Gloriëren tussen de gangsters

Wat was voor een zwarte jazzster de juiste reactie op racisme en discriminatie? Louis Armstrong en Duke Ellington volgden tegenovergestelde strategieën, valt in hun nieuwe biografieën te lezen....

Ze werden rond de vorige eeuwwisseling geboren en ze zijn al bijna veertig jaar dood. Toch spreken Louis Armstrong (1901-1971) en Duke Ellington (1899-1974) onverminderd tot de verbeelding als de twee enige echte reuzen van de jazz. Dankzij hen voltrok zich het grote muzikale wonder van de twintigste eeuw: hoe de folkloristische verstrooiingsmuziek van een verdrukte minderheid uit een vergeten uithoek van de Verenigde Staten eerst de danslokalen en vervolgens de concertzalen overal ter wereld veroverde.

Trompettist Louis Armstrong toverde halverwege de jaren twintig het collectieve muzikale idioom uit New Orleans eigenhandig om tot een solistisch genre, ritmisch voortgedreven door de swing die hij tegelijkertijd uitvond. Vier decennia later, in mei 1964, mocht hij – inmiddels vooral als zanger een wereldberoemd pop-icoon – beleven dat hij met Hello, Dolly! nummer één op de Amerikaanse hitparade werd, vlak voor Do You Want To Know A Secret en Can’t Buy Me Love van de Beatles. En zelfs zestien jaar na zijn dood, in 1987, scoorde hij nog een serieuze hit met What A Wonderful World, nadat het nummer was uitgekozen voor de soundtrack van de film Good Morning, Vietnam.

Duke Ellington speelde een even essentiële rol in de emancipatie van de jazz, als de componist en orkestleider die zwarte dansmuziek voor revues en partijen omsmeedde tot vertolkingen die net zo’n aandachtig oor verdienden als symfonieën en pianoconcerten. Maar naast zijn ambitieuze suites voor de kenners en zijn Sacred Concerts voor de gelovigen en ietsisten hield Ellington ook zijn populaire songs altijd zorgvuldig op het repertoire. Zijn trouwste fans werden soms moe van die onvermijdelijke Ellington-medleys, maar het gelijk van de oude vos is sindsdien wel bewezen. Sophisticated Lady, Satin Doll, In My Solitude en Don’t Get Around Much Anymore worden nog steeds dagelijks op alle continenten gezongen en gespeeld.

De combinatie van artistiek zelfbewustzijn en oog voor entertainment, het streven naar evenwicht tussen kunst en kassa, is misschien wel de belangrijkste factor in het blijvende succes van Armstrong en Ellington geweest – en een les die de verstandigsten onder hun opvolgers (Dizzy Gillespie, Miles Davis) in hun oren hebben geknoopt.

De beide jazzpioniers leven niet alleen voort in hun plaatopnamen en composities. Het aantal boeken dat wereldwijd over hen is geschreven, loopt in de vele tientallen zo niet honderden. En de Ellington- en Armstrong-bibliotheken worden nog jaarlijks uitgebreid, tegenwoordig vooral ook met academische studies.

De eerste biografen – voor Ellington was dat Barry Ulanov (1946), voor Armstrong de Belg Robert Goffin (1947) – legden zich begrijpelijkerwijs toe op lofredes en pleidooien voor de artistieke betekenis van hun helden. Pas in de jaren tachtig, ruimschoots na het overlijden van Armstrong en Ellington, verschenen er boeken met een controversiëler visie. De Amerikaanse journalist James Lincoln Collier kreeg uit gezaghebbende jazzkringen veel woedende reacties op zijn achtereenvolgende biografieën van Louis Armstrong (1983) en Duke Ellington (1987).

Collier had zich gewaagd aan een poging tot psychologische duiding van zijn hoofdpersonen. Bij Armstrong luidde de conclusie dat de muzikant zijn leven lang in de greep van een angstig minderwaardigheidscomplex had verkeerd, waardoor hij krampachtig bleef proberen het blanke publiek met zelfvernederende clownerieën te behagen, in plaats van zijn oorspronkelijke muzikale meesterschap trouw te blijven. Ook Ellington had volgens Collier zijn ware talent – voor meesterwerkjes van drie minuten – verraden door zijn drang naar elitaire erkenning door middel van topzware suites zonder compositorische samenhang. Bovendien had Ellington zich systematisch schuldig gemaakt aan muzikale diefstal, door melodische vondsten van zijn orkestleden unverfroren in zijn composities te verwerken – en de auteursrechten dan geheel op zijn naam te zetten.

Twee nieuwe biografieën van Ellington en Armstrong herhalen, overigens op bedaarde toon, de bezwaren tegen de boeken van James Lincoln Collier. Maar bij nadere beschouwing blijkt het wel mee te vallen met Colliers ongelijk (ondanks een paar pijnlijke feitelijke onjuistheden, te beginnen met Armstrongs geboortedatum, die volgens Collier niet het symbolische 4 juli 1900 maar 4 juli 1898 moest zijn, terwijl later kwam vast te staan dat de juiste datum 4 augustus 1901 is).

Duke Ellington’s America door de Amerikaanse cultuurhistoricus Harvey G. Cohen is een monumentale studie (688 pagina’s), die beoogt het leven van Ellington op grond van nieuwe informatie in zijn sociale en maatschappelijke context te plaatsen.

Excelleren als uitweg
Cohen heeft daartoe onder meer grondig gespit in het immense persoonlijke Ellington-archief dat is opgeslagen in de Smithsonian Institution te Washington, D.C.

Ook Terry Teachout, toneelcriticus van de Wall Street Journal en auteur van eerdere boeken over essayist H.L. Mencken en choreograaf George Balanchine, claimt dat zijn Pops – A Life of Louis Armstrong onbekende feiten uit niet eerder benutte bronnen biedt. Het gaat dan vooral om de 650 privébanden die Armstrong thuis en tijdens tournees in zijn kleedkamer opnam, met muziek, gesprekken en monologen. De banden berusten nu in de Louis Armstrong Archives op Queens College in New York.

Zeg me hoe je opgroeide en ik vertel je wie je bent geworden, lijkt het uitgangspunt van zowel Cohen als Teachout te zijn. Daarbij kan het verschil tussen hun hoofdpersonen haast niet groter zijn.

Edward Kennedy Ellington werd geboren in een hechte familie uit de zwarte middenklasse van Washington, D.C., een milieu dat een solide standsbewustzijn kende. Ellington schreef later dat zijn ouders bijvoorbeeld niets voelden voor het integreren van blanke en zwarte scholen, ‘omdat het soort blanke kinderen waarmee wij dan in de klas zouden komen, niet goed genoeg was’.

Hij werd mateloos verwend en tegelijkertijd diep doordrongen van de noodzaak om te excelleren. Want het juiste antwoord op racistische onderdrukking en discriminatie door de blanke machthebbers was niet woede, protest en verzet, maar kalme waardigheid, elegant ontwijken en het ontwikkelen van je eigen kwaliteiten en vaardigheden. Inderdaad: als twee druppels water de publieke persoonlijkheid van de volwassen Duke Ellington.

Louis Armstrong moest het als kind in New Orleans stellen zonder vader, en met een moeder die als parttime prostituee niet steeds voor hem kon zorgen, maar hem wel meteen de dubbele noodzaak des levens inprentte: werken voor je brood en ‘Good Common Sense (and respect for human beings)’. Diepe indruk op de jonge Louis Armstrong maakte ook de hechte Joodse familie Karnofsky, die hem als zevenjarige tijdelijk onder haar hoede nam: ‘. . .they stuck together. And by doing that, they had to have success.’ Maar zijn belangrijkste levensles kwam van Black Benny Williams, een drummer en vechtersbaas uit New Orleans die hem voorhield: ‘. . .always have a White Man (who like you) and can + will put his hand on your shoulder and say – ‘This is ‘My’ Nigger’ and, Can’t Nobody Harm Ya.’

Het begin van hun beider loopbanen verliep in overeenstemming met hun contrasterende afkomst. Duke Ellington maakte vanaf 1927 opgang in New York, als de orkestleider van de beroemde Cotton Club. Een jaar eerder had hij een contract getekend dat hem verbond aan de blanke manager en muziekuitgever Irving Mills. Dat zou Ellington in de loop der jaren miljoenen dollars aan auteursrechten kosten, want Mills zette schaamteloos zijn naam als mede-componist op tal van latere hits. Maar de orkestleider heeft daar nooit over geklaagd, waarschijnlijk omdat hij tegelijkertijd alle reden had om zijn manager dankbaar te zijn voor diens even revolutionaire als effectieve marketing-plan.

Irving Mills zette Duke Ellington vanaf het eerste begin neer als een gedistingeerde componist, wiens muziek alle rassen en klassen aansprak – geen gering waagstuk in het streng gesegregeerde Amerika van eind jaren twintig. ‘Harlem’s Aristocrat Of Jazz’, heette Ellington in 1931. Drie jaar later was hij, blijkens een advertentie die Mills in het blad Melody News zette, al uitgegroeid tot ‘five star genius’, te weten: ‘componist, orkestrator, dirigent, pianist, showman’.

Louis Armstrong bouwde in diezelfde jaren een grote reputatie onder collega-muzikanten op, vooral dankzij de platen die hij vanaf 1925 met zijn studio-formaties Hot Five en Hot Seven maakte. Vanaf 1929 ging hij met begeleiding van een big band optreden, maar de beperktheid van zijn faam mag blijken uit het feit dat zijn naam pas in 1935 voor het eerst in The New York Times werd genoemd.

Op dat moment was Armstrong terug van zijn tweede verblijf in Europa, in feite een vlucht voor de gangsters die hem in Chicago met de dood hadden bedreigd. In zijn wanhoop besloot hij het advies van Black Benny Williams te volgen en zich te verzekeren van een blanke beschermer die hem zou beschouwen als ‘My’ Nigger. Dat werd Joe Glaser, die zelf graag koketteerde met zijn veronderstelde maffiaconnecties, en die van 1935 tot zijn overlijden in 1969 Armstrongs almachtige manager bleef. Glaser bepaalde in feite de levenslange standing van zijn artiest: meer ouderwetse show-business dan muzikale ambitie. Ook biograaf Terry Teachout kan moeilijk heen om Armstrongs grenzenloze onderworpenheid aan zijn manager, die ook nog eens een buitensporig deel van zijn inkomsten opstreek.

De ironie wil dat na hun beider dood werd ontdekt dat Joe Glaser al in 1962 de controlerende eigendom van zijn firma Associated Booking Corporation had moeten afstaan aan de advocaat Sidney Korshak, een rechtstreekse representant van de maffia. Om te ontsnappen aan de gangsters was Armstrong dus voor de gangsters gaan werken. En al uitte Armstrong zijn leven lang geen klagend woord over Glasers management, in een van zijn laatste interviews, in juli 1970 met The New York Times, liet hij toch een glimp van zijn innerlijk zien. Wat vond hij van zijn vroege platen, toen hij nog wereldschokkende jazz speelde? ‘Great! Ain’t nobody played nothing like it since, and can’t nobody play nothing like it now. My oldest record, can’t nobody touch it.’

Duke Ellington walste daarentegen schijnbaar moeiteloos langs alle maatschappelijke en sociale hinderpalen. In 1971 mocht hij bijvoorbeeld zijn veertiende Amerikaanse eredoctoraat in ontvangst nemen. Toch heeft Harvey Cohen in Ellingtons privéarchief een document ontdekt, dat een onthullend licht op zijn ware gevoelens werpt. In het niet eerder gepubliceerde ‘script’ van de suite Black, Brown and Beige uit 1943 lezen we:

And so, your song has stirred the souls

Of men in strange and distant places

The picture drawn by many hands

For many eyes of many races

But did it ever speak to them

Of what you really are? [...]

It can’t be true

That all you do...

Is dance and sing

And moan!

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden