Glansrollen als man onder invloed

Nicolas Cage is een acteur die geen maat kan houden. Daarom is hij bij uitstek geschikt voor benevelde, mentaal verwarde personages....

In een van de beste scènes uit Bad Lieutenant: Port of Call New Orleans rookt agent Terence McDonagh, gespeeld door Nicolas Cage, crack in het huis van een gezochte crimineel. Zodra de drug begint te werken, gaan McDonaghs ogen glimmen en schiet zijn stem in de eerste versnelling. Hij vertelt een onnavolgbare anekdote en lacht hinnikend om zijn eigen grappen.

Wanneer McDonagh en zijn criminele vrienden even later bezoek krijgen van een afperser, wordt die al gauw met kogels doorzeefd. De man ligt badend in een plas bloed op de grond, maar voor McDonagh is dat nog niet genoeg. ‘Schiet hem nog een keer neer’, beveelt hij. ‘Zijn ziel is nog aan het dansen.’ En weer is er die manische lach.

Alleen een regisseur als Werner Herzog verzint het om de hallucinaties van een drugs gebruikende agent te verbeelden alsof ze doodnormaal zijn. Op een mal muziekje schotelt hij de kijker een dansende ziel voor, een breakdancer om precies te zijn, die pas met een tweede salvo kogels voorgoed tot zwijgen wordt gebracht. En dan loopt er ook nog een leguaan door het beeld.

Ondertussen is het gezicht van Nicolas Cage een studie waard. Hij glimlacht verrukt, zijn kaken zijn verkrampt en zijn blik is die van een waanzinnige. Cage acteert met volledige overgave, zoals alleen hij dat kan. De rol van de losgeslagen, verslaafde agent McDonagh past hem als een oude jas en is zonder twijfel zijn beste in tijden.

Dat is een hele opluchting voor wie de 46-jarige Cage de laatste tien jaar is blijven volgen. De acteur die in de jaren tachtig en negentig bewondering afdwong met een reeks gedenkwaardige rollen, begon steeds meer op een parodie van zichzelf te lijken. In een niet aflatende serie matige producties als Ghost Rider, Next, Bangkok Dangerous en Knowing was Cage op zijn best acceptabel, maar vaak ook pijnlijk misplaatst.

Hij verdiende er goed mee – Cage behoort tot de best betaalde acteurs van Hollywood – maar verloor aan geloofwaardigheid. Zijn excessieve acteerstijl deed steeds vaker oubollig aan en pakte onbedoeld komisch uit. Weinig acteurs weten zo veel spot en hilariteit op te roepen als Nicolas Cage; op internet circuleren tal van compilaties met ‘hoogtepunten’ uit zijn carrière, voorzien van bijtend commentaar.

Het helpt daarbij niet dat verhalen over zijn privéleven weinig sympathie opwekken. Net als veel Hollywoodsterren trouwde en scheidde Cage veelvuldig, maar opvallender is zijn consumptiedrift. Als grootverdiener schafte de acteur her en der kastelen, een eiland, kunst en zeldzame objecten aan, totdat hij in de rode cijfers kwam. Elke nieuwe filmrol leek in de eerste plaats een poging het financiële gat te dichten, zonder oog voor kwaliteit.

Cage was, kortom, onderweg naar een roemloos eindstation in zijn carrière. En dat terwijl het allemaal zo kleurrijk en voorspoedig begon, ergens aan het begin van de jaren tachtig, toen hij nog Nicolas Coppola heette en zich op zijn rollen voorbereidde alsof zijn leven ervan afhing.

Hij gebruikte alle kruiwagens die zijn oom Francis Ford Coppola hem aanreikte, maar beschouwde zijn achternaam toch als een handicap die hij resoluut van zich afschudde. Al in zijn eerste films ontpopte hij zich tot een perfectionist met vreemde ideeën; berucht was het door hem bedachte, merkwaardige accent in Peggy Sue Got Married, dat zijn tegenspeelster Kathleen Turner tot wanhoop bracht.

Al snel stond hij te boek als eigenaardig. Zonder acteeropleiding was hij vastbesloten het beter te doen dan zijn collega’s. Daar had hij zo zijn methodes voor. Zijn inspiratiebronnen waren zwijgende films en tekenfilmfiguren – hij hield van uitvergroting, niet van minimalisme. Hij vond dat hij zich zo goed mogelijk moest verplaatsen in zijn personages, ook als dat betekende dat hij pijn moest lijden of angsten moest overwinnen.

Cage liet een paar kiezen trekken en liep wekenlang in verband rond ter voorbereiding op zijn rol als een Vietnamveteraan in Birdy, en at een echte kakkerlak tijdens de opnamen van Vampire’s Kiss. Het waren de bekendste wapenfeiten uit het begin van zijn carrière, en ze zouden hem nog lang achtervolgen.

De beste regisseurs wisten wel raad met de slungelige acteur, die er met zijn slaperige oogopslag en neerhangende mondhoeken ouder uitzag dan hij was. Joel en Ethan Coen buitten zijn komische talent uit in Raising Arizona, David Lynch gebruikte zijn wilde kant voor de losgeslagen romantische held in Wild at Heart en Mike Figgis liet hem naar hartelust improviseren in Leaving Las Vegas. Die film, over een alcoholist die vastbesloten is zich dood te drinken, leverde Cage zijn eerste en voorlopig enige Oscar op.

Vanaf 1996 gooide Cage het roer om en liet hij de excentrieke rollen in onafhankelijke films achter zich. Een tijd lang wist hij te overtuigen als rechtgeaarde actieheld. Hij was te zien in het ene na het andere actiespektakel, van Con Air via het geslaagde Face/Off tot Gone in Sixty Seconds en National Treasure. Het leverde hem een hoger salaris op en een minder gecompliceerd imago, maar zijn spel werd steeds vaker bekritiseerd.

Zo nu en dan was er nog een mooie rol, zoals die van de uitgeputte, gefrustreerde ambulancebroeder in Martin Scorsese’s Bringing Out the Dead. Ook met zijn geestige dubbelrol in Adaptation, waarvoor hij alle ijdelheid overboord moest gooien, scoorde Cage punten. Toch lag hij meer en meer onder vuur. Zijn aanstellerige accenten en maniertjes, de rare haarstukjes en pruiken – er was altijd wel iets om belachelijk te maken.

Een dieptepunt bereikte Cage met de mislukte remake The Wicker Man, waarin hij als politieman op een mysterieus, door vrouwen bestuurd eiland terechtkomt. Delen van de film behoren tot de meest bekeken Cage-fragmenten op YouTube, en niet omdat ze zo goed zijn. De acteur overschreeuwt zichzelf zo luidruchtig dat het afwisselend gênant en hilarisch is om naar te kijken.

Dat het uitgerekend Werner Herzog zou zijn die Cage na lange tijd weer tot grote hoogte zou brengen, lag niet voor de hand. Op papier leek hun verbintenis ongelukkig. Cage is de man van emoties, van grote gebaren en zweverige verhalen. Herzog, die een uniek gevoel voor het absurde combineert met pragmatische, soms sarcastische nuchterheid, lijkt afkomstig van een andere planeet.

Maar filmmaker en acteur delen een voorkeur voor extremen. Zoals Herzog erom bekendstaat dat hij zijn acteurs tot het uiterste drijft en in zijn films op zoek gaat naar de grens tussen genialiteit en gekte, zo blijft Cage voor altijd de man die ooit een kakkerlak at. En zich verdiepte in alcoholisme door zelf ook flink in te nemen.

Voor Bad Lieutenant: Port of Call New Orleans, losjes gebaseerd op Abel Ferrara’s culthit Bad Lieutenant uit 1992, gebruikte Cage geen druppel drank of snufje cocaïne, bezwoer hij in interviews. Geheel nuchter leefde hij zich in het nachtmerrieachtige bestaan van een ontsporende agent in door af en toe wat talkpoeder te snuiven.

De dagen dat hij vond dat een acteur moest samenvallen met zijn personage, liggen allang achter hem. Maar zijn spel is er niet minder uitbundig om geworden. Al in de eerste scènes van Bad Lieutenant: Port of Call New Orleans gaan alle remmen los. Cage mompelt, schreeuwt, hinkt, trekt zijn schouders op, is wezenloos traag of juist hyperactief. Het ligt er dik bovenop, maar het werkt.

Het kan geen toeval zijn dat zijn rol in Bad Lieutenant: Port of Call New Orleans gelijkenissen vertoont met die in Leaving Las Vegas, een van zijn beste tot nu toe. In beide films speelt Cage mannen die voortdurend onder invloed van alcohol of drugs verkeren. Het geeft hem de gelegenheid alle registers open te trekken, zoals hij graag doet, zonder dat het bevreemding wekt.

In feite is het acteren van Cage, met al zijn uitschieters, bij uitstek geschikt voor het spelen van benevelde, mentaal verwarde personages. Maat houden kan de acteur immers niet – nooit is hij gewoon gedegen en voorspelbaar. Altijd liggen er in zijn spel verrassingen op de loer. Een rare grimas, een dramatisch gebaar, een overdreven gekwelde uitdrukking, of een uitzinnige blik die verwijst naar een andere wereld dan de alledaagse.

Het is die mateloosheid die maakt dat Cage zowel grandioos kan falen als kan schitteren. Het maakt ook dat hij zo goed bij Werner Herzog past, een regisseur die niets moet hebben van realisme, maar – zoals hij steevast beweert – in zijn films op zoek is naar een ‘extatische waarheid.’

Ook voor de trouwste fans van de regisseur bleef dat altijd een wat onduidelijk begrip. Maar wie naar Nicolas Cage kijkt in Bad Lieutenant: Port of Call New Orleans, ziet het plotseling heel helder. De film toont de extatische waarheid van agent McDonagh, inclusief dansende zielen, grapjes die niemand begrijpt en leguanen die niemand anders kan zien. En Cage speelt het briljant.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden