Goed je oren laten wapperen

Bavojongetjes, Haagse Matroosjes, jochies waar vandaan ook: jongenssopranen zijn veelgevraagd en niet alleen in kersttijd. Ze duiken op in de Mattheus, Die Zauberflöte, 'authentieke' barokuitvoeringen, maar ook in de nieuwe muziek....

MISERERE MEI, Deus, secundum magnam misericordiam tuam. Soms klinkt dat als pruttelende erwtensoep. Dan hoor je bij de lage stemmen zoiets als 'murmelmurmelmuam' en doen de hoge stemmen vreselijk hun best zich aan die stroperige, inerte brij te ontworstelen. Maar als het meezit, behoort Gregorio Allegri's zetting van Psalm 51 (gecomponeerd rond 1638) tot de aangrijpendste smeekbeden die van deze aarde tot de Heer gezonden zijn.

Boetvaardig reciterend schuifelt een mannenkoor door de tekst, tot plotseling één enkele sopraanstem zich losrukt van de zwaartekracht en omhoog zweeft naar de hoge c. Zo'n stem, stralend als een wit licht, vrij van menselijke zonde, zweeft daar als een engel door de gewelven. Puur, zuiver, onaantastbaar en toch kwetsbaar.

Zo'n stem is slechts een enkeling gegeven, en dan nog te leen. Tot hun dertiende, veertiende, zijn het jongens als Roy Goodman (in 1964 solist bij de opname van het Miserere door het King's College Choir) of, recenter en dichter bij huis, Maarten Engeltjes uit Elburg, die hun onaardse sopranen door het luchtruim jagen.

Hoe ver het hemels klankideaal en de aardse praktijk van elkaar verwijderd zijn, blijkt wel bij één van de repetities op een decemberavond van het Holland Boys Choir (in 1984 opgericht als het 'Stadsknapenkoor') in Elburg. Van engelen is weinig te bespeuren. En het geluid dat vijftien vier- tot zesjarige jongetjes van de opleidingsklas produceren, is eerder oorverdovend dan oorstrelend.

Met lang inzingen en droge stemoefeningen zal dirigent Pieter Jan Leusink de kostbare jongensjaren van zijn koorleden niet verpesten. Een paar riedeltjes omhoog op de lettergrepen da-me-ni-po-tu-la-be en daar gaan ze een half uurtje op volle kracht vooruit met gedegen oud-Hollands no-nonsensrepertoire: Zeg, ken jij de mosselman, Eén, twee, drie, vier, hoedje van papier en De zilvervloot. Hoe moet er uit deze kelen ooit een godvruchtige Bach vloeien? Engeltjes, zoveel lijkt duidelijk, worden hier in Elburg wel geboren, maar niet gekweekt.

En toch, als de jongsten zich na hun half uurtje op het tafelvoetbal en de computerspelletjes storten en de ouderen het lokaal binnenkomen, klinkt er opeens een getrainde en aardig geciviliseerde koorklank. En als na de generale repetitie van het kerstprogramma met Engelse Lessons and Carols de 'cantate-groep' overblijft, staat daar een koor dat mans genoeg blijkt om in één jaar tijd het complete cantatewerk van Bach voor het Kruidvat op cd te zetten. Inderdaad, de drogisterij-keten die ter ere van het Bachjaar 2000 tussen de shampoo en de bodylotion diens totale oeuvre op 155 cd's aanbiedt. Op zestig daarvan bieden de leden van het Holland Boys Choir hun welwillende medewerking in de koren en koralen.

'Als die jongetjes met vier, vijf jaar op het koor komen, probeer je eerst enthousiasme te kweken voor het zingen: doe maar lekker spontaan en het is hier gewoon leuk. Dan hangt er nog absoluut geen klassieke muziek in die oren', vertelt Leusink later. Een jongenskoor is voor hem verbonden met een vleug van jongensromantiek. Met z'n allen het onmogelijke presteren en verbroederen in het clubhuis. Tweehonderd cantates, mannen? Go!

Leusink: 'Ik zeg altijd: achter de deur van het repetitielokaal is alles geoorloofd om het resultaat te behalen dat je samen wilt.' Met meisjes en vrouwen erbij is dat anders, 'die zijn toch wel vrij gauw geraakt', vindt Leusink. Hij heeft vier jaar lang een meisjeskoor van de muziekschool geleid en waar het aan ligt, weet hij nog steeds niet, maar bij die meiden blokkeerde het altijd ergens. Die kreeg hij nooit zo ver als de jongens. 'Dat kan aan mij liggen', geeft hij toe, 'maar bij die jongens schiet er echt een vonk over.' Zo'n jongensstem is ook heel soepel en heeft in de kopstem een soort resonantie die waanzinnig ver draagt.

Zijn jongens houden er ook van om lekker te spetteren, die vinden het wel leuk om met het Sind Blitze, sind Donner uit de Mattheus het dak van de kerk te zingen. Of te exploderen in Brittens Te Deum. Niet voor niets kent Günter Grass juist die ijle, onschuldige jongensstem een vernietigende kracht toe: Oskartje uit Die Blechtrommel zingt met satanisch plezier de ruiten uit hun sponningen en de embryo's uit de weckflessen van de dokter.

'Als ze bij mij het servies stuk zingen, ga ik op kamers', roept moeder - Driesje - Engeltjes. Bij haar wordt altijd wel ergens in huis gezongen. Is het niet één van de jongens, dan zijn het wel de twee meiden, haar man of de hond. Ze heeft er drie bij het Holland Boys Choir. Met echtgenoot Aart (tenor) meegerekend zijn het er vier. De twee oudste zonen Gerald (20) en Maarten (15) zijn intussen al countertenor en Evert-Jan (13) zit nog bij de sopranen.

'Het is', zegt vader Aart, 'ons eigenlijk overkomen, het is gewoon zo gegroeid.' Gerald, toen zeven, ging mee met z'n oom naar het koor en bleef. Maarten wilde vanzelf. Die zong en zingt nog steeds elk moment dat hij niet slaapt of eet. Alleen op school niet. Dat wil zeggen, wel in z'n punkband, maar niet klassiek. 'Nee zeg, daar gaat m'n imago', mompelt hij thuis op de bank, worstelend met een halfzware Van Nelle.

Hij is een van de weinigen van het koor - ondanks het loodzware Bachproject nog steeds een amateurkoor - die beroepszanger wil worden. Hij heeft nu pianoles en zangles en heeft dus ook noten leren lezen. Want de methode Leusink is er eerder één van goed je oren laten wapperen, dan je blind staren op een partituur. Voor de meesten is een gedrukte partij niet meer dan een visueel geheugensteuntje; ze zijn vooral getraind in het bliksemsnel onthouden van de harmonieën en hun eigen melodieën daarin.

'Zo zou ik niet kunnen werken', zegt Fons Ziekman, muzikaal directeur en docent van de Kathedrale Koorschool Sint Bavo in Haarlem. Hij wil de noten bij hun naam kunnen noemen. In het voormalige klooster aan de Westergracht, waar sinds 1973 de school is gevestigd, heerst op een doordeweekse decemberochtend een bijna serene stilte. In één lokaal wordt gerekend. Jongens én meisjes zitten achter hun boeken en lopen af en toe naar de leraar om wat te vragen. In het lokaal er tegenover wordt het kerstverhaal verteld.

Twee minuten voor negen slaat de bliksem in de rust. Uit alle lokalen komen jongetjes gehold met het gebruikelijke jongetjesgeluid. Bonk-bonk, de trap op naar de koorruimte. Het is jongetjeszanglestijd, de meisjes zijn later aan de beurt. Ook de 25 Bavo-jongens buigen zich over de Christmas Carols. Ze zingen For onto us a child is born, vierstemmig met fugatische inzetten en lang uitgerekte klinkerslierten. Het is zingen, stoppen en bespreken waar de muziektechnische problemen zitten. Wie merkt dat hij tijdens het zingen een foutje maakt, steekt even z'n hand op. Moeilijke plekken worden exact aangeduid: pagina 7, eerste systeem, vijfde maat. Bij 'the mighty God' tempert Ziekman onmiddellijk de jubelende sopranen: 'Er wordt teveel gegild.' Ronde klanken vraagt hij, met la-ha-hange monden. Want met brede monden krijg je scherpe klanken. En, alweer bij de passage 'mighty God', niet met geweld drukken op die stembanden: 'Met geweld bereik je niks. Nooit.'

Natuurlijk, hij houdt ook van een stevige jongensklank, maar het moet nooit scherp worden; het moet niet 'vanuit de strot komen', vindt Ziekman - in zijn jeugd zelf jongenssopraan. 'Wat ik altijd heel mooi heb gevonden is de koorklank van het King's College Choir, al was het onder leiding van David Wilcocks wat onpersoonlijk.'

Ook Leusink richt zich eerder naar de Engelse jongensklank, dan de Duitse of Oostenrijkse. Die Wiener Sängerknaben, vindt hij, zijn net kleine dametjes met vibrato in hun stem. Een jongensstem is op z'n mooist wanneer hij strak, ijl, helder en loepzuiver door de kerk cirkelt. En dan, weet Ziekman uit ervaring, zit zo'n jongen meestal vlak voor z'n mutatie.

Of het nu de wat ruige Elburgertjes zijn, of de veel gepolijstere Bavojongetjes, of de Haagse Matroosjes of de jongens uit waar-dan-ook: jongenssopranen zijn veelgevraagd. Niet alleen rond kerst. De Wiener Sängerknaben (waartoe in vorige eeuwen Joseph Haydn en Franz Schubert behoorden) leden eind 1998 onder permanente Überforderung en stress, terwijl essentiële vakken als gehoortraining werden verwaarloosd.

Er zijn in het repertoire de bekende plekken waar de jongens mogen opdraven: de Mattheus, Mahler 8, de drie Knaben in Die Zauberflöte en allerhande 'authentieke' barokuitvoeringen. Maar ze duiken ook elders op. Berucht is nog steeds het experiment van Leonard Bernstein, om in Mahlers Vierde symfonie een Tölzer-knaapje (net niet meer in korte broek) met de sopraanpartij te belasten. Hartmut Haenchen koos, geheel volgens de jongste wetenschappelijke inzichten, een jongenssopraan voor de rol van Waldvogel in Wagners Siegfried.

Ook in de hedendaagse muziek worden geregeld jongenssopranen gevraagd. Opvallend vaak zelfs in werken van componisten die sterk met de 'nieuwe spiritualiteit' worden vereenzelvigd: Arvo Pärt, Gija Kantsjeli, Henryk Gorecki en John Taverner. Of, ook opmerkelijk, bij Nederlandse componisten die juist vanuit een compleet tegenovergestelde esthetiek te werk gaan, zoals Cornelis de Bondt of het kwartet Martijn Padding, Paul Koek, Florentijn Boddendijk en Louis Andriessen, dat in 1998 de muziek verzorgde bij de voorstelling Oldenbarnevelt van Theatergroep Hollandia.

'Het was het idee van Paul Koek', vertelt Padding, 'om een heel blik jongenssopranen open te trekken en ze uit te dossen als kleine Van Oldenbarneveltjes met enorme baarden. Een soort absurdistische dwergen.' De jongens van het Haags Matrozenkoor zagen er uiteindelijk nog redelijk normaal uit, als leerlingen in de werkplaats van Simon Stevin. De keuze voor een jongenskoor was volgens Padding in de eerste plaats een theatrale ingeving.

Maar in alle gevallen lijkt het wel alsof de jongensstem in de nieuwe muziek om méér dan de klank alleen is ingezet. Bij de veelal op religieuze teksten gecomponeerde muziek van Pärt (Magnificat, 1989), Kantsjeli (Tagesgebete) of Taverner (Hymns to the Mother of God, 1985) vertegenwoordigt de jongensstem de reine onschuld; een heldere, onbezoedelde stem tussen zondaren. In Greenaways film The Cook, the Thief, his Wife and her Lover (uit 1989, muziek van Michael Nyman) vormt zo'n devoot zingend jongenssopraantje een schrijnend contrast met het bloed, het vlees en de decadentie.

'Dat is natuurlijk een heel krachtig beeld', zegt Padding. Maar het is juist sterker als je dat niet ziet, als het puur om de klank gaat, zoals in Stockhausens elektronische Gesang der Jünglinge uit de jaren vijftig. Als daar niet het valse sentiment van het bijna heilige, onbevlekte en seksloze engeltje bij wordt gehaald, zoals in de muziek van Pärt en Kantsjeli: 'Verschrikkelijk en kwaadaardig', vindt Padding. Dat is nou een soort verhevenheid waar ik me beroerd bij voel. Het gaat gewoon fout zodra die jongetjes als iconen worden gebruikt.'

In de Tragische handeling van Cornelis de Bondt is de elektronische sample van een enkele jongensstem desondanks niets minder dan troost en balsem na de nucleaire klankoorlog die het ensemble Loos in de voorgaande drie kwartier heeft ontketend. Komm, du Jesu komm, smeekt de jongenssopraan op eenzame hoogte in een desolaat en ontredderd klanklandschap.

'Het stuk gaat over de dood, en een kind staat voor het tegenovergestelde. Dat is een dramatisch contrast met het sterven', zegt De Bondt. Maar hij wilde vooral een jongenssopraan omdat die in Harnoncourts opname van de Actus tragicus van Bach ook voorkomt: zó mooi, zo ontroerend, daar kan geen vrouw tegenop. Dat kun je met muzikale omschrijvingen maar nauwelijks benaderen. Dan heb je het over zaken als helderheid, strakheid en ongereptheid.

Maar het mooie aan een jongenssopraan, denkt De Bondt, is het vergankelijke: 'Die stem, dat duurt maar zo kort, net als een bloem die heel mooi, maar heel kortstondig bloeit. Dat is zeer dramatisch en het is net alsof je dat erin hoort.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden