Goed gestuurde tomeloze energie

Northsea Jazzfestival. Congresgebouw, Den Haag, 12 juli...

MUZIEK

Zondagmiddag, tijdens de tv-uitzending over het Northsea Jazzfestival, kwam bassist Hein van de Geyn in beeld als winnaar van de jaarlijkse Bird-onderscheiding. Hij vertelde over zijn optreden, eerder dat weekend, met het trio van de Amerikaanse pianist Mulgrew Miller. Van de Geyn, die kan bogen op een flinke Amerikaanse ervaring, vertelde dat hij weer even had moeten wennen aan de energie die Amerikaanse groepen tijdens een concert genereren.

Later die dag speelde trombonist Ray Anderson met zijn Lapis Lazuli Band op het dakterras van het Congresgebouw. Zijn optreden, geteisterd door windvlagen met minstens kracht 7, bracht onmiddellijk de woorden van Van de Geyn in herinnering. Het was veel en ook heel goed, bij vlagen zelfs overdonderend, maar je wist als luisteraar steeds vrij goed wat er gebeurde. Hier was, net als bij Van de Geyn en Mulgrew Miller, sprake van energie die uitsluitend een muzikale functie had.

Anderson speelde met een aantal topmusici de blues, maar die mededeling doet absoluut geen recht aan zijn prestatie. Hij heeft de blues opnieuw geschapen, naar zijn eigen beeld en gelijkenis. Als trombonist putte hij uit alle denkbare en ondenkbare expressiemiddelen die het instrument hem biedt. Hij gebruikt de plunger om een volkomen eigen geluid te creeren, een geluid dat niettemin direct herkenbaar is als een typische jazz-toon in de traditie van Sam Nanton, Quentin Jackson en Al Grey. Bij hem hoor je het hoge register met wat meer nadruk dan bij die fameuze voorgangers, waardoor zijn spel op een heel passende manier modern klinkt.

Toch is dat slechts één element uit zijn muzikale persoonlijkheid: hij heeft een enorm dynamisch bereik, hij speelt onwaarschijnlijk mooie legato-frases, hij zingt, en hij gebruikt het allemaal in een samenhangend muzikaal concept. Hij maakte van de blues een soort monologue interieur (in Monkey Blues) en hij bereikte een schitterend ellingtoniaans effect in de intro van Damaged, But Good.

Energie blijft dus een tamelijk diffuus begrip: je hebt er weinig aan als ze niet in banen wordt geleid, maar lang niet iedereen weet de bronnen te vinden. Muzikale energie heeft bijvoorbeeld niets te maken met een snel tempo: Anderson speelde soms snel maar soms ook tergend langzaam, en juist dan was het alsof de muziek uit zichzelf zou ontbranden.

Van de Geyn verwoordde in zijn tv-interview een authentiek gevoel van veel Europese musici en fans die bewondering hebben voor de Amerikaanse macht om het onderste uit de kan te halen. In dat verband kunnen we niet om Han Bennink heen. De Nederlandse slagwerker speelde zondagavond met bassist Ernst Glerum en pianist Michiel Borstlap twee keer drie kwartier waarin de concentratie nooit verslapte.

Net als bij Ray Anderson kreeg je hier het idee dat de musici krachten bedwongen die veel groter zijn dan zijzelf. Het is een oud idee maar het kan geen kwaad om er nog eens aan te herinneren. Het doet je inzien hoe belachelijk het is om musici in hokjes te verdelen, om te zeggen dat Bennink en Glerum uit een ander 'kamp' komen dan Borstlap. Ze vonden elkaar in ongegeneerd speelplezier en in Monks Ba-Lue-Bolivar, Ba-Lues-Are, maar in feite werden ze gevonden. Het was een belevenis om dat mee te maken.

Frank van Dixhoorn

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.