God bestaat - in verhalen 'IN BABYLON' IS MARCEL MORINGS MEEST AMBITIEUZE WERK TOT NU TOE

ALTIJD WEER diezelfde vraag. Altijd van Amsterdammers, vooral van schrijvende Amsterdammers: 'Waarom woon jij in godsnaam in Rotterdam?' Het antwoord is in de loop der tijd ingedikt tot één zinnetje: 'Om niet elke dag in café De Zwart te zitten.' Het nuchtere, zakelijke Rotterdam, een uur gaans van het literaire...

ALEID TRUIJENS

Hierboven, zijn werkkamer in het ruime, lichte negentiende-eeuwse pand aan een singel, waar Möring (39) met zijn vriendin en twee jonge kinderen woont, is de plaats die hij in dit gesprek vaak symbolisch noemt als begrenzing van zijn wereld. 'Ik ben monomaan gefixeerd op mijn werk. Ik ga zelden uit, ik heb geen hobby's, ik ben politiek niet actief. Alles wat ik lees, bedenk en meemaak, staat in dienst van wat ik schrijf. Het gezinsleven is hier zo georganiseerd dat ik op vaste uren werk. Dat moet ook wel, want ik heb geen baas die mij dwingt.'

Stug doorwerken, ook al gaat het helemaal niet; dat heeft hij geleerd in het ene, rampzalige jaar dat hij krantenverslaggever in Assen was. 'Ik ben dat jaar vijf keer ontslagen en ik heb zelf zes keer ontslag genomen. Maar sindsdien weet ik dat elke dag gewoon gaan zitten en beginnen het beste is. Ik zie bij veel collega's dat ze alleen kunnen werken als de omstandigheden perfect zijn. Als er buiten iemand met een drilboor aan de gang is, komt er niets uit hun handen. Als je gaat wachten tot het echt lekker voelt, kom je nooit aan het werk.'

In zijn nieuwe, omvangrijke roman In Babylon is van beperking van plaats en tijd in één opzicht geen sprake. Het is de familiekroniek van het joodse geslacht Hollander, voorheen Levie. Hun verhaal reist van Polen westwaarts via Duitsland en Rotterdam naar New York, vervolgens naar de Amerikaanse westkust, en dan weer via Manhattan terug naar Nederland. Een trektocht die drieëneenhalve eeuw in beslag nam.

Eeuwige reizigers, deze Hollanders. En klokkenmakers. Hun vroegstbekende voorvaderen, Chaïm en Magnus, woonden in de zeventiende eeuw in wat tegenwoordig de grensstreek van Polen en Litouwen vormt. Oom Chaïm, de miskende uitvinder van de pendule, bleef er en stierf. Neef Magnus vertrok, zijn gereedschapskist op de rug, met een omweg van 21 jaar naar Nederland. In dat heldere landje van melk en boter repareerde hij pendules (een vermeende uitvinding van Huygens), trouwde hij, en kreeg een zoon, een kleinzoon, een achterkleinzoon.

Drieëneenhalve eeuw later gaat het komisch kibbelende duo Magnus en Chaïm regelmatig op bezoek bij een verre nazaat, Nathan Hollander. Nathan is geen klokkenmaker, maar wel een reiziger. Hij bracht zijn jeugd door in Amerika, waar zijn vader, een natuurkundige, in het geheim aan de constructie van de atoombom werkte. Als volwassene pendelde hij tussen Nederland en Amerika. De urenlange gesprekken aan keukentafels met zijn doorschijnende voorvaderen, de eeuwenoude verhalen die ze hem doorgaven, maakten van Nathan een sprookjesschrijver.

Tegelijkertijd is In Babylon een roman waarin plaats en tijd op extreme wijze zijn beperkt. Het heden van de roman is niet groter dan een jachthuis in de bossen van Oost-Nederland. De tijd wordt begrensd door de omvang van een voedselvoorraad in een kelder, of de komst van reddingstroepen. Een overzichtelijk vertrekpunt voor een panoramische roman.

Tijdens een strenge winter in de jaren negentig is de 60-jarige Nathan daar ingekerkerd, samen met zijn 30-jarige nichtje Nina, dochter van zijn overleden, of verdwenen, jongere broer Zeno. Het huis is een cadeau van Nathans lievelingsoom Herman, die het hem naliet onder de testamentaire voorwaarde dat hij er zíjn biografie zou schrijven. Die biografie werd een familiekroniek.

Nathan nam zijn nichtje, tevens zijn literair-agente, mee naar het huis om er het manuscript door te nemen. Op weg naar het huis raakt de auto ingesneeuwd. Ze vervolgen de tocht te voet in de barre vorst, en meer dood dan levend bereiken ze het huis dat in een ijspaleis is veranderd. En dat is niet de enige wrange grap.

Iemand, een zieke geest, heeft het huis getransformeerd in een folterruimte: kamers zijn gebarricadeerd, vallen uitgezet, angstaanjagende grappen - een stem op een bandje, lijken die poppen blijken te zijn - zijn zorgvuldig voorbereid door de indringer. Maar drank en eten zijn er in overvloed; meubels en boeken leveren brandstof voor een week.

Nathan en Nina zijn het er snel over eens wie hun dit heeft geflikt: Zeno, haar vader en zijn broer, een geniale, wonderlijk ontoegankelijke jongen, die sekteleider werd met een hysterische schare volgelingen. Maar Zeno is al jaren dood. Of niet? Er blijft geen andere 'verdachte' over dan Nina, Nathans nichtje, van wie hij houdt en die juist degene is die in hun gevangenschap toenadering zoekt. Het raadsel wordt niet opgelost.

Deze gecompliceerde, maar moeiteloos ogende opzet, het thriller-achtige gegeven, de familiegeschiedenis en de enorme verhalentraditie die het omspant, maken van In Babylon Mörings meest ambitieuze werk tot nu toe.

'Ik probeer met elk boek een stap te doen in mijn ontwikkeling', zegt hij. 'Niet alleen het onderwerp, ook de stijl is in mijn drie romans totaal verschillend. Mendels erfenis, mijn eerste roman, is heel poëtisch geschreven, Het grote verlangen is een stadse roman, road movie-achtig, en dit boek is episch, met een klassiek verhalende toon, afgewisseld met luchtige passages.

'Ik heb er vijf jaar aan gewerkt, het is 470 pagina's, maar het had veel en veel langer kunnen worden. Op een zeker moment heb ik een grens getrokken: dit wel erin en dat niet. Het gevaar dat mij bij dit boek bedreigde is dat ik alles in één keer tegelijk wilde zeggen.

'Er zijn twee dingen waarop ik tijdens het schrijven sterk let: ten eerste dat ik de dominee in mezelf terugtrap in zijn hoek, en ten tweede dat ik me beperk. Ik ben een gepassioneerd liefhebber van het werk van James Joyce. Het liefst zou ik Ulysses nog eens overdoen, maar dat is natuurlijk niet zo'n geweldig idee. Daarom moet ik voortdurend stroomlijnen, het pad smaller maken, prachtige invallen meedogenloos wegduwen.'

Toen hij vijf jaar geleden de AKO-prijs kreeg voor Het grote verlangen, wilde iedereen weten wanneer het volgende boek kwam, vertelt hij. 'Om ervan af te zijn, heb ik gezegd dat het wel, zes, zeven jaar kon duren. Maar ik had geen flauw idee. Ik was was wel van plan iets te maken met een brede, verhalende opzet. Waar ik zou uitkomen, wist ik niet. Zo werk ik niet. Ik schrijf vooraf geen plot uit, geen hoofdstukindeling, want ik wil mezelf verrassen tijdens het schrijven. Een wereld ontdekken. Schrijven moet een avontuur zijn, geen invuloefening.'

T OCH IS ER een opmerkelijke overeenkomst tussen de drie zo verschillende romans van Möring. Hoofdpersonen zijn elke keer 'overlevenden'. Niet van de grote vernietiging van '40-'45 - 'Nee, alsjeblieft niet', zegt hij - maar van een familie. Mendel Adenauer uit de eerste roman, Sam, Lisa en Raph van Dijk in de tweede, en nu Nathan Hollander zijn allemaal wezen. En het zijn buitenstaanders, geen enthousiaste deelnemers aan het grote-mensenleven. Herinneren, terughalen van wat de familie bond, van de grond die hen heeft gevormd, is voor hen van levensbelang.

Sam van Dijk leed onder zijn gebrekkige herinnering die gecorrigeerd moest worden door verhalen van anderen. Aan Nathan Hollander gaf Möring een supergeheugen, dat hij prachtig verbeeldde in de toren waaraan het boek zijn titel ontleent. Op de verdiepingen, gangen en vertrekken van dit bouwwerk bergt Nathan in zijn geest herinneringen op. Door deze daad van visualisatie kan hij geen enkel verhaal vergeten.

'Het is waar', zegt hij, 'familie, herinneringen, een gedeeld verleden, daar moet het kennelijk bij mij over gaan. Maar ik ben me daarvan pas bewust geworden toen lezers mij dat vertelden. Ik wil niet nadenken over thema's. Ik heb geen pasklaar wereldbeeld, en ik bedenk ook geen filosofische statements. God, nee. Ik word vaak beschouwd als een filosofische schrijver. Maar dat is onzin. Jaap van Heerden had gelijk toen hij ooit schreef dat de filosofie van de gemiddelde schrijver op een wandtegeltje is samen te vatten.

'Schrijvers hebben filosofisch niet veel te melden, dat is hun taak ook niet. Schrijvers beginnen waar de filosofie stopt. Wij vertellen verhalen waarin oude of nieuwe ideeën tot leven komen. Zoals in de midrasj-verhalen waaruit Nathan put, in die aardse, grappige en vaak respectloze sprookjes, het abstracte gedachtengoed van de Talmoed concreet wordt. En verteerbaar. Het zijn juist die verhaaltjes die gedurende vijf, zesduizend jaar de joodse cultuur hebben gevormd.

'Wij Hollanders hebben de neiging om het zware, serieuze als béter te zien. En dat is niet altijd zo. Ik word ook beschouwd als een diep serieuze schrijver. Dat beeld klopt niet helemaal. Bij dit boek had ik mij voorgenomen aan de oppervlakte van het verhaal te blijven, veel avontuur, veel spanning. Ik heb bewust teruggegrepen op een motief uit het werk van de Brontë-zusters: het huis met een geheim. Zo werd het boek een wolk van verhalen, met dat mysterieuze huis als spil.

'Ik geloof heel sterk dat wij onszelf en anderen leren kennen door de verhalen die wij vertellen en die we lezen en horen. Dat is het frappante van soap-series. Hoe slecht ze ook zijn, ze worden bekeken door zoveel mensen omdat men kennelijk die verhalen nodig heeft. Het zijn eeuwenoude thema's, die zelfs in de meest onbenullige vertolking indruk maken. Dat betekent ook dat de roman nog steeds heel belangrijk is. Wie iets meer complexiteit verlangt dan soap-kijker, heeft literatuur nodig om het leven te begrijpen.'

Deze tijd, zegt hij, is een vruchtbare voor de literatuur. Het dieptepunt van de jaren zestig en zeventig, toen er geen waardering was voor het verhaal omdat de platte werkelijkheid boeiend genoeg werd geacht, is voorbij. 'Ik dacht toen, als lezer, dat het afgelopen was: zo'n roman over iemand die bij de centrale verwarming staat en treurig naar buiten staart en dan gedachten heeft - dat leek toch een eindpunt. Niet dat de literatuur alleen amusement is, maar een verhaal moet de lezer pakken, los van alle diepere dingen die het losmaakt. Het verhaal is het belangrijkste instrument van een schrijver.'

In In Babylon is het de joodse, religieuze verhaalcultuur die Möring inspireerde, in Mendels erfenis ging het over botsingen tussen de joodse en christelijke cultuur. Toch gruwt hij van het etiket 'joodse schrijver'.

'Een joodse schrijver, dat vind ik net zoiets als een gereformeerde geitenfokker. Je bent schrijver en je moet gebruiken wat je wilt gebruiken. Uit Het grote verlangen is niet op te maken of de hoofdpersonen hervormd zijn of katholiek, of joods. Zelf moest ik tijdens het schrijven over die drie mensen die in één klap door een ongeluk hun ouders kwijtraken, denken aan wat ik maar 'het joodsche leed' noem, maar ook aan een vriend wiens ouders bij een brand om het leven kwamen. Ik dacht: er is geen wezenlijk verschil. Dat gevoel van verlies wilde ik algemeen maken.'

'God bestaat' luidt een hoofdstuktitel in In Babylon, maar dat blijkt bij nadere lezing een grapje. God openbaart zich in de warmte van het haardvuur dat Nathan en Nina na veel inspanning hebben aangelegd. God huist in de hemelse smaak van een twintig jaar oude rode Aloxe Coton, die naar bosbessen zweemt en daardoor aan Tolstoj doet denken. God bestaat voorzover hij verhalen voortbrengt.

'Ik ben van jongs af aan geïnteresseerd in religieuze literatuur', zegt Möring, 'maar gelovig ben ik niet. God is irrelevant, maar wat hij heeft aangericht mag er wezen. Gerard Reve is daar het duidelijkst in geweest. Ik deel zijn fascinatie voor de maagd Maria absoluut niet, maar hij stelt terecht dat literatuur en religie veel gemeen hebben: het is een geformaliseerde eredienst voor wat wij niet begrijpen.

'Frans Kellendonks geloofshouding vond ik ook mooi: de erkenning dat je een hang hebt naar datgene waar je niet in gelooft. Wij weten niet wie wij zouden zijn zonder die judeo-christelijke traditie. Dit kleine gebiedje, Noordwest-Europa, is niet alleen het rijkste gebiedje ter wereld, maar ook het rustigste en aangenaamste. Zelden in de geschiedenis heeft een groep landen een zo lange periode van welvaart en welzijn meegemaakt. En juist dat gebied is doordrenkt van de judeo-christelijke traditie. Dat wij op een bijzondere plaats zijn, op een eiland van liberaal denken en compassie dat uniek is in de geschiedenis, daar moet je je rekenschap van geven.'

Nee, moet Möring aan het einde van het gesprek erkennen, hij is niet de schrijver voor wie het leven buiten zijn kamer 'hierboven' niet bestaat. Maar de overgave aan 'de wereld', aan andere mensen, kost hem moeite. De aarzeling die Nathan bevangt als Nina zich aan hem geeft, kent hij uit eigen ervaring heel goed.

'E LF JAAR geleden ging ik voor het eerst samenwonen. Daarvoor was ik volmaakt gelukkig in mijn eentje. Ik had niet meer nodig. Ik ben verliefd geworden, ik ben vader, en daar ben ik ook heel gelukkig mee. Maar die stap heeft mij ingrijpend veranderd. Alleen zijn is makkelijker. Je hebt geen last van territoriale driften, van de onwil je gevoelens te delen, van de verschillen tussen man en vrouw, die, laten we eerlijk zijn, nog altijd problematisch zijn.

'Ik maakte in een paar jaar een ontwikkeling door waar ik hard aan toe was. Ik moest me gaan richten op andere mensen, me verplaatsen in een ander. Dat heeft grote gevolgen gehad voor mijn werk. Ik was vroeger veel te romantisch. Vrouwen zag ik als etherische wezens waaraan niets fout kon zijn. Nina is geen kwetsbaar wezentje. Zij is leuk, slim, handig, maar heeft ook duistere trekken.

'Nog steeds vind ik die schroom van een ongebonden man als Nathan interessant om te beschrijven. Als er dan eindelijk iets ontstaat met een vrouw, dan snijdt het ook diep, en is het niet op borst- en heupomvang gericht. Ik ben niet geïnteresseerd in stampende seks in boeken. Maar Nathan kan zich niet meer aan een ander overgeven. Hij redeneert iedere gebeurtenis naar zichzelf toe. Dat krijg je als mensen zo lang alleen zijn.'

En die echte wereld out there, waar de geschiedenis wordt aangemaakt, blijft ook niet buiten Mörings blikveld. 'Al meng ik me liever niet in 'het intellectuele debat'. Uitspraken in publieke discussies zijn meestal zo eenduidig dat ze niet waar kúnnen zijn. De waarheid, als die al bestaat, zit voor mij in onduidelijkheden, of paradoxen. Je kon mij ook niet, als Susan Sonntag, in Bosnië aantreffen, lijdend met de lijdenden. Toch ben ik een redelijk sociaal bewogen mens. Mijns ondanks misschien. Ik schrijf niet over de wereld, maar over hoe wij mensen in de wereld staan. Daarmee ben ik eigenlijk al in tegenspraak met het soort schrijver dat hierboven achter zijn werktafel geplakt zit.'

Aleid Truijens

Marcel Möring: In Babylon.

Meulenhoff; 471 pagina's; ¿ 55,-.

ISBN 90 290 5374 7.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden