Gewetenloze wereld

Russische maffia, de inval in Irak – ook na de val van de Muur heeft het thriller-grootmeester John Le Carré niet aan stof ontbroken....

‘Verkiezingen brengen geen democratie, ze brengen chaos. De winnaars halen de poet binnen en zeggen tegen de verliezers dat ze de kolere kunnen krijgen. De verliezers zeggen dat het doorgestoken kaart was en gaan de straat op. En omdat toch al iedereen voor zijn eigen etnische groep heeft gekozen, zijn we weer terug bij af maar dan erger. Tenzij.’

Aan het woord is de Chef, een schimmige figuur van de Britse geheime dienst. Hij richt zich tot Bruno Salvador, kortweg Salvo, een tolk met een grote kennis van uiteenlopende Afrikaanse talen, voor wie de Chef een klusje heeft. De verkiezingen waarover hij het heeft, zullen gaan plaatsvinden in de Democratische Republiek Congo, het voormalige Zaïre. Tenzij.

We zitten op ongeveer een derde van The Mission Song (De luistervink), de nieuwe roman van John Le Carré, middenin een intrige waarvan noch verteller/ik-figuur Salvo noch de lezer op dat moment ook maar bij benadering de omvang kan overzien. Maar de omstandigheden zijn vertrouwd: het cynisme, het amorele gekonkel, de bruuske plannen over de hoofden van hele volken heen*

Congo beleeft zijn eerste vrije verkiezingen in ruim veertig jaar, die volgens de Chef en nog wat lieden maar liever moeten worden voorkomen. Het boek is daarmee nauw op de actualiteit geschreven: de eerste ronde van deze verkiezingen heeft in werkelijkheid onlangs op 30 juli plaatsgevonden. Op 29 oktober volgt de tweede ronde.

The Mission Song is Le Carré’s twintigste roman, en zijn zesde spelend ná de val van de Muur. Het onderstreept nog eens hoezeer de twijfel of er na de ineenstorting van het communisme nog wel plaats was voor de spionageroman in elk geval waar het Le Carré betreft ongegrond was.

Op zichzelf was die twijfel uiteraard zo vreemd niet. Van Ian Flemings James Bond tot Le Carré’s eigen George Smiley plachten geheim agenten immers uitstekend te gedijen in de sfeer van hartstochtelijk wantrouwen, zoals die 45 jaar lang heerste tussen de twee grootmachten aan weerszijden van het IJzeren Gordijn. Tot begin jaren ’90, toen hij zijn laatste Smiley-roman publiceerde (The Secret Pilgrim, 1991), kon je er bij Le Carré vrijwel zeker van zijn dat de Koude Oorlog het decor zou vormen.

Nadat hij Smiley in dat boek het einde van die historische periode had laten afkondigen, stokte Le Carré’s ijzeren productie van één boek per twee, drie jaar echter niet. Hij verlegde zijn blikveld, vernieuwde zich, en schreef over zaken als drugsmokkel (The Night Manager, 1993), de vrijheidsstrijd in Ingoesjetië (Our Game, 1995), de toekomst van het Panamakanaal (The Tailor of Panama, 1996), de Russische maffia (Single & Single, 1999), de amorele praktijken van de farmaceutische industrie in Kenia (The Constant Gardener, 2000) en de Amerikaans/Britse inval in Irak (Absolute Friends, 2003).

In The Mission Song presenteert Le Carré voor het eerst een gekleurde hoofdpersoon, al lijkt Salvo naar eigen zeggen meer ‘op een zongebruinde Ier dan op een toffeekleurige Afro’. Bruno Salvador is geboren uit de kortstondige liaison tussen een Ierse missionaris en de dochter van een Congolees dorpshoofd. Zijn jeugd heeft hem kennis van een groot aantal Afrikaanse talen bezorgd, die hij thans in Londen te gelde maakt door als freelance toptolk te functioneren voor ziekenhuizen, immigratiediensten, gevangenissen en van tijd tot tijd de Britse geheime dienst.

Met dat laatste zijn we aanbeland op voor Le Carré vertrouwd terrein, en het zijn uiteraard Salvo’s activiteiten voor de geheime dienst die de plot voor dit boek vormen. Maar hoe spannend en ingenieus het verhaal ook ditmaal weer in elkaar zit, het werkelijke thema is niet spionage. En hoe uitstekend Le Carré’s research ook is geweest, en hoe evident zijn empathie voor de Congolese bevolking ook mag zijn, het ware thema van de roman zit hem evenmin in zijn betrokkenheid bij het lot van dat land.

Verrassend is dat natuurlijk niet. Wanneer je terugblikt op zijn oeuvre, kun je constateren dat zowel het spionagevak als de diverse locaties en de casussen in kwestie bij Le Carré vooral nuttige maar ondergeschikte motieven zijn geweest om zijn thematiek, te weten het cynisme van machthebbers en de corrumperende effecten van macht, te illustreren. Natuurlijk gaat het te ver om te beweren dat Le Carré ‘eigenlijk’ helemaal geen spionageschrijver is, maar hij is al ruim veertig jaar aanzienlijk meer dan dat.

Al in het boek waarmee hij in 1963 internationaal doorbrak, The Spy Who Came in from the Cold, rekende hij af met het beeld van de spion als superster, zoals Ian Fleming dat had geschapen. Le Carré’s hoofdpersoon, Alec Leamas, is een gefrustreerde vijftiger, die een affaire heeft met een bibliothecaresse, en in plaats van dat hij door M eerlijk wordt gebrieft en door Q van de nieuwste gadgets voorzien, wordt hij door zijn superieuren gebruikt en ten slotte de dood ingejaagd. Want het uiteindelijke doel van die superieuren is van een hogere orde dan het leven van Leamas.

Le Carré schetste daarmee een aanzienlijk cynischer beeld van de westerse spionagediensten dan tot dan toe gebruikelijk. Dat hij zelf een aantal jaren actief was voor zowel MI5 (de Britse binnenlandse veiligheidsdienst) als MI6 (buitenlandse veiligheidsdienst), in Berlijn werkte toen de bouw van de Muur begon en uiteindelijk werd verraden door niemand minder dan meesterspion Kim Philby, droeg uiteraard sterk bij aan zijn geloofwaardigheid.

Daar deden zijn jarenlange ontkenningen en zijn uiteindelijke uitspraak (in 2000) dat hij als spion voornamelijk achter zijn bureau had gezeten weinig aan af. ‘Als John le Carré’s boek niet authentiek is, kan alleen een andere beëdigde spion dat bevestigen, en dan nog heeft het de kracht dat het ijzingwekkend waarachtig klinkt’, aldus Time Magazine in januari 1964.

Het vernieuwende en fascinerende, je mag ook zeggen literaire, aan de spionageromans die Le Carré in een Koude Oorlog-setting situeerde, was het feit dat hij afzag van het Flemingiaanse onderscheid tussen het goede Westen en het kwade Sovjetblok. Boeken als Tinker, Tailor, Soldier, Spy (1974), The Honourable Schoolboy (1977) en Smiley’s People (1980) waren, naast spannende romans in een spionagecontext, evenzeer hartstochtelijke evocaties van Le Carré’s verontwaardiging over het amorele karakter van machthebbers, aan welke zijde van het IJzeren Gordijn ze zich ook bevonden. Het ware gevaar kwam bij hem vaak niet van buiten, maar van binnen.

Telkens opnieuw bleek in zijn boeken de onmacht van het individu tegenover ongrijpbare ideologische en bureaucratische systemen die hem overheersen, en telkens opnieuw rees de confronterende vraag hoeveel immoraliteit is toegestaan bij het verdedigen van het moreel juiste.

Toen in 1989 de Muur werd neergehaald, kwam al snel de vraag op hoe het nu verder moest met de spionageroman. Voor het schrijverschap van Le Carré was deze vraag echter nauwelijks relevant. Zijn boeken gingen immers niet over de Koude Oorlog, maar gebruikten deze slechts.

Hoewel Le Carré’s productie na 1989 gestaag voortging en hij zijn thematiek trouw bleef, leek er met name aan het begin van de 21ste eeuw een andere ontwikkeling in zijn werk waarneembaar. De man die vier decennia lang had geweigerd in zwart-wittermen te schrijven, ontpopte zich in The Constant Gardener en Absolute Friends ineens tot een hartstochtelijk polemist. Waar was de nuance, het ‘grijs’ gebleven?

Vanuit Le Carré’s perspectief was er echter niet zoveel veranderd. Voor hem geldt dat hij zich, waar hij dat opportuun acht, afzet tegen wat machthebbers ons willen doen geloven. Ten tijde van de Koude Oorlog was dat de Evil Empire-retoriek, sinds vijf jaar is dat onder meer het nu zelfs in rechts-conservatieve kringen eroderende sprookje dat Saddam Hoessein achter de aanslagen van 11/9 zat, een overtuiging die de regering Bush zeven van de tien Amerikanen wist aan te praten.

The Mission Song sluit thematisch naadloos aan bij de rest van Le Carré’s oeuvre, maar is minder nadrukkelijk polemisch van aard dan zijn twee voorgangers. Dat heeft om te beginnen te maken met het aangenaam gecompliceerde karakter van de hoofdpersoon, Salvo. Salvo is op jeugdige leeftijd beide ouders kwijtgeraakt, en is iets te liefderijk opgevoed door Broeder Michael, die dubieuze seksuele handelingen afwisselde met serieuze inspanningen waar het Salvo’s onderricht in tal van Afrikaanse talen alsmede het Frans betrof. De jongen zou er zijn latere status van toptolk te Londen aan ontlenen.

Zijn trots op dat laatste, en op zijn aantrekkelijke, atletische voorkomen, maken Salvo tot een enigszins arrogante figuur, maar daar staat een ruimhartige dosis naïviteit tegenover. Bovendien heeft hij gevoel voor humor, dus relativering, en ben je geneigd een Iers-Afrikaanse wees, die er toch maar in slaagt om in het westen een respectabel bestaan op te bouwen, met enige welwillendheid te bejegenen. Temeer daar zijn omgeving ook zo brandschoon niet is. Salvo is getrouwd met een overspelige Engelse journaliste die een bliksemcarrière maakt bij een roddelblad, en daarbij de bottere vormen van opportunisme niet schuwt.

Wanneer Salvo verliefd wordt op Hannah, een Congolese verpleegster die hij assisteert bij de ondervraging van een stervende man, is de lezer daarom snel geneigd hem te vergeven. Als hij luttele uren na het consummeren van deze verliefdheid opgewonden raakt van weer een andere vrouw, groeit er toch weer wat twijfel. Nee, Le Carré doet nog steeds niet aan onberispelijke hoofdpersonen.

Op een dag krijgt Salvo, wiens werkzaamheden voor de geheime dienst tot dan toe vooral hebben bestaan uit het elektronisch afluisteren van gesprekken in een kelder die de Chat Room wordt genoemd, de opdracht als ‘luistervink’ een conferentie bij te wonen op een niet nader genoemd Noord-Europees eiland. Het is de bedoeling dat hij niet alleen de officiële uitspraken vertaalt, maar ook de onderlinge en geheime, in divers locale Afrikaanse talen gemaakte opmerkingen. Ten behoeve daarvan is uitgebreide afluisterapparatuur geïnstalleerd.

Deelnemers aan de conferentie zijn een groep Congolese warlords en een obscuur syndicaat van Westerse financiers. Hun doel: de exploitatie van Oost-Congo’s minerale rijkdom, waaronder koper, goud, diamanten, coltran (een zeldzaam metaal dat een cruciale component vormt van mobiele telefoons) en mogelijk grote hoeveelheden olie. Er ontvouwt zich een plan waarop wederom het Le Carré-sleutelwoord ‘cynisch’ van toepassing is, en waarmee de aanvankelijk bereidwillige Salvo steeds meer moeite heeft.

In zijn meeslepende verhaal over de wijze waarop corporaties de wereld naar hun hand pogen te zetten, berijdt Le Carré opnieuw een aantal van zijn stokpaardjes, maar niet op een manier die afbreuk doet aan de esthetiek van zijn boek. De berichtgeving in de Westerse pers, de wijze waarop de regering Blair de Britse burgerrechten steeds verder aan banden legt, de vraatzucht van bedrijven als Halliburton: Le Carré laat er geen twijfel over bestaan dat op elk ervan de begrippen opportunistisch, hypocriet en gewetenloos van toepassing zijn. Hij integreert deze polemische statements niet alleen in een spionageverhaal, maar ook in een aangrijpend relaas over een zoektocht naar identiteit in een multiculturele samenleving.

Of The Mission Song daarmee schouder aan schouder kan staan met Le Carré’s beste werken is een ander verhaal. Maar voor de maatschappelijk en literaire gedrevenheid die de 75-jarige in dit boek aan de dag legt, kun je slechts respect hebben.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden