeert door de stijl waarin de auteur zijn ideeënmuziek over vaderschap, homoseksualiteit, jodendom, christendom en de kunsthandel weergeeft.

Leren we Kellendonk beter kennen uit deze biografie dan uit zijn verhalen en romans, essays en de prachtige brieven waaruit in 2015 een opzienbarende keuze verscheen? Of zegt een typering van collega Geerten Meijsing in diens joyeus-valse sleutelroman De grachtengordel (1992) eigenlijk alles? Hans Hemelrijk, heet Kellendonk daar: ‘Hij bezat gratie en was erudiet, zonder met deze bevalligheden te koop te lopen. Integendeel, hij hield ze verborgen onder een vormelijke gereserveerdheid alsof hij zich voor zijn aanwezigheid excuseerde en zich liefst onzichtbaar wilde maken. Hemelrijk gaf je het idee dat hij niet dezelfde aarde trad, lijfelijk afwezig was en zowel in lichaam als in geest slechts met tegenzin uit de kerkers van zijn werklust en overige geheime verlangens was getreden.’ Knap geobserveerd, knap geschreven. Zo doe je een schrijver recht.

Goedegebuure heeft veel uitgezocht, en laat zien dat de aannemerszoon uit Nijmegen altijd, tot in de structuur van zijn boeken toe, katholiek is gebleven. Hij kon geen kerkdienst uitzitten, maar zijn verlangen naar de sociale én religieuze gemeenschap bleef, vanuit het troostrijke besef dat er een traditie was, een continuïteit waar je ook als eenling deel van kunt uitmaken.

Beeld rv

Het is mijn overtuiging dat voor Kellendonk het schrijven, het scheppen en vormgeven van verhalen, een manier was om deel te hebben aan de schepping. ‘Werken is het enige wat me met anderen verbindt.’ ‘In een roman heeft alles betekenis, in het leven niets.’

Telkens stelt Goedegebuure het voor alsof Kellendonk uit tegenspraken was opgetrokken, maar de bewijzen daarvoor zijn dikwijls discutabel. De bedachtzame en toegewijde scribent bezocht ’s nachts darkrooms en had onveilige seks toen hij al seropositief was. Dat is geen tegenstelling. ‘Hij was verlegen, teruggetrokken, onhandig in de omgang, maar daarnaast uiterst dwingend en dominant bij het uitdragen van zijn opinies en het stellen van eisen.’ Natuurlijk! Juist een sociaal onhandige voelt zich op zijn gemak op het terrein dat hij wél beheerst.

Het leven had hij niet in de hand. Kenmerkend is het hoofdstuk ‘Een zomerzotheid (1981)’, titel waarmee de biograaf quasi-lollig verwijst naar de jongedamesroman van Cissy van Marxveldt. Die titel is echter niet van toepassing op de laaiende liefde die Kellendonk opvatte voor Thijs Westerhout, een blowende losbol met wie hij zomaar wilde trouwen, en die later in Mystiek lichaam zou figureren als ‘de rijpere jongen’ die al het daglicht naar zich toetrok: ‘Het was alsof er een wolk voor de zon schoof en speciaal voor hem een reepje onbedekt liet.’ Een totaal ander type, die Thijs, schetst Goedegebuure. Ja daarom! Eindelijk iemand die de monnik uit zijn werkplaats trok. Hoe veelzeggend dat deze Thijs nooit helemaal uit het leven van de schrijver verdween, voordat ze allebei aan aids zouden overlijden.

Op een zeker moment citeert Goedegebuure uit een brief van Kellendonk, die Goedegebuure schreef. Een tikje ijdel. Hip wil hij ook zijn, door veelvuldig in Engels uit te barsten (happy, commitment, wisecrack, slipstream). Hij laat trouwens ook mooie dingen zien: in 1988, toen Kellendonk wist dat hij ten dode opgeschreven was, heeft hij aantekeningen gemaakt voor een boek over ziekte, dood en lichaam, dat Kwaad daglicht zou gaan heten. Citaat: ‘Het kost dertig jaar en een ernstige ziekte voor je erachter komt dat de dood niets is en dat je angst voor aftakeling enz. niets met de dood te maken heeft, en alles met het soort leven dat je leidt. Je bent bang om te sterven omdat je niet zeker weet of je leeft.’ Schitterend, maar ja, dat schreef hij dus zélf.

Grote moeite heb ik met de slotsom. Op zijn sterfbed liet Kellendonk zijn goede vriend Bas Heijne desgevraagd weten dat hij in dat stadium géén steun vond in het geloof. Goedegebuure concludeert: ‘Wat hij in het verleden had gezegd over het Nieuwe Jeruzalem, waar hij en de door hem geschapen Schepper misschien wel ‘één volmaakt lichaam’ konden zijn, was kennelijk niets meer dan een schrijversfantasie geweest, een oprechte manier van veinzen zoals alle religie en alle kunst.’ Daarmee verwijst hij naar een van Kellendonks kernteksten, ‘Beeld en gelijkenis’ (1983). Maar je kunt de veelgeciteerde definitie van ironie, die hij ook van toepassing vond op het geloof – oprecht veinzen –, toch niet zo afdoen, door die opmerking vlak voor zijn dood?

‘Kennelijk niets meer dan een schrijversfantasie’. Pardon, Frans Kellendonk wás een schrijver! Dat leven hing er maar zo’n beetje bij. De formulering is niet de enige aanwijzing dat Goedegebuure te steil is om Kellendonks typerende mengeling van scepsis en verlangen werkelijk te begrijpen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.