Gevoelens van onveiligheid

Veiligheid is de grote obsessie van de huidige samenleving, menen de samenstellers van het jaarboek van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie....

Het allereerste rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid uit 1977 zat er meteen flink naast. Volgens de WRR zou criminaliteit tegen 2000 een randverschijnsel zijn. De maatschappelijke gelijkheid zou zozeer zijn toegenomen, dat diefstal overbodig zou worden. Ook geweld, door de WRR vooral verklaard uit rancune over sociale achterstanden, zou goeddeels zijn uitgebannen.

In 2008 is deze paradijselijke toestand allerminst werkelijkheid geworden. Burgers maken zich zorgen over zinloos geweld, over (Marokkaanse) hangjongeren en over de teloorgang van de publieke moraal. Dat is nog maar een kleine greep uit onze hedendaagse angsten. Het gevaar loert overal, van Osama bin Laden tot het wassende water, van de vergrijzing tot de concurrentie uit China, van de vogelgriep tot de dreigende ‘epidemie’ van obesitas. Talloze reportages op radio en televisie beginnen met de constatering dat een bepaald probleem ‘steeds vaker’ voorkomt. Hoewel een deugdelijke kwantitatieve onderbouwing doorgaans ontbreekt, is de suggestie maar al te duidelijk: de problemen gieren op alle fronten uit de hand.

Veiligheid is de grote obsessie van het begin van de 21ste eeuw, constateren de samenstellers van Staat van veiligheid, het jaarboek van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie. In deze bundel laten historici, filosofen, sociologen en andere wetenschappers hun licht schijnen over het thema veiligheid. Veiligheid wordt vaak op naïeve wijze gedefinieerd als de afwezigheid van gevaar, schrijft de filosofe Stephanie Roels. Maar totale veiligheid is uiteraard een utopie. Een samenleving zonder rampen, ongelukken en misdaad bestaat niet. Ook in het verleden werd de Nederlandse samenleving bedreigd door ondermijnende krachten, waarvan sommige, zoals nazi-Duitsland en Sovjet-Rusland, zeker niet minder angstaanjagend waren dan de hedendaagse moslims.

‘Na 11 september werd de indruk gewekt dat een goed geïnformeerde, gestroomlijnde en daadkrachtigere staat ons tot een toestand van vrijwel totale veiligheid kan brengen’, aldus Roels. Dat is echter een gevaarlijke gedachte, die een spiraal van steeds draconischer veiligheidsmaatregelen in gang kan zetten. De paniek wordt alleen maar groter als bij elk incident blijkt dat ook de nog strengere aanpak geen effect sorteert. ‘Het verlangen naar veiligheid wordt keer op keer bekrachtigd door nieuwe incidenten, nieuwe conflicten, nieuwe angsten, becommentarieerd door politici en opiniemakers en uitvergroot door de media’, schrijft de sociaal-psycholoog Hans Boutellier in zijn bijdrage.

Nu zijn sociale wetenschappers altijd sterk geneigd om de beleving van burgers te ‘ontmaskeren’ als een constructie die niet wordt geschraagd door de werkelijkheid. Boutellier, een subtiel en realistisch denker, wijst echter op de reële toename van de onveiligheid. In 1960 registreerde de politie 130 duizend delicten, veertig jaar later 1,3 miljoen. Weliswaar zijn misdaadstatistieken notoir onbetrouwbaar, maar zo’n stijging kan op geen enkele manier worden weggeredeneerd. En hoewel de angst voor de islam vaak wordt opgeklopt, zijn 11 september en de moord op Theo van Gogh helaas maar al te reële gebeurtenissen.

Toch vertelt die werkelijkheid niet het hele verhaal, geloven Boutellier en de overige auteurs in De staat van veiligheid. Gevoelens van onveiligheid hangen sterk samen met de manier waarop een samenleving naar de toekomst kijkt, schrijft bijvoorbeeld de historicus Ed Jonker. De toekomst is per definitie onzeker en onkenbaar. Daarom willen burgers het gevoel krijgen dat zij die toekomst kunnen controleren, of op zijn minst kunnen beïnvloeden. Mensen voelen zich onveilig als zij het gevoel hebben een speelbal te zijn van krachten waarop zij geen enkele invloed hebben. Een samenleving met zelfvertrouwen accepteert schokkende gebeurtenissen als een fact of life. In een samenleving zonder zelfvertrouwen fungeren zij echter als de zoveelste voorbode van een naderende ondergang.

In de geschiedenis wisselen perioden van optimisme en pessimisme elkaar af, aldus Jonker. In de 19de eeuw domineerde het liberale geloof in de vooruitgang. Dankzij wetenschap en technologie zou de mens steeds beter in staat zijn de wereld te beheersen. Twee wereldoorlogen later moesten de optimisten hun ongelijk bekennen. De wetenschap was vooruitgegaan, maar de mens niet.

Toch ontstond er op de puinhopen van 1945 een nieuw vooruitgangsgeloof: ‘In de verzorgingsstaat kwamen economische groei, sociale rechtvaardigheid, politieke democratie en persoonlijk geluk elkaar oproepen en versterken’, schrijft Jonker. Door communisme en fascisme waren de grote utopieën in diskrediet geraakt. Maar het vrije Westen bouwde stapje voor stapje aan een wereld die niet alleen rechtvaardiger, maar ook veiliger was. De verzorgingsstaat moest de burger beschermen tegen de grillen van de geschiedenis.

De oliecrisis van 1973 maakte een einde aan deze ‘gouden jaren’ van stabiliteit en vooruitgang, volgens Jonker. Weliswaar werden de burgers in het Westen sindsdien veel rijker, maar de zekerheid van weleer is nooit meer teruggekomen. In de sociologie is dit een bekend thema, uitgewerkt door denkers als Ulrich Beck, Zygmunt Bauman en Anthony Giddens. Bauman schreef over de ‘vloeibare moderniteit’ waarin de eens zo stevige instituties van de industriële samenleving – de fabrieken, de vakbonden, de politieke partijen, de kerken, de natiestaat en niet te vergeten het huwelijk – hun functie van plechtanker hebben verloren. Het individu is daardoor vrijer geworden, maar staat er ook in toenemende mate alleen en onbeschut voor.

Tot in de jaren zestig was de criminaliteit in Nederland uitermate laag, schrijft Boutellier. De verzorgingsstaat bracht welvaart, de zuilen disciplineerden hun volgelingen. Maar sindsdien is het culturele landschap drastisch veranderd door ontzuiling, individualisering en migratie. ‘De veiligheidsbehoefte doet zich voor binnen de context van letterlijke en figuurlijke grenzenloosheid’, meent Boutellier. De globalisering heeft de natiestaat ondermijnd, door immigratie hebben autochtone Nederlanders niet langer het gevoel onder elkaar te zijn. Daarnaast is er een ‘vitalistische’ cultuur ontstaan, die een premie zet op assertiviteit, individualisme, emotie en zelfontplooiing. In zo’n cultuur ligt normoverschrijding op de loer. Wie vertelt het assertieve individu immers dat hij zich niet mag ontplooien op de manier die hij zelf wil?

De hedendaagse samenleving is niet alleen onzeker geworden, zij biedt haar burgers ook geen duidelijk perspectief meer, meent de jonge Rotterdamse socioloog Willem Schinkel in zijn originele boek Denken in een tijd van sociale hypochondrie. Ook Schinkel ziet de teloorgang van het vooruitgangsgeloof als oorzaak van de maatschappelijke gevoelens van onveiligheid.

Hij gebruikt de metafoor van de samenleving als lichaam. Omdat een lichaam sterfelijk is, moet de angst voor de dood worden verdrongen. In het verleden gebeurde dat door het einde als een einddoel voor te stellen, zoals de socialistische heilstaat of de naoorlogse droom van een verzorgingsstaat die met technische en wetenschappelijke middelen beheerst kon worden. Nu het einddoel is weggevallen, probeert de samenleving de gedachte aan haar dood te verdringen door een obsessie met haar eigen kwalen. Zolang we onszelf proberen te genezen, hoeven we niet aan de dood te denken, concludeert Schinkel.

Denken in een tijd van sociale hypochondrie is voor een groot deel gewijd aan het integratiedebat, voor Schinkel de beste illustratie van hedendaagse angst. Het is een boek dat afwisselend briljant en irritant is. Schinkel biedt originele inzichten, maar de leesbaarheid wordt niet bevorderd door de enorme informatiedichtheid. In de manier waarop hij redenering op redenering stapelt, doet Schinkel zelfs denken aan de Duitse filosoof Peter Sloterdijk. Niettemin is het verfrissend dat een jonge wetenschapper zo brutaal buiten de gebaande paden durft te denken.

Ook Staat van veiligheid heeft een paar nadelen. Het is typisch een bundel – met goede, maar ook nogal ongelijksoortige essays. Helaas ontbreekt een krachtig slothoofdstuk waarin alle bevindingen van een ferme conclusie worden voorzien. Maar het boek vormt wel een uitstekende bijdrage aan het debat over veiligheid. De auteurs laten overtuigend zien dat gevoelens van onveiligheid niet alleen worden veroorzaakt door reële gevaren, maar ook door veel bredere economische, sociale en culturele ontwikkelingen.

Zonder deze analyse is het bestrijden van het gevoel van onveiligheid onmogelijk. Louter harde repressie bedreigt de burgerlijke vrijheden, terwijl de gedroomde veiligheid een utopie zal blijken. Het verhogen van de subjectieve veiligheid is slechts mogelijk door een herstel van het maatschappelijk zelfvertrouwen. Hiervoor biedt ook Staat van veiligheid geen duidelijke oplossing, maar de analyse wijst wel in een bepaalde richting. De staat doet er goed aan de beschermende werking van de verzorgingsstaat zoveel mogelijk te handhaven. Anderzijds zullen burgers er niet aan ontkomen zich te verzoenen met een samenleving die minder zekerheid te bieden heeft. Ten slotte mag het broodnodige ‘brede’ denken over veiligheid niet verhullen dat er een ook een ‘smalle’ veiligheid is die verbeterd kan worden.

Onlangs werd bekend dat het aantal moorden in New York terug is op het niveau van 1963, mede door beter en harder optreden van de politie. Wat in New York kan, zou toch ook in Nederland mogelijk moeten zijn.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden