God moet het zo gewild hebben

's Avonds weer bidden, of op hoogtijdagen een kaartje leggen met de zusters. Slapen op een rieten matje. En dat al 45 jaar lang. Een hoge, nederige taak. Zoals God het gewild heeft; zoals Roza het wilde toen ze, 27 jaar oud, tegen de zin van haar vader Vlaanderen de rug toekeerde, om missiezuster te worden in het ongekerstende oosten.

Roza doet denken aan Zuster Immaculata (uit het gedicht Roeping van Gerard Reve), 'die al vier en dertig jaar/ verlamde oude mensen wast' en die nooit haar naam vermeld zal zien.' Ook Roza verricht haar heldendaden voor de gedoemden uit de laagste kaste in stilte en afzondering. Een werkmier: 'Ik ben klein. Ik ben nietig. Ik ben onooglijk. Ik ben minder dan het minste. En dat is goed.'

Eén keer werd zij in het zonnetje gezet, toen zij vijftig jaar bij de orde was. Ze kreeg bloemen, heiligenbeeldjes en borduurwerken. Maar de bisschop, die met veel tamtam zijn komst te harer ere had aangekondigd, kwam niet opdagen.

Zuster Roza is een oude bekende uit het werk van Leo Pleysier. In De dieven zijn al gaan slapen (2003) wordt deze 'tantenon', werkzaam in een armenhospitaal in India, een paar keer genoemd. En in De gele rivier is bevrozen, is het dezelfde tante Roza die uit China brieven stuurt aan haar familie. Was deze 'papieren tante' in de ogen van de jonge ikfiguur een bijna mythische figuur, deze 'papieren tante in de nieuwste roman van Leo Pleysier, De trousse, geeft de volwassen geworden neef het woord aan de tantenon zelf. Hij heeft haar beeld al zoveel jaren met zich meegedragen dat hij zich, met behulp van de verbeelding en op grond van de taal die hij kent uit haar brieven, met huid en haar in haar kan verplaatsen.

Taal is in het bijzondere werk van Pleysier geen middel maar grondstof, de klei waarmee de personages zichzelf boetseren, zonder tussenkomst van een verteller. Maar het is geen kokette taal die de aandacht naar zich toetrekt. De taal van de zuster is simpel en aards. Graag vertoeft zij in de strijkkamer: 'Het ruikt daar lekker. En als ik tijd heb wil ik altijd graag nog wat meehelpen.' En het spierwitte uniform van haar leerling-verpleegsters 'steekt zo mooi af tegen het chocoladebruin van hun vel'. Geholpen door kleine genoegens kruipt zij naar de tachtig.

Als er op een dag een jong meisje met een rugzak om voor de kloosterdeur staat dat vraagt naar zuster Roza, is ze verguld. 'Naar míj nog wel.' En zij vertroetelt deze zongebruinde Bregje, die onvervaard India met de trein doorkruist, als ware zij een prinsesje. Want het is de laatste keer, beseft ze, dat ze bezoek krijgt uit het verre Vlaanderen. Zij is een vreemde geworden in het land waar 'God verdwenen is', maar het 'in de magazijnen en de koophallen alle dagen storm loopt'. Het meisje vindt haar tante cool. 'Welwelwel toch!', bloost zuster Roza.

Een simpele ziel is Roza, een brave bruid van God die soms, in een poëtische opwelling, beseft: 'Ik ben een vis die in de weidse stroom zwemt.' Maar ook zij beleefde eenmaal haar glorie. In haar voortkabbelende nonnenbestaan is wel degelijk iets gebeurd. Het had te maken met Astrid. Belgische Astrid, dokter Astrid, die Roza jarenlang terzijde stond bij operaties. Astrid voor wie zij, zo maakt Pleysier subtiel duidelijk, een grote, gesublimeerde liefde koesterde. Astrid met de grote vaardige handen. Die iedereen in het hospitaal voor haar liet rennen, maar een dame was, dat zag je zo. En als ze op hun schaarse vrije dagen samen wandelden door de bergen van Kodaikanal en boottochtjes maakten en praatten over hun jeugd in België, dan leek zij wel een vriendin.

Maar Astrid wordt ziek. Borstkanker. In korte tijd breiden de tumoren zich over haar hele lichaam uit. Zij lijdt verschrikkelijke pijnen, wil geen morfine en Roza moet toezien hoe de aanbeden dokter wordt opgevreten door de ziekte. Astrid dwingt haar te beloven dat ze haar lichaam meteen na het sterven zal wegvoeren en laten begraven; ze wil niet dat anderen haar afzichtelijke lijk zien.

Vlak voor ze sterft, geeft Astrid aan Roza haar grootste schat: haar trousse. Deze dokterstas, ooit gekregen van haar professor, droeg zij haar hele leven met zich mee. Hij zit vol met scalpels, scharen en lancetten - Pleysier maakt er een mooie opsomming van, die klinkt als poëzie. Roza heeft al die instrumenten zo vaak aangegeven en ontsmet, dat ze precies weet hoe ze te hanteren. Zij gaat aan de slag, een nacht lang. Eindelijk kan ze iets terugdoen voor de aanbedene, ook al is het voor haar dode lichaam.

Ook al is ze 'stout' tegenover Astrid die het haar verboden had, God moet het zo gewild hebben. Het resultaat is overweldigend.

En het effect, in deze kleine, in kalm-kloosterlijke cadans voortschuifelende roman, is dat ook. Pleysier laat de papieren tante uit zijn jeugd stralen.

Zuster Roza heeft niet voor niets geleefd.

Leo Pleysier: De trousse.
De Bezige Bij; 74 pagina's ; euro 13,90.
ISBN 90 234 1437 3.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden