Gepofte kastanjes in haar stem

Het is niet makkelijk om Ronald Giphart te zijn. Ooit wilde hij, gek van literatuur, een Echte Schrijver worden, maar hij merkte dat niet zijn serieuze pogingen, maar de hilarische verslagen van zijn mislukkingen gretig gelezen werden....

Aleid Truijens

Maar het moest wel literatuur blijven. Giphart, hoeveel wilde seks hij ook in zijn boeken stopte, hield altijd iets van een missionaris die de mensen iets moois wilde meegeven. In zijn nieuwe roman, Troost, draagt de ik-figuur, een topkok, niet voor niets de naam Art Troost. ‘Koks hebben de taak het leven – in ieder geval gedurende de maaltijd – een beetje meer zin te geven’, leerde hij. Hij beschouwt het als zijn ‘heilige taak’ om de ‘Parade Van Onwetende Proleten’ die met kerst hun geld bij hem komen stuksmijten, te onderrichten in het ‘Ware Culinaire Geloof’.

Hier zien we de culinaire variant van Giphart, de onvermoeibare leesbevorderaar. Literatuur moet verleiden, troosten en opbeuren. Het is bijna onmogelijk in de missie van Troost niet Gipharts literaire credo te lezen. Hij wilde geen frikadellen bakken voor puistenkoppen die alles vreten, nee, hij wilde iedereen, schoolkantines vol mooie pubermeisjes en verdorde macrobiotische leerkrachten, de vreugde van kaviaar met champagne deelachtig maken. Literatuur kan lekker zijn, echt!, riep hij blijmoedig.

Die boodschap ging er bij scholieren in als Gods woord in een ouderling. Geen literatuurlijst waarop hij ontbrak. Toen zijn boeken werden verfilmd, hoefden ze die niet eens meer te lezen. Zodat hij van de serieuzen toch weer het verwijt kreeg een frikadellenbakker te zijn. Een multimediaal brand, uitermate marketable. Een jongerenschrijver van bijna veertig. Een BN’er die op tv tegenover andere BN’ers klaagt dat zijn BN’erschap hem ‘in het intellectuele kamp’ tot een outcast heeft gemaakt. Wat een tragedie.

Maar de altijd wendbare Giphart maakte die treurnis – de tol van de roem, zeg maar – weer razendsnel tot thema. Art Troost is een bezeten, onconventionele kok, die niettemin zijn klassieken kent. Hij kookt alleen met de beste spullen. Etmalen achtereen staat hij achter zijn ‘kachel’ om zijn gasten te verrassen met eigenaardigheden als ‘in tabaksblad gestoomde ossenhaas’ en ‘schimmelkaasijs’. En met succes: ‘Prinses Máxima noemde in een Argentijnse krant mijn paling in absint haar lievelingsschotel.’ De goden van de Michelin-gids verlenen zijn restaurant twee sterren.

Maar roem en ijdelheid keren zich tegen Troost. Hij krijgt een kookshow op tv, Sterallure. Daarin vertoont hij geen gooi-en-smijt-werk als collega’s ‘Lawina Nigel en Oliver James’; hij kookt zijn eigen, uitgelezen gerechten, die worden verorberd door gasten ‘uit de wereld van kunst en cultuur’, op een Frans chateau. Daar treffen we Troost op de eerste pagina’s aan, hangend boven de pot, besmeurd met zijn eigen stront, brakend van ellende. Er is het een en ander misgegaan tijdens de opnameweek. Art is alles kwijt, zijn sterren, zijn tv-baantje, zijn reputatie en zijn vriendin. Dit alles volgens de oerwetten van de tragedie, de tv en die van Murphy.

Even denk je in Gipharts allereerste grotemensenroman te zijn beland: een analyse van wat er gebeurt als een groot talent zijn ziel aan de media verkoopt. Troost beseft: ‘Je kunt avond aan avond twee sterren van de hemel koken, als je één keer op televisie met een koksmuts op een komkommer vasthoudt, levert dat oneindig veel meer culinaire roem op.’

Maar hoe gruwelijk zijn galgenmaal ook is, echt tragisch wil de deconfiture van de topkok niet worden. Als Troost zijn sterren zijn ontnomen, is hij radeloos, maar hij relativeert zijn ellende meteen: ‘Denk aan vloedgolven, concentratiekampen, kinder-intensive-cares (...) De dodelijke Japanse kogelvis fugu op mijn menukaart zetten’ – typische Giphart-zinswendingen om passages die schrijnend dreigen te worden de nek om te draaien. Giphart gunt zijn held geen grootse, smadelijke ondergang; die haalt de vaart maar uit zijn verhaal.

Maar geestig is hij wel. Meligheden zijn dit keer schaars, en daardoor valt op hoe voortreffelijk Giphart kan schrijven, soepel en losjes, beeldend en beheerst. Dat vermogen schenkt hij aan zijn kok: Troost luistert en kijkt met zijn smaakpapillen, zoals een schilder in beelden denkt. De stem van een zeventienjarig meisje is ‘saffraanijs met een rozensabayon in een zomerjurk’; als zijn grote liefde – een ‘meikers’ met ‘gepofte kastanjes’ in haar stem – haar ontrouw bekent, voelt hij zich ‘een rund, net na een tussenoogs schot met het verdoofkanon’. Giphart maakt die kokslyriek volkomen vanzelfsprekend; het hele boek is doortrokken van bedwelmende smaken en geuren.

En ongemerkt geeft hij wel degelijk een cynisch maar overtuigend portret van het joviale, hardvochtige mediawereldje. De passages over de opnamen met de kakelende gasten, bestsellerschrijfster Helmke Draaibaar en filosoof Hansen Fennema Klein, zijn meesterlijk. In beeld strelen ze elkaars ego’s, en ’s nachts doen ze dat in bed, maar daags erna verraden ze beiden in hun columns de ander, en hun gastheer.

Kijk, zo meedogenloos gaat het, zucht Giphart de moralist. Een goede schrijver die niet als een dansende beer door medialand trekt, is nog altijd een goede schrijver. Een tv-topkok die niet langer in beeld met een komkommer zwaait, kan niettemin fantastisch koken. Daar zou het om moeten gaan. Maar de werkelijkheid haalt de moraal snel in. Binnenkort trekt Giphart door het land: een kooktournee, met een bevriende kok. Boekenkopers krijgen hapjes uit de roman geserveerd. Want ja, een schrijver heeft een winkel.

Ronald Giphart: Troost. Podium; 222 pagina’s; ¿ 15,-; met stofomslag ¿ 18,50. ISBN 90 5759 005 0.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden