God liet zich heel even zien op het North Sea Jazz Festival

Bijna zeventigduizend bezoekers wrongen zich dit weekeinde door de snikhete zalen van het Haagse Congresgebouw, waar de vierentwintigste editie van het North Sea Jazz Festival plaatsvond....

Officieel is het gezelschap begraven, maar de naam ligt iedereen nog op de lippen. Dus kondigde de Spiegeltent-presentator van het North Sea Jazz Festival de openbare workshop aan als een optreden van Djazzex. Drie kwartier improvisatie van drie danseressen, cellist Ernst Reijseger en drummer Alan Purves.

Een wrede speling van het lot: tijdens het veertienjarig bestaan van Djazzex werd het voornemen op te treden tijdens Nederlands grootste jazzfestival nooit gerealiseerd. Drie jaar geleden sloot het gezelschap door een subsidiestop noodgedwongen de deuren. Stichting Djazzex bleef bestaan, won de rechtszaak over de onrechtmatige totstandkoming van het ministeriële besluit en kreeg een half miljoen schadevergoeding. Daarvan financierde de stichting deze eerste publieke activiteit sinds de opheffing.

'Denk niet dat er een nieuw gezelschap komt', weerspreekt voormalig artistiek leider Glenn van der Hoff de geruchten. 'Die plannen zijn verleden tijd. Ik ben ontslagen en word nu door de stichting ingehuurd om afzonderlijke plannen te bedenken.' Welke wil hij niet kwijt.

Penningmeester John van Beek is scheutiger: 'We dingen weer mee voor het nieuwe kunstenplan. Met een bescheidener subsidieverzoek dan de twee miljoen van toen. Het ministerie heeft nog iets recht te zetten.'

Op het podium strekt Anne Affourtit haar arm alsof ze een mier de hand schudt. Ex-Djazzex-dansers Sara Ehrens en Valerie Masquelier trekken hun schouders hoog en strelen hun bekken. Wanneer Reijseger met zijn instrument de te kleine balletvloer van acht vierkante meter betreedt, wordt het spannend. Ehrens accepteert de uitnodiging tot een trio met Reijseger en zijn cello, en kruipt in de ruimte tussen klankkast en bespeler. Affourtit wijst hem op haar beurt wuft af. De cellist trekt zich terug om de hals van de cello ritmisch te masseren. Purves blaast uit zijn neusgaten op een fluit. Al zijn dipjes niet te voorkomen, de sessie dwingt de volle spiegeltent tot ademloze aandacht. Zeker wanneer Affourtit op één been brutaal de zaal instapt en Masquelier met haar lange ledematen wonderschone cirkels draait.

's Middags lichtte Van der Hoff deze voorzichtige come back van Djazzex toe in de Radio West-talkshow van minister Hans Dijkstal. Die stak zijn duim ferm omhoog. 'Heel welkom, zo'n steun.' redeneert Van Beek. 'Laat hem een goed woordje doen bij staatssecretaris Rick van der Ploeg.'

Op de vraag of hij in God geloofde antwoordde Elvis Costello een jaar of vijftien geleden van niet. Maar één keer, zei hij, had hij een optreden van Al Green bijgewoond, en dat had hem voor even aan het twijfelen gebracht. Wie de grote soulzanger zaterdagnacht op North Sea Jazz For the Good Times hoorde zingen, wist wat Costello bedoelde.

In hagelwit pak gaf Green, tegenwoordig behalve zanger ook predikant in Memphis, al bloemen uitdelend een voorstelling die zijn wat gejaagde verschijning van zes jaar geleden in Den Haag deed vergeten. Dit keer nam Al Green de tijd voor een voorbeeldige selectie uit zijn klassieke jaren zeventig soulrepertoire, en wie rond middernacht nog in de benauwde Statenhal aanwezig was, zag een voorstelling die bij vlagen Goddelijk te noemen was.

Fluisterend in How Can You Mend a Broken Heart, swingend in L.O.V.E. en funkend in Take Me to the River was de reverend een uur lang in topvorm. Zelden maakte een soullegene zo zijn status waar als Al Green dit jaar in de Statenhal. Het deed de teleurstelling van een vermoeid klinkende Wilson Pickett van een uur eerder makkelijk vergeten. Pickett stond welgeteld vijftien minuten op het podium, ging wat rommelige duetten aan met dames en heren uit het publiek, zette even zijn karakteristieke oerschreeuw op en vertrok weer met de belofte later terug te komen.

Daar wacht de ware festivalganger natuurlijk niet op. Die heeft keuze uit meer dan vijftien zalen. Dus waarom nog langer zo'n braderieorkest aanhoren - door wie de 'wicked Wilson Pickett' zich liet begeleiden -, als elders de subtiele kruisbestuiving tussen pop, jazz en bossa nova van Vinicius Cantuária te bewonderen valt. Een ontdekking deze Braziliaanse gitarist, zoals de op zijn prachtplaat Tucumá aanwezige Bill Frisell dat de avond ervoor was.

Dit soort optredens maken het voor de popliefhebber ieder jaar weer de moeite waard naar Den Haag af te reizen. Want Frisell en Cantuária staan tamelijk dicht bij de popcultuur. Net als Hans Dulfer overigens, die vrijdag een ongekend aantal bezoekers in de bloedhete kelder aan het swingen bracht met zijn zeer effectieve Rhythm & Brass band. Zo vol zou het daar niet meer worden, maar het was vrijdag wel de avond waar de liefhebber van moderne dansmuziek (triphop, drum 'n' bass) onder het genot van een cocktail (goed idee, zo'n bar) fijn kon swingen.

Avontuur zat er vrijdag vooral in de aan Squarepusher verwante aanpak van Clifford Gilberto (ratelende drums en doorgefreakte bastonen) en in de tegenwoordig weer hippe Afrofunk van Femi Kuti. Adembenemend was ook het vocale geweld dat Rachelle Ferrell liet horen als gaste bij de mooi ingetogen spelende George Duke. Op voorhand een voorspelbaar nummer, die Duke - zoals het in Den Haag ieder jaar wemelt van de afgesleten jazzrockers - maar een stuk opwindender dan die onvermijdelijke B.B. King of Gary Moore, het wat minder begaafde neefje van Eric Clapton.

En wat moet Herman Brood daar? Al twintig jaar geen fatsoenlijke plaat meer van hem gehoord, maar zaterdag gaf hij met een twintig koppen tellende bigband de show van zijn leven.

Al Green moest toen nog komen, en hopelijk heeft Elvis Costello, zondag de grote popattractie, hem ook gehoord. Want hij had gelijk: God bestaat.

Het ruisbekken van drummer Louie Bellson was origineel, net zoals het fluitje van Ernst Reijseger en het liefdesliedje van Clark Terry. De bezoeker van het North Sea Jazz Festival dwaalde vrijdag- en zaterdagavond door het Haagse Congresgebouw en kon overal merkwaardige en enerverende, soms ook volledig misplaatste klanken horen. Een gospelkoor zong de lof des Heren in een donkere kelder waar het rook naar wiet, en niemand die dat gek leek te vinden.

In zo'n omgeving valt het niet meer op als je origineel bent, want iedereen is dat in zekere zin: de programmeurs van het festival, de musici, de toeschouwers. De een leert het nog sneller dan de ander. Toch zijn er bakens.

Slagwerker Max Roach bijvoorbeeld speelde met vijf koperblazers een versie van Giant Steps, een van de meest ingewikkelde harmonische constructies in de moderne jazz. Roach nam het tempo iets lager, schoof een beetje met de accenten in de melodie en creëerde zo een simpel en intrigerend danswijsje. Geen frutsels, geen noten te veel, alleen die bedrieglijk simpele ritmische kern - daar gaat het om.

De altist Bunky Green, eindelijk in Europa, is een bron van inspiratie voor eigenwijze jongeren als Steve Coleman. Green groeide op in de jaren vijftig, toen het voor jazzmusici steeds vanzelfsprekender werd dat ze serieus konden improviseren op het meest uiteenlopende materiaal. Veertig jaar later speelt hij nog steeds volledig uitgewerkte conceptuele improvisaties, of het nu een blues in Bes is of een standard van Monk. Het publiek stroomde van alle kanten toe om deze nagenoeg onbekende man van zestig te horen boppen.

Ook saxofonist Lou Donaldson en toetsenist Lonnie Smith doen feitelijk al decennia hetzelfde. Toch hebben de noten nog niets van hun oorspronkelijkheid verloren. Donaldson heeft het Parker-idioom in zich opgezogen en voegt daar een bluesy tintje aan toe. Smith - met tulband en eeuwige glimlach - laat zijn Hammond-meubeltje vlammen als vanouds. Bye Bye Black-bird maakt nog altijd de tijger in hem los; speelt hij een blues, dan blijkt hij als weinig anderen de equilibrische kunst te beheersen van het weglaten (op het theatrale af) en het toe-voegen: het bluesschema voorziet hij inventief van steeds weer andere harmonieën.

Oorspronkelijkheid in de jazz heeft vaak te maken met het volledig assimileren van bestaand materiaal. Gitarist Tuck van het duo Tuck & Patti zag zich genoodzaakt Stevie Wonders I wish een half toontje te verhogen, naar het voor gitaar zo handzame E. Maar hierdoor was hij wel in staat een duizelingwekkend arrangement te realiseren waarbij hij in zijn eentje bas, beat, begeleiding en melodie uit zijn instrument slingert.

Jazzmusici zijn te verdelen in trendsetters en trendvolgers, maar een festival als North Sea bewijst eens te meer dat deze typeringen geenszins als maatstaf kunnen gelden.

Neem het trio dat pianist Benny Green vormt met gitarist Russell Malone en bassist Christian McBride. Deze jonge musici manifesteren zich als de reïncarnatie van het legendarische Oscar Peterson Trio. Idiomatisch niets nieuws onder de zon, maar hun muzikaliteit lijkt niet aan grenzen te zijn gebonden en de swing komt uit hun tenen. Zozeer dat Green zich menigmaal met een klinkende klap fysiek moet ontladen. Malone daarentegen speelt met een stoïcijnse glimlach de meest razende lijnen van Montgomery's Jingles, terwijl McBride de akkoordpatronen tot het harmonisch uiterste oprekt.

John Scofield, een van de meest oorspronkelijke gitaristen uit de annalen van de jazz, peinst er niet meer over nog standards te spelen. Het waren tenminste allemaal 'originals' waarmee hij zaterdag in wervelend concert het programma in het Tuin Paviljoen besloot. Niet alleen van Scofield zelf, maar ook van saxofonist Joe Lovano, bassist Dave Holland, en zelfs van slagwerker Al Foster werd nieuw materiaal gespeeld. Het lijdt nauwelijks twijfel of Scofield heeft hiermee weer nieuwe bakens uitgezet. Wordt vervolgd - tijdens de volgende edities van het North Sea Jazz Festival.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden