Geschiedenis leert meer over de wereld dan computermodellen

Het belang van de geschiedenis blijkt alleen al uit het misbruik dat er van wordt gemaakt. Toch kunnen we veel leren van het verleden, betoogt Eric Hobsbawm....

ERIC HOBSBAWM

WAT KAN de geschiedenis ons leren over onze huidige maatschappij? Dat is een vraag die historici altijd maar weer wordt gesteld. Kennelijk is er een alom aanwezig bewustzijn dat onze plaatsbepaling ten opzichte van het verleden, evenals de relatie tussen verleden, heden en toekomst, een kwestie van levensbelang is.

Historici zijn de databank van onze collectieve ervaringskennis. In West-Europa is men er zelfs tot de achttiende eeuw vanuit gegaan dat het verleden het model was voor het heden en de toekomst. Het bevatte als het ware de DNA-code van de huidige en de toekomstige maatschappelijke ordening. Vandaar dat ouderen zo'n belangrijke plaats werd toegekend in de samenleving; ze wisten hoe de dingen vroeger gingen, en dus ook hoe ze tegenwoordig gedaan moesten worden.

In de moderne maatschappij mag de geschiedenis hoofdzakelijk een grabbelton zijn waarin men probeert iets van zijn gading te vinden om een toestand in het heden mee te legitimeren dan wel te veroordelen, vroeger gold het verleden als autoriteit. In bepaalde delen van de wereld is dat nog steeds het geval.

Zo is er een indianenstam in het Peruaanse Andesgebergte die sinds eind zestiende eeuw een geschil heeft met de naburige landeigenaren over bepaalde stukken grond. Al generaties lang nemen de oudere mannen de jonge jongens mee naar de betwiste weidegronden en vertellen hun wat de grenzen zijn van het land dat hun ontstolen is. De geschiedenis is hier letterlijk de autoriteit voor het heden.

Overal ter wereld verlangen mensen en politieke bewegingen naar een mythische, ideale maatschappij die ooit in een ver of nabij verleden werkelijkheid zou zijn geweest en waarin iedereen het verschil nog kende tussen goed en kwaad, waarin de mensen nog godvrezend waren en waarin men nog leefde naar de letter van de Bijbel of de Koran. Dat wat geweest is als lichtend voorbeeld voor het heden.

Maar een terugkeer naar zo'n geïdealiseerd verleden betekent meestal de terugkeer naar iets wat zo ver achter ons ligt dat het slechts met veel fantasie kan worden gereconstrueerd, ofwel helemaal nooit heeft bestaan. Zo moeten we het streven van het zionisme - en andere eigentijdse nationalistische bewegingen - naar het herstel van een verloren gegaan verleden met een korreltje zout nemen, eenvoudigweg omdat natiestaten zoals we die nu kennen voor de 19de eeuw niet bestonden. Kortom, onder het mom van restauratie vindt men een verleden uit dat aansluit bij de ideologische doelstellingen.

Pure historische feitenkennis, zonder al te veel theoretische of ideologische ballast, kan ons echter aardig wat inzicht geven in onze eigen maatschappij. Deels is dat zo omdat de menselijke aard nu eenmaal niet fundamenteel verandert, zodat historici net als oude mensen regelmatig kunnen zeggen: 'de geschiedenis herhaalt zich'.

Dit is een heel belangrijke functie van de geschiedwetenschap, omdat sociale wetenschappers, beleidsmakers en planbureaus, met hun voorliefde voor harde cijfers en modellen, met opzet alle ervaringskennis en met name historische kennis systematisch lijken te negeren.

Zo zal geen historicus ook maar een moment geloof hechten aan de bewering dat een of andere wetenschapper dankzij de ontdekking van de zogenaamde G-spot, die tot dan voor de mensheid verborgen was gebleven, een absoluut nieuwe vorm van seksuele beleving heeft gevonden.

Als we ervan uitgaan dat het aantal seksuele variaties eindig is en we erbij stilstaan hoe lang mensen over de hele wereld 'het' al doen, mag veilig worden aangenomen dat hier geen sprake kan zijn van iets absoluut nieuws. Seksuele praktijken en de opvattingen daarover zijn aan mode onderhevig, maar gelukkig is er de geschiedenis die ons uit de droom kan helpen als we mode met werkelijke verandering verwarren.

De hoofdkwestie waarmee historici zich zouden moeten bezighouden is: hoe heeft de mens zich kunnen ontwikkelen van holbewoner tot ruimtereiziger? Dit is bij uitstek een vraag voor de geschiedwetenschap, omdat de mensen - hoewel ze sinds kort langer en zwaarder zijn dan ooit tevoren - in biologisch opzicht vrijwel niet veranderd zijn sinds ze pakweg 12.000 jaar geleden de eerste stad bouwden. Het is hoogst onwaarschijnlijk dat wij als twintigste-eeuwers intelligenter zijn dan de Mesopotamiërs of de oude Chinezen. En toch is de wijze waarop mensen leven en samenleven totaal veranderd.

Het doel van de studie naar de historische ontwikkelingsgang van de mensheid is niet om voorspellingen te doen over de toekomst; historici kunnen hoogstens de uitslag geven van een reeds gelopen paardenkoers. Het is nog minder hun taak om met behulp van de geschiedenis onze angsten of verwachtingen ten aanzien van de toekomst van een fundament te voorzien. Wat de geschiedwetenschap wel kan, is aan het licht brengen wat de krachten zijn die historische verandering teweegbrengen en welke patronen daarin te ontdekken vallen.

Maar daarvoor moet men wel beschikken over een betrouwbaar analytisch kader. Dit kader dient gebaseerd te zijn op het enige aspect van maatschappelijke verandering dat objectief en meetbaar is en dat zich onttrekt aan waardeoordelen en wensdenken - te weten het in de menselijke soort verankerde en nog altijd toenemende vermogen om de ons omringende natuur via hand- en hoofdarbeid, via technologie en de organisatie van de productie te beheersen.

Deze kerneigenschap van de mens komt tot uitdrukking in een vrijwel onafgebroken bevolkingsgroei sinds het bestaan van de soort en - met name in de afgelopen paar eeuwen - in een voortdurende stijging van de menselijke productiviteit. Wat mij betreft gebruiken we hiervoor het woord vooruitgang.

Op dit punt gekomen kan een historicus niet om Karl Marx heen, want hij was de eerste die de geschiedenis op die manier bezag en analyseerde. Ik beweer niet dat Marx' interpretatie van de feiten de enige juiste is, maar dat geldt wel voor zijn invalshoek. Anders gezegd: we dienen uit te gaan van een materialistische geschiedenistheorie.

Bijna de hele geschiedenis door hield het allergrootste deel van de mensen zich bezig met de productie van basisvoedsel - globaal genomen zo'n 80 tot 90 procent van de bevolking. Nu zien we in een land als de Verenigde Staten dat een agrarische beroepsgroep van 3 procent genoeg voedsel kan produceren voor de overige 97 procent, en bovendien voor een aanzienlijk deel van de rest van de wereldbevolking.

Ook bij de productie van goederen en diensten was tot voor zeer kort grote behoefte aan een almaar uitdijend leger arbeidskrachten. Voor het eerst in de geschiedenis is het echter niet langer nodig dat het grootste deel van wereldbevolking, om het bijbels te zeggen, in het zweet des aanschijns zijn brood verdient. . .

Economische groei is vrijwel altijd gebaseerd op de toe-eigening door kleine groepen - eigenaren van de productiemiddelen - van de meerwaarde die wordt gegenereerd door het menselijk vermogen om te produceren.

Als het goed is, wordt deze meerwaarde geïnvesteerd in een verbetering van de productiecapaciteit. Groei ontstaat dus door ongelijkheid.

Tot nu toe werd dit tot op zekere hoogte gecompenseerd door de enorme toename van de collectieve rijkdom, die tot gevolg had dat een arbeider in een geïndustrialiseerde economie meer materiële welvaart genoot dan een indianenopperhoofd, en dat elke generatie het grosso modo beter had dan de vorige. Maar de mensen profiteerden van de groei via hun deelname aan het productieproces; via hun baan, of, als ze boer of ambachtsman waren, door het verkopen van hun producten op de markt.

Stel nu dat inderdaad definitief nog maar een minderheid van de bevolking nodig is in het productieproces, waar moet de rest van de mensen dan van leven? Ze zullen zijn aangewezen op een uitkering uit de publieke middelen, dat wil zeggen op een stelsel van maatschappelijke herverdeling. Nu is het zo dat de afgelopen dertig jaar in veel landen dankzij de grootste economische boom aller tijden een uiterst royaal stelsel van sociale voorzieningen tot stand is gekomen.

Daarbij komt dat de publieke sector de laatste tijd gigantisch in omvang is toegenomen. In de belangrijkste OESO-landen maken de kosten van sociale uitkeringen, gezondheidszorg en onderwijs tussen de helft en tweederde van de totale overheidsbegroting uit en komt tussen de 25 en 40 procent van de inkomsten van huishoudens uit de publieke middelen (via overheidsbanen en uitkeringen).

In zekere zin is er dus al op grote schaal sprake van een stelsel van herverdeling en waar dat het geval is, lijkt er weinig kans op dat het weer tot de grond toe afgebroken zal worden, hoe graag sommige neoliberale pleitbezorgers van Raeganomics dit ook zouden zien. Maar dat wil niet zeggen dat dit systeem op geen enkele manier wordt bedreigd.

Om te beginnen vormt dit stelsel van herverdeling - met name in tijden van economische teruggang - door de hoge belastingdruk die het noodzakelijkerwijs met zich meebrengt een zware aanslag op wat in het Westen nog steeds als de motor van de economische groei wordt gezien, namelijk de ondernemerswinsten. Dat verklaart waarom het stelsel in zijn huidige vorm door velen als 'onbetaalbaar' wordt beschouwd.

Ten tweede is het stelsel niet ontworpen voor een economie waarin het grootste deel van de bevolking niet deelneemt aan het productieproces. Integendeel, het werd ingevoerd en in stand gehouden dankzij een tot nu toe ongekende periode van volledige werkgelegenheid.

En ten derde is het - zoals elke armenwet - slechts bedoeld om mensen een bestaansminimum te garanderen, hoewel dat tegenwoordig heel wat hoger ligt dan in de jaren dertig voor mogelijk werd gehouden.

Al met al is het niet waarschijnlijk dat het huidige stelsel van maatschappelijke herverdeling toereikend zal blijken om economische en andere vormen van ongelijkheid tussen de grote groep inactieven en de rest van de bevolking te voorkomen. Wat zijn daarvan de gevolgen? Vast staat in ieder geval dat de stelling dat economische groei soms vernietiging van arbeidsplaatsen tot gevolg heeft maar uiteindelijk leidt tot banengroei elders, niet langer opgaat.

In bepaalde opzichten is deze maatschappelijke ongelijkheid vergelijkbaar met de eveneens toenemende ongelijkheid tussen de rijke, ontwikkelde landen en de arme, onderontwikkelde wereld. In beide gevallen is economische groei, gegenereerd door een vrije-markteconomie, niet het tovermiddel gebleken waarmee een einde gemaakt kon worden aan ook maar de schrijnendste vormen van ongelijkheid.

Deze situatie kan tot zeer ernstige economische, sociale en politieke problemen leiden. Aangezien deze historisch gegroeide ongelijkheid zich niet alleen uit in een welvaartsverschil maar ook in een machtsverschil, zal ze voorlopig nog wel even voortbestaan.

Het ziet er niet naar uit dat de armen op korte termijn in staat zijn om zich zodanig te organiseren dat ze de bestaande orde bedreigen. We kunnen hen als een soort onderklasse in getto's in hun vet laten gaar smoren. We kunnen het leven en de woonomgeving van de rijken beschermen met camera's en prikkeldraad. We kunnen dwarsliggende arme landen met militaire middelen onder de duim houden.

Velen gaan ervan uit dat a) de wereldeconomie vanzelf wel weer zal aantrekken en dat b) de armen en ontevredenen in eigen land en de rest van de wereld permanent klein gehouden kunnen worden. Inderdaad is het niet ondenkbaar dat de economie zich herstelt, al lijkt een terugkeer naar de welvaartseconomie zoals die bestond tussen de jaren vijftig en zeventig uitgesloten.

Wat betreft het tweede punt is elk optimisme echter ongegrond, in elk geval op de langere termijn. Misschien is het niet te verwachten dat de armen en misdeelden zich op dezelfde schaal nationaal en internationaal zullen organiseren als tussen 1880 en 1950, maar dat ze politieke en militair gezien altijd een verwaarloosbare factor zullen blijven is een misvatting, zeker als ze niet langer kunnen worden afgekocht met een bescheiden aandeel in de welvaart.

Er zijn twee denkkaders die onze kijk op de werkelijkheid vertroebelen. Het ene is het a-historische, technocratische denkkader dat problemen wil oplossen via modellen en computerprogramma's. Dit biedt geen enkele toekomstvisie en is niet in staat om rekening te houden met gegevens die niet vooraf zijn ingevoerd.

Juist historici weten maar al te goed dat we bij het werken met modellen altijd variabelen over het hoofd zien en dat de realiteit buiten die modellen uiterst weerbarstig is. De geschiedenis van de Sovjet-Unie en de ineenstorting ervan zouden in dit opzicht een wijze les moeten zijn. De systematische geschiedvervalsing voor politieke doeleinden zoals die in de Sovjet-Unie plaatsvond, is een voorbeeld van het tweede denkkader dat een heldere blik op verleden, heden en toekomst onmogelijk maakt.

Waarom hechten regeringen zoveel waarde aan geschiedenisonderwijs aan de jeugd? In ieder geval niet om haar inzicht bij te brengen in de veranderingsprocessen van de eigen maatschappij, maar om hun vaderlandsliefde bij te brengen en hen tot goede staatsburgers te maken.

Dat een dergelijk misbruik van de geschiedenis kan leiden tot een gevaarlijk soort blikvernauwing, bewijst de recente historie van verschillende moderne naties en nationalistische bewegingen. Historici dienen het tot hun voornaamste taak te rekenen om waar nodig oogkleppen te verwijderen.

Eric Hobsbawm is Brits historicus.

Van zijn hand verscheen onlangs de bundel On History (uitg. Weidenfeld & Nicholson).

Eric Hobsbawm 1997

Vertaling: Brigit Kooijman

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden