Glazen bol in een woeste wereld

Een zondag aan het zwembad van Kigali vertelt aan de hand van de levens van enkele mensen over de genocide in Rwanda van 1994. Het is moeilijk om over zoiets groots en gruwelijks een zinnige roman te schrijven, maar het is Gil Courtemanche gelukt. Hij komt uit Quebec en is van huis uit journalist en filmmaker. In 1991 ging hij naar Rwanda om er een documentaire over aids te maken. Deze roman, zijn eerste, heeft ook iets van een documentaire (het boek is 'ook een kroniek en een verslag', schrijft Courtemanche in zijn voorwoord). Het documentaire-achtige zit hem vooral in de willekeur waarmee de hoofdpersoon, de eveneens Canadese journalist Bernard Valcourt, in contact komt met verschillende mensen. Het zijn voorbijgangers in zijn leven: enkele bloedrode scherven uit het mozaïek dat de oorlog zou kunnen uitbeelden en dat zo groot zou moeten zijn als het land zelf.

We lezen hoe Valcourt mensen ontmoet, wat hij van hen heeft geleerd en hoe ze vroegtijdig aan hun einde komen. De beeldende beschrijvingen van deze en andere gewelddaden doen ook aan een documentaire denken, de gebeurtenissen spreken voor zich, gebeurtenissen die de lezer bij de keel grijpen. Valcourt werkt, net als Courtemanche, in Kigali aan een film over aids. Het grootste deel van de tijd echter brengt hij door aan een tafeltje aan het zwembad van zijn hotel. Met een lauw biertje voor zich, pen en notitieblok in de hand, doet hij of hij het heel druk heeft met het schrijven van een boek. Ondertussen ergert hij zich aan de andere gasten: voornamelijk westerse ontwikkelingswerkers - 'lawaai is hun adem, stilte hun dood, de Rwandese kut hun onderzoeksterrein'. Zelf gelooft hij niet in een boek, noch dat die film ooit afkomt, noch in de tv-zender die hij mocht gaan opzetten met geld uit het moederland.

Hij schrijft om de tijd te doden en om ongestoord naar Gentille te kunnen kijken, een meisje 'met een naam zo mooi als haar borsten', dat in het hotel werkt. Ze is Hutu, maar dat zie je alleen nog maar in het kartonnetje dat als identiteitsbewijs dient. Haar uiterlijk is dat van een mooie Tutsi-vrouw, slank en café-au-lait-bruin, en ze is terecht bang dat dat haar in gevaar gaat brengen. Valcourt kan niet veel doen, maar belooft haar te helpen, te beschermen. Met deze belofte bindt hij zich niet alleen aan Gentille, maar ook aan haar land. Hij zet zich in voor rechtvaardigheid, door bijvoorbeeld de moord op een hoer bij de politie aan te geven. Hij probeert 'rechtop te lopen' en dat is in Kigali, waar gerechtigheid ver te zoeken is, niet makkelijk.

Nog moeilijker is het voor hem zich over te geven aan het geluk dat hem met Gentille te wachten staat. Hij is bang zich helemáál in dit nieuwe leven te storten, voelt zich oud, vreest nu al de pijn wanneer het geluk hem zal zijn afgenomen. Behalve een verslag van hoe een land zich opmaakt voor een genocide en een aanklacht tegen de internationale hulporganisaties, is Een zondag aan het zwembad van Kigali ook een roman over de liefde, mét alle angst en onzekerheden die daarbij horen.

Valcourt noemt ons 'gevangenen van onze woorden'. Gentille leert met Valcourt juist de vrijheid van woorden kennen. Valcourt, vindt ze, kiest zijn woorden zo mooi; zijzelf heeft nooit eerder een echt gesprek met iemand gevoerd. Ze is gewend dat mannen haar zien als een kont en een paar borsten en haar ook zo behandelen. Bij Valcourt ontdekt ze dat poëzie over het leven zelf gaat, ze herkent zichzelf in een paar regels van Paul Éluard die hij haar voorleest en maakt van de avant-garde dichter een soort gids voor het leven. Wanneer ze van Valcourt hoort dat hij van haar houdt, niet alleen om mee te vrijen maar ook om mee te leven, komt ze sidderend klaar: 'Een orgasme veroorzaakt door woorden en tederheid.'

Valcourt ervaart hun slaapkamer in het hotel als een veilige, glazen bol in een woest razende wereld. Courtemanches beschrijvingen van hun liefde zijn ook opvallend abstract in dit verder zo lijfelijke boek. Ze versterken het idee van een zuivere, bijna hemelse liefde. 'Bedankt dat je zo zacht was', zegt Gentille na hun eerste keer. Dat is alles - terwijl Courtemanche de verkrachtingen zo concreet beschrijft dat de spieren in je lijf zich spannen, je maag zich samentrekt, je keel dichtgeknepen wordt. Je lichaam verzet zich - en tegelijkertijd moet je wel verder lezen. Het onbezoedelde van deze liefde en de smerigheid waartoe de mens in staat, zijn voorbeelden van de tegenstellingen in het boek, evenals de gevangenschap en de vrijheid die woorden kunnen brengen, de schoonheid van het Rwandese landschap die door slachtpartijen wordt bezoedeld, de levenslust van de Rwandezen die de dood met zich meedragen in de vorm van aids. Een Hutu-meisje met een Tutsi-neus, een journalist die vrij is om te gaan waar hij wil, maar bang is om de hel te verlaten.

Courtemanche heeft niets van die tegenstellingen verzonnen, maar ze aangescherpt, ze verweven in zijn verhaal, in een verslag waarvan de stijl soms ronduit poëtisch is te noemen. Een zondag aan het zwembad van Kigali is een verhaal dat je niet alleen leest, maar ook ondergaat. Als je het uit hebt, voel je je vol en leeg tegelijk: vol van al die indrukken die Courtemanche je heeft laten opdoen, leeg omdat elk woord even te veel is.

Gil Courtemanche: Een zondag aan het zwembad van Kigali.
Vertaald uit het Frans door Manik Sarkar.
De Bezige Bij; 288 pagina's; euro 19,50.
ISBN 90 234 1192 7.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden