Glimpen van geluk

Twee keer heeft Willem Frederik Hermans iets beschreven wat op puur geluk lijkt. Hermans, ja. De schrijver die ons bijna vijftig jaar lang inwreef dat we elke illusie beter konden laten varen, die zijn personages, in elke roman maar weer, liet stuklopen op een muur van massieve domheid en blinde willekeur, liet zich even gaan in een visioen van hoe het had moeten zijn. Had kúnnen zijn, als we niet bij onze geboorte door een niet-bestaande, maar niettemin toornige god waren geworpen in een sadistisch universum.

Beide glimpen van Hermans’ Utopia staan in autobiografische verhalen. ‘De toerist’, een verhaal uit 1979, beschrijft de gelukkigste dag uit het schoolleven van Hermans’ alter ego Richard Simmillion. Meneer Vos, de biologieleraar, maakt met 2 gymnasium een wandeling van Abcoude naar Ankeveen. Ze vertrekken ’s ochtends om kwart vóór zes van het imponerende Muiderpoortstation en stappen uit in het paradijs. De zon breekt door, bootjes dobberen, libellen zoemen. ‘Nergens stank, rook, of herrie. (...) Niemand kwam op het idee me te sarren of te slaan.’ Richard fotografeert de prachtigste bloemen en luchten. Als zijn vader ’savonds voorstelt om samen de wandeltocht nog eens te maken, kan de jongen zijn geluk niet op. Want: ‘eigenlijk zou ik veel van mijn vader willen hebben houden’.

In ‘Afscheid van Canada’ is Richard volwassen, en schrijver. Niet dat hij ervan kan leven; om aan de kost te komen heeft hij een suf baantje aangenomen bij een houtfirma in Canada, in een streek waar niets te beleven valt. Richards mening over het lot van een schrijver in Nederland klinkt al vertrouwd: dat land minacht zijn schrijvers en betaalt ze niet behoorlijk, ‘waardoor het talent in het leven van de schrijver eigenlijk geen ander functie heeft dan ziekte in dat van een chronisch zieke’.

Op het dieptepunt van zijn ellende – de houtfirma heeft hem ontslagen – heeft Richard een dagdroom. Hij leeft ‘in een wereld die rekening met mij houdt’. De winkels verkopen uitsluitend dingen waarvoor hij belangstelling heeft: boeken, fototoestellen, wetenschappelijke instrumenten, klokken. Met zijn vrienden, die hij zonder rancune bewondert, voert hij zinrijke gespreken. Zijn intelligente vriendin, ‘bedwelmend geparfumeerd en ongelofelijk pervers in bed’, houdt ‘iedere gedachte die plat, gemeen en banaal’ is, verre van hem. ’s Avonds eten ze ‘kleine hoeveelheden van een klein aantal superieur toebereide spijzen. Zij heeft een nieuwe jurk aan en is mooier dan ooit.’ Haar man is géén misantroop.

Deze ijle, on-Hermansiaanse passages staan in een boek waarin voor de eerste keer – geweldig idee – zes autobiografische verhalen zijn samengebracht: Richard Simmillion – een onvoltooide autobiografie. Er zijn in het werk meer passages aan te wijzen die verwijzen naar Hermans’ leven – in de roman Ik heb altijd gelijk (1951) bijvoorbeeld. Arjan Peters, die bij de bundel het nawoord schreef, merkt terecht op dat de verschillende ik-vertellers niet zomaar samenvallen: Deborah, in deze roman de zus van Lodewijk Stegman, is gemodelleerd naar Hermans’ zus Corry, maar ‘is niet het zusje van Richard Simmillion’.

Gekozen werd daarom voor zes verhalen waarin de ik-verteller Richard Simmillion heet, een naam die de schrijver op zijn twaalfde bedacht. Een van die verhalen is vrijwel onbekend: ‘De toerist’, het verhaal over de gelukzalige wandeling. Hermans publiceerde het in 1979 in Snoecks Almanak en het werd daarna nooit opgenomen in een bundel. De Richard-verhalen vormen nu inderdaad een eenheid. Richard, schrijft Peters, is een personage, ‘de literatuur geworden Wim Hermans’. Juist door die kleine verschuiving kon Hermans naar eigen zeggen ‘de waarheid’ dienen.

Maar waarheid is bij Hermans een twijfelachtig begrip. Buiten de omheinde tuin van de wetenschap bestonden voor hem geen feiten. Iedereen jaagt zijn hoogstpersoonlijke waarheden na. Al die gogen en logen, ‘hetsers en zwetsers’ die hun waarheid er bij anderen in wilden rammen, kregen er van hem in zijn polemische stukken honend van langs.

Een term als ‘realistische’ literatuur vond hij onzinnig. Geen twee mensen zien immers dezelfde werkelijkheid. Literatuur moest de ‘wilde jungledieren’ tonen die huizen op de bodem van de ziel. Alleen als het er echt op aankomt, zoals in een oorlog, laten zij hun ware gezicht zien. In zijn romans schiep Hermans een mythologische werkelijkheid die beantwoordde aan zelfgepostuleerde wetmatigheden. Daar had hij geen psychologie voor nodig. ‘Ik heb geen mensenkennis’, zei hij eens, ‘ik fabriceer mensen.’

Van autobiografieën moest hij al helemaal niets hebben. ‘We rijden niet in auto's om de autofabrikanten te leren kennen’, vond hij. Maar de Richard uit deze verhalen is niet de boekenfabrikant Hermans. Hij is, net als alle andere personages, drager én voorspeller van het inktzwarte wereldbeeld dat Hermans in zijn romans met wetenschappelijke consequentheid zou uitwerken – een jungledier.

De waarheid omtrent ‘de mens’ Willem Frederik Hermans (‘een chemisch proces als elk ander’) komt dit jaar wat dichterbij. Volgende week, op 27 april, is de schrijver tien jaar dood. Reden voor zijn uitgever De Bezige Bij, en het W.F.Hermans Instituut dat zorgdraagt voor de literaire nalatenschap, 2005 uit roepen tot zíjn jaar. Op de sterfdag wordt een website geopend (www.willemfrederikhermans.nl) met daarop de bibliografie en een beschrijving van Hermans’ privé-archief. Van dat materiaal maakt de eerste officiële biograaf, Willem Otterspeer, momenteel gebruik; het zal nog enkele jaren duren voordat zijn biografie verschijnt.

En misschien komt er toch nog, na allerlei Hermansiaans gekrakeel met de gemeente Amsterdam, op de Torensluis over het Singel, vlak bij het borstbeeld van Multatuli, een ‘monument’ voor de schrijver (Hermans, op zijn zwevende planeet, zal er sardonisch om lachen: een standbeeld! In Amsterdam!). In de Amsterdamse Rode Hoed wordt op 6november een Hermans-symposium gehouden. In die week zendt de NPS een tweedelige tv-documentaire van Max Pam over Hermans uit, en verschijnt er een door Pam samengestelde bundel met Hermans' beste polemische stukken.

Maar het belangrijkste is dat het eerste deel van de Volledige Werken uitkomt, in een ‘kritische’ leeseditie. Een titanenklus, verricht door het Constantijn Huygens Instituut. Alle edities van het werk zijn met elkaar vergeleken; elk deel krijgt een nawoord waarin de ontstaans- en publicatiegeschiedenis wordt beschreven. De uitgave is gemodelleerd naar de Franse Pléiade-edities. Op 4november verschijnt band1, met daarin de romans Conserve en De tranen der acacia’s, bezorgd door Jan Gielkens en Peter Kegel. Jaarlijks zullen twee delen verschijnen, in het totaal 24delen.

Hermans zou het prachtig hebben gevonden. Eindelijk de erkenning die hem, de geminachte ‘grootste schrijver van Nederland’, werd onthouden. Postuum, dat kan bijna niet anders. Altijd volgde op iedere triomf grote teleurstelling. Toen hij in 1971 de P.C.Hooftprijs kreeg, bleek het toegekende bedrag geen f18.000 te zijn, zoals in een officiële brief stond, maar f8.000 – tikfoutje. In 1977 ontving hij de hoogste onderscheiding, de Prijs der Nederlandse Letteren, uit handen van koning Boudewijn, maar de pers besteedde er nauwelijks aandacht aan.

Eigenlijk begon het al bij zijn allereerste stukje, in 1940, in Het Handelsblad. Zijn talent was erkend! Maar de titel was zonder zijn toestemming gewijzigd, en van de zestien gulden honorarium moest hij van zijn vader zijn eigen overhemden betalen.

Alles eindigt bij Hermans in sof en verdriet. Hij zou na een verbeten strijd vaak zijn gelijk halen, maar zonder plezier. ‘Ik heb altijd gelijk’ wordt als zijn levensmotto beschouwd, maar veel typerender is wat daar in zijn leven, en in zijn romans, altijd op volgde: je hebt er niets aan. De gehate gelijkhebber, altijd de slimste, viert in zijn eentje thuis zijn triomf, die smaakt ‘naar een glas limonade waarin iemand een schep zout heeft gedaan’.

Het oermodel van deze jongen is de kleine Richard uit ‘De elektriseermachine van Wimhurst’, het eerste verhaal in de nieuwe bundel. Op school wordt hij gepest, zijn mooie schooltuintje wordt vertrapt door de rabauwen. ‘Jij kan ook nooit met andere kinderen spelen’, klaagt zijn moeder. Maar hij zal de stomkoppen eens te laten zien wat hij waard is! Op school staat een elektriseermachine, een echte, maar kapot. Richard weet dat hij hem aan de praat kan krijgen. Als zijn finest hour is aangebroken, de demonstratie voor de klas, verpest de onderwijzer de proef door een gloeilamp op het apparaat aan te sluiten. Ontgoocheld vertelt Richard het aan zijn ouders, toch een beetje trots dat hij het beter wist dan de domme meester. Maar hij krijgt een pak slaag. ‘We zullen nog maar moeten afwachten wat er van jou terechtkomt!’

Het is onmogelijk bij dit verhaal niet te denken aan de jeugdfoto’s in Hermans’ Fotobiografie (1969). Een dikkig, ouwelijk ventje, in kleren die uit de mode waren. Borende blik, neerwaarts gebogen mondhoeken, toen al. Een kind dat van zijn oude ouders altijd te horen kreeg dat hij ‘handenvol geld kostte’ en dat nooit aan hun benepen verwachtingen kon voldoen. Er is ook een foto van het uitje met meester Vos. Richard, nu Wim, staat dicht tegen zijn redder aangedrukt op de groepsfoto.

Was het maar bij die ene, unieke wandeling gebleven. Want natuurlijk was de herhaling van die dag toen alles meezat, een mislukking. De wandeling moest precies hetzelfde zijn, dus: half vijf op. Maar de vader kan zijn bed niet uitkomen. En hij had het beloofd! Veel te laat gaan ze op pad. Het wonder blijft uit: geen betoverende ochtendnevel, het is drukkend heet en de bloemen en vlinders hebben zich verstopt.

De droom van de schrijver in Canada moest óók al worden ingeruild voor een haalbaarder wens. Voor het driejarige dochtertje van een vriend heeft Richard een immense halloween-ballon gekocht. Hij zal hem opblazen en het meisje zal stomverbaasd staan. Je wilt het als lezer niet weten, maar het gebeurt toch: de ballon barst, ‘voordat hij de helft van zijn grootte had bereikt’.

‘Ik heb geschreven om wraak te nemen’, schrijft Hermans. ‘Wat is daar voor bijzonders aan?’

Willem Frederik Hermans: Richard Simmillion – een onvoltooide autobiografie Met een nawoord van Arjan Peters. De Bezige Bij; 230 pagina’s; ¿ 19,90 ISBN 90 234 17 33 X

Willem Frederik Hermans: Fotobiografie De Bezige Bij; 62 pagina’s; ¿ 75,- (herdruk). ISBN 90 6005 444 X

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden