Review

Geschilderde boswandeling is inkoppertje voor Van Gogh Museum

Tentoonstelling - Van Gogh, Rosseau, Corot: In het bos

Het Van Gogh Museum buit met In het bos de eigen collectie wederom handig uit. De inrichting is fraai en de selectie sterk. Wie wil, kan Van Goghs evolutie als kunstenaar illustreren enkel aan de hand van bomen.

Kreupelhout, 1889 Foto Van Gogh Museum

Ook de vingeroefeningen kunnen inzichtelijk zijn. Van Goghs Knotberk uit 1885 bijvoorbeeld, een nogal stroef en modderig ogend werkje uit de Brabantse jaren. Iedere landschapschilder die een knip voor de neus waard is, kan vertellen dat je zo'n boom niet letterlijk moet kopiëren; dat grond, stam, takken, et cetera op een losse manier vertaald dienen te worden, en precies daarmee zien we Van Gogh worstelen. Rotlucht, sist hij tussen zijn tanden door, terwijl hij vuilwitte puntjes tussen de takken zet om wolken te suggereren. Zwoegend als vanouds, zo treffen we onze favoriete patiënt aan in deze tentoonstelling met bosgezichten van hemzelf en roemruchte voorgangers.

Het thema is niet uit de lucht gegrepen. Van Gogh hield van het bos. Hij wilde het schilderen op zo'n manier dat de kijker 'er ademen en rondwandelen kan alsof men het bosch ruikt'; wie wil kan zijn evolutie als kunstenaar illustreren enkel aan de hand van bomen. Het gaat dan van de Nuenense knotwilgen naar de cipressen in Arles, naar de olijfbomen bij de inrichting van Saint-Rémy en naar het kreupelhout in de mergelgroeve van Auvers, en al gaande zien we de schilderijen veranderen van houterig grauw naar vloeiend en kleurrijk, op het zinderende af. Bijeengebracht zouden ze een fraaie poster vormen, die Van Gogh-bomen. Museumwinkel, leest u mee?

Zo'n trek naar de wilde natuur was, zoals bekend, indertijd niet uitzonderlijk. Van Gogh trad ermee in de voetsporen van Franse en Hollandse landschapschilders die een generatie eerder de bossen van respectievelijk Fontainebleau en Wolfheze waren ingetrokken. Maar dat verhaal is onderhand al zo vaak verteld, dat ik spontaan mijn cafeïnerush voel inzakken terwijl ik er over begin. De uitvinding van de verftube, de hieruit volgende mogelijkheid om op locatie te werken en de gretigheid waarmee mannen als Corot, Rousseau en Bilders die benutten om het bos op een spontane, niet-geïdealiseerde, op licht, lucht en weer toegespitste wijze te vereeuwigen - ook u kunt het waarschijnlijk dromen. Van Gogh bewonderde deze mannen. Hier hangen ze bijeen.

Voor het Van Gogh Museum is zo'n tentoonstelling een inkoppertje. Alle stukken, op drie na, komen uit de eigen collectie; de conservator van dienst, Nienke Bakker, kon de bijgeleverde Van Gogh-citaten vermoed ik in haar slaap nog opdreunen. Na de vorige zomertentoonstelling, De waanzin nabij, toont het museum zich andermaal handig in collectie-exploitatie, zij het ditmaal zonder dramatisch achtergrondverhaal, überhaupt zonder veel achtergrondinformatie. Wat voor boom is dit nu weer, stond ik me als dendrologische leek herhaaldelijk af te vragen; de tentoonstelling blijft op de vlakte. Gezien Van Goghs grote kennis van al wat groeide en bloeide, voelt dat als een gemis. Het versterkt ook de indruk van het betere opvulwerk.

Knotberk, 1885. Foto Collectie Van Lanschot

Voordat dit allemaal te zuur klinkt: de inrichting, een soort geabstraheerd bos, is fraai en de selectie sterk. Het landschap met bruggetje van Bilders, waarvan de verf na 130 jaar nog steeds niet helemaal droog lijkt; een woudreus door Rousseau, de kruin weerbarstig als koraal; een Diaz donker alsof er een bosbrand heeft gewoed, ze zijn het (her)ontdekken waard. Ook indrukwekkend: de twee versies van Kreupelhout aan het einde van de expositie, en dan vooral de meest uitgewerkte: een impressie van een stuk bosgrond met kreupelhout badend in de vlekkerige zonnegloed. Het is opgebouwd uit een wemeling van kommavormige toetsen in groen, wit, mauve, en ook paars en turquoise; het oogt hallucinant. Denk: de Schilders van Barbizon - stoned.

Van Gogh, Rousseau, Corot: In het bos, Van Gogh Museum, Amsterdam.
T/m 10/9
.

Bomen Parijs, juli 1887. Foto Van Gogh Museum

De boom als model

'Een boom is nooit te laat, hoeft niet naar de wc en klaagt niet dat hij er onflatteus op staat.'

Op mijn computer staat een mapje met geschilderde bomen. Het zijn er best veel en ze na elkaar bekijken werkt inzichtelijk: door de herhaling tekenen de handen van de afzonderlijke makers zich des te scherper af. Van Goyens bomen, bijvoorbeeld, zijn de bomen van een droedelaar. Ze zien eruit alsof Van Goyen ze maakte tijdens een telefoongesprek. Dat hij ophing en op zijn papier keek en dacht: verrek, een boom! De bomen van Cézanne zijn eerder schoolmeesterbomen. Hij geeft je een boom en geeft je de making-of er direct bij.

En Van Gogh? Van Gogh is niet in een typering te vangen. Zoals er niet een soort Rembrandt-vrouw bestaat, is er niet één Van Gogh-boom; het hangt af van de periode en de locatie. Dát Van Gogh zo veel bomen schilderde, is begrijpelijk. Bomen zijn fijne modellen. Grillig, maar niet beweeglijk; groot maar niet naar onbevattelijk. Een boom is nooit te laat, hoeft niet naar de wc en klaagt niet wanneer hij er onflatteus op staat. 'Ik heb dien ouden kanjer van een knotwilg nog eens geattaqueerd', schreef Van Gogh uit Brabant aan broer Theo. Vond die wilg niet erg.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.