Gewone mensen, geschonden straat: het boek en de dubbeltentoonstelling over de slachtoffers van de Rapenburgstraat

Ruim vijftienhonderd inwoners telde de Rapenburgerstraat, in het hart van de Jodenbuurt in Amsterdam. Maar een handvol van hen wist aan de vernietigingskampen te ontkomen. Wie er woonden - onder wie 347 kinderen - en hoe zij leefden, is nu huis voor huis gereconstrueerd.

De Rapenburgerstraat nummer 52 tot en met 88. Beeld RV

Een schimmenrijk van gesloopte of onttakelde huizen. Dat was de Rapenburgerstraat in Amsterdam toen Guus Luijters (74) er, achter op de fiets bij zijn vader, 'met de voeten in de fietstas', in 1949 doorheen reed. 'Waar is iedereen?' vroeg hij zijn vader. Het precieze antwoord heugt hem niet meer, maar het kwam erop neer dat de vroegere bewoners de oorlog niet hadden overleefd. En daarmee was het thema voor langere tijd afgehandeld. De oorlog was weliswaar nog overal zichtbaar en hield vele mensen uit de slaap, maar er werd nooit over gesproken. Al helemaal niet als het om de Joden ging, de mensen die ook in de Rapenburgerstraat hadden gewoond.

Maar het beeld van die ontzielde straat is Luijters - schrijver, dichter en stadschroniqueur - sindsdien bijgebleven. Ooit woonden er ruim vijftienhonderd mensen, onder wie 347 kinderen. Er was een zuurinleggerij gevestigd, een ijssalon, een hoedenfabriek, een diamantslijperij, een weeshuis voor Joodse meisjes, een school en een winkel voor koosjere wijn. De kostwinners waren werkzaam als koopman in lompen en metalen, bakker, kolenboer, vishandelaar, meubelmaker, jutebewerker, zakreparateur of venter in garen en band.

Joseph Piller, huisnummer 95, bloemen. Amsterdam 6 juli 1885 - Auschwitz 15 okt 1942 Beeld RV

Luijters is zich altijd blijven afvragen wie zij waren en hoe hun wereld eruitzag. Een van die mensen was Sientje Abram, 'een gewoon meisje uit een gewoon gezin in een uitzonderlijke straat'. Van haar is slechts bekend dat zij op 4 september 1942 met haar moeder, haar vader - doodgraver bij de Nederlands-Israëlitische Hoofdsynagoge - en haar drie broers op Rapenburgstraat 104 I werd opgepakt en drie dagen later naar Auschwitz werd overgebracht, waar zij op 11-jarige leeftijd werd vermoord. Zie hier de bondige biografie van een willekeurige bewoner van de Rapenburgerstraat, door een paar documenten gescheiden van de eeuwige anonimiteit. In 2007, toen Luijters de tentoonstelling In Memoriam over vermoorde Joodse kinderen samenstelde, stuitte hij op haar naam. 'En sindsdien is ze mijn onzichtbare vriendinnetje, zoals kinderen dat kunnen hebben. En elk jaar op 23 februari denk ik: Sientje is jarig.'

Sientje en de andere bewoners van de Joodse Rapenburgerstraat zijn tot 17 juni herenigd in het Stadsarchief Amsterdam. Samen met archivaris Ton van der Jagt heeft Luijters uitgezocht wie bij het begin van de Duitse bezetting aan de Rapenburgerstraat hebben gewoond, en hoe het hun de daaropvolgende jaren is vergaan. Slecht - zonder uitzondering. Maar het onontkoombare drama van de Shoah kon in het ene geval beter worden gedocumenteerd dan in het andere. Vaak verwijst slechts een marktvergunning, een ambtelijke aantekening of een advertentie naar een naam achter een van de 197 huisnummers. Zo gaf Abraham Kanes, Rapenburgerstraat 183 II, op 3 mei 1940 uiting aan zijn 'grote blijdschap' over de geboorte van zijn kleinzoon Simon - die kort na zijn 3de verjaardag in Sobibor zou worden vermoord. Eveneens op 3 mei 1940 wensten Jannie, Beppie en Gerrit Brilleman hun 'lieve ouders', woonachtig op het adres Rapenburgerstraat 157 I, per annonce geluk met hun twaalfenhalfjarige 'echtvereniging'. Drie jaar later waren allen omgebracht.

Moses Hangjas

Moses Hanjas, huisnummer 26, ongeregeld goed. Amsterdam 13 juni 1901 - Sobibor 13 mrt 1943 Beeld RV

Soms zijn Luijters en Van der Jagt erin geslaagd een mensenleven meer in detail te reconstrueren. Zoals dat van Moses Hangjas, vanaf 23 december 1940 de hoofdbewoner van Rapenburgerstraat 26 II. Hangjas, geboren op 13 juni 1901, is vader van tien kinderen van wie het laatste - Marianna - op 17 september 1941 wordt geboren. Als straathandelaar voorziet hij in een nimmer toereikend inkomen. Op een losse standplaats aan de Albert Cuypstraat verkoopt hij 'ongeregeld goed': gloeilampen, boorden, manchetknopen, soms vruchten.

Hij wendt zich geregeld tot het Gemeentelijk Bureau voor Maatschappelijke Steun met een verzoek om financiële bijstand. Hij wordt ervan beticht ten onrechte steun te hebben geïnd. De 'bedrogschuld' bedraagt 19,65 gulden. Daarvan kon na vele maanden slechts vier gulden worden geïnd omdat 'de fruithandel de laatste tijd zeer slecht is'. Hangjas probeert het met bloemen en planten. En met de (illegale) handel in suikerbonnen. In verband daarmee wordt hij in september 1941 gearresteerd. 'Sindsdien is de vrouw met dit grote gezin aangewezen op de inkomsten van de 19-jarige zoon die als karrentrekker dienst doet op de Centrale Markthallen', schrijft een ambtenaar - die voorstelt wekelijks 10 gulden steun aan het gezin te verstrekken.

Eind oktober 1941 is Moses weer vrij. Maar april 1942 wordt hij opnieuw gearresteerd en naar Scheveningen overgebracht. De oudste zoon verblijft dan in een werkkamp te Gijsselte - van waaruit hij ontsnapt. Hij wordt opgepakt en overgebracht naar een strafkamp in Frankrijk. Zijn 16-jarige broer voorziet als 'fietsjongen' in het gezinsinkomen. De vrouw van Hangjas wordt ervan verdacht in haar woning een 'speelhuis' uit te baten. De laatste aantekening van het Bureau voor Maatschappelijke Steun over het gezin stamt uit september 1942: 'Gezin is 17/09/42 naar Duitsland vertrokken' - op de eerste verjaardag van het jongste kind.

De lotgevallen van Moses Hangjas en zijn gezin zijn zo wrang, omdat de lezer zich bewust is van de vergeefsheid van zijn strijd om het bestaan, en omdat hij in de ambtelijke rapportages als scharrelaar, als schlemiel figureert. 'En dat is pijnlijk, want Hangjas was bovenal slachtoffer van de nazi's', zegt Luijters. 'Maar je vergeet weleens dat slachtoffers ook mislukkelingen kunnen zijn.'

Het huis waar het gezin Hangjas woonde, is gesloopt - net als alle andere huizen aan de even straatzijde. Alleen een plexiglazen plaquette op de gevel van het voormalige weeshuis voor Joodse meisjes - ontruimd in februari 1943 - herinnert nog aan het noodlot waaraan niemand ontkwam. Luijters: 'In de Rapenburgerstraat zie je de omvang van het drama weerspiegeld.'

Sommige Joodse gezinnen werden na de oorlog herenigd, maar gelukkig samenleven lukte vaak niet meer.

Dubbeltentoonstelling

De tentoonstelling over de vroegere bewoners van de Rapenburgerstraat is onderdeel van een dubbeltentoonstelling. Het andere deel, Samen weer aan tafel, heeft betrekking op de vijfhonderd à duizend Joodse gezinnen waarvan de leden na de oorlog werden herenigd. Lex Kater (78), die zelf tot deze groep overlevenden behoort, heeft zeventien lotgenoten geïnterviewd over hun ervaringen voor, tijdens en na de Duitse bezetting.

Uit hun getuigenissen blijkt dat herenigde gezinnen maar zelden gelukkige gezinnen waren. Ze ondervonden ambtelijke kilte. Ze droegen de mentale sporen van vervolging. En op het dressoir stonden de foto's van familieleden die de oorlog níét hadden overleefd.

Kater was het oudste kind van een gezin waarvan verder nog twee zusjes deel uitmaakten. Hun geboortejaren - 1941 en 1943 - getuigden van het toekomstvertrouwen dat de ouders tot diep in de oorlog behielden. 'Mijn vader werkte bij Philips', zegt Kater. 'Daar genoten Joden protectie.' Binnen bepaalde grenzen, want het gezin dook in 1943 alsnog onder, elk lid op een ander adres.

Lex werd ondergebracht in het Noord-Brabantse Stiphout, bij een gezin met een rooms-katholieke moeder en een Joodse vader, die na korte tijd zelf moest onderduiken. Een jaar of zeven geleden ontmoette hij de zoon van de familie. 'Die vertelde dat hij jaloers op mij was, omdat ik de lieveling was van zijn moeder. Hij had een keer water op mijn matras gegoten om zijn moeder in de waan te brengen dat ik in bed had geplast. Ik was het hele voorval allang vergeten, maar hij schaamde zich er nog steeds voor.'

Aan de hereniging met zijn ouders en zijn zusjes bewaart hij geen goede herinneringen. 'De eerste tijd na de bevrijding was afschuwelijk. Binnen drie maanden waren mijn ouders gescheiden. Ik gaf daarvan de Duitsers de schuld.'

Jodenbuurt

De Amsterdamse Jodenbuurt is sinds 1945 ontzield, alleen het stratenplan rond de Rapenburgerstraat is in grote lijnen ongewijzigd gebleven. De kaart links is een detail uit de stadplattegrond van 1940-1941. De Rapenburgerstraat loopt grofweg van linksonder naar rechtsboven, ingeklemd tussen de Markengracht (inmiddels gedempt) en de Nieuwe Herengracht. De Muiderstraat en de Jodenbreestraat vormen de zuidelijke begrenzing, het Rapenburgerplein de noordelijke.

1945-2015

Van de oude Rapenburgstraat is tegenwoordig weinig over. Speciaal voor de Volkskrant maakte Marco Stoker een nauwgezette reconstructie van de straat, waarbij hij werd geholpen door Erik Schmitz van het Amsterdamse Stadsarchief. De bovenste strook van de tekening toont huis voor huis de (door nieuwbouw vervangen) even zijde, de onderste helft de oneven zijde. Op de foto geheel links: oorlogsschade in de Rapenburgerstraat, 1945. Daarnaast de straat in 2015.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.