Genoegens van de nacht

Cultuurhistorici hebben over alles geschreven: over misdaad, hekserij en bijgeloof, trouwen en kinderen, eten en drinken, hoererij en vrijen, ook over de luizen, vlooien en bedwantsen tussen de lakens en in rafelige dekens, zelfs over de influisteringen van de duivel en het wangedrag van de clerus of de notabelen....

Half voor de grap noemde een van die historici de vroegmoderne tijd het'tijdperk van het bed'. Voor arme mensen was het meestal het eerstemeubelstuk dat ze zich aanschaften, hun eerste kostbare bezit, al lag indie tijd waarschijnlijk een deel van de bevolking 's nachts nog op eengrove matras, of in hun lompen op het stro, omdat sommigen zich zelfs geeneenvoudig beddengoed konden veroorloven.

Over al die onderwerpen verschenen belangrijke boeken, 'maar de nachtzelf kreeg zelden veel aandacht', schrijft Roger Ekirch in Nacht en ontij - De geschiedenis van de nacht in de voorindustriële tijd, vooral omdat menlange tijd dacht dat er na zonsondergang weinig belangrijks gebeurde. Bijnade helft van ons leven zijn we blind, we slapen in het duister. Andersomzoeken we soms ook de duisternis op omwille van de suspense en de genoegensvan de nacht. Maar over die duistere helft, de nachtzijde, is kennelijkweinig opgeschreven.

In zijn boek, de vorige week week verschenen vertaling van At Day'sClose - Night in Times Past, onderzoekt Ekirch de geschiedenis van de nachtin de vroegmoderne tijd, toen er nog geen straatverlichting was. Hetduister boezemde angst in, het was een tijdperk van apocalyptischeschrikbeelden, de nacht was onheilspellend. Het was een wonder dat mensenniet meteen bij de eerste avondschemering hun bed in vluchtten. Elk dorphad zijn spoken en zijn geesten, ieder kind groeide op met vreesaanjagendeverhalen over heksen; pastoors en dominees hadden het in hun preken overde duivel die vrouwen in hun slaap besjoemelde en bereed, of overnachtelijke drank- en slemppartijen.

In Nacht en ontij huppel je van het ene wijdverbreide gezegde naar hetandere, van de ene uitspraak, dichtregel of wijsheid naar de andere, entelkens weer zegt 'een' geestelijke, 'een' dichter, 'een' kroniekschrijverof 'een' filosoof iets over schimmen, invallende duisternis, godvrees,heksensabbatten, maskerades, terechtstellingen, plunderingen,verkrachtingen en brandstichtingen. Ekirch maakt met het gereedschap vande mentaliteitshistoricus - anekdoten en overgeleverde opvattingen - deduisternis zichtbaar, hij wekt wat er zich by night in de voorindustriëlesteden of op het platteland afspeelde weer tot leven en ondergraaft daarmeede aloude stelling dat over de nachten geen geschiedenis kan wordengeschreven.

Ekirch las honderden brieven, memoires, reisverslagen en dagboeken uitdie vroegmoderne tijd, ook getuigenverklaringen voor de rechtbanken,misschien wel een van de meest gedetailleerde bronnen. Hij schrijft overde gevaren van de nacht, over de manier waarop overheden en gewone mensenmet hun 'vrees voor het duister' omgingen; hij speurt naar plekken waar nahet vallen van de duisternis de macht verschoof van de sterkeren naar dezwakkeren, naar rovers en hoerenlopers, drinkebroers en aan lager walgeraakte geestelijken; hij analyseert de rituelen voor het naar bed gaan,'de ordinantiën van de slaapkamer', het oeroude slaappatroon en het vroegehanenkraaien.

Weliswaar leest het boek van Ekirch als een trein, met een denderendstaccato van honderden getuigenissen over het donker die hij 'een'schrijver of 'een' rechter of 'een' andere anonieme tijdgenoot in de mondlegt. Maar wat wil Ekirch met al die bijeengesprokkelde spreekwoorden enin kronieken genotuleerde feitjes eigenlijk zeggen?

Ze vormen het gebinte van zijn gedachtegang: de nacht is bovenal eengeestestoestand, soms angstwekkend, veelal deprimerend en melancholisch,voor sommigen rust en voor anderen werktijd, en voor weer anderen hunmoment om een slag te slaan of zich te vermaken. De duisternis evenwel werdin die vroegmoderne tijd steeds meer bestreden en gedomesticeerd, eerst nogmet een flakkerende kaars, of met het gaslicht van een lantaarn, later metgloeilampen en neonlicht. De zon disciplineert, zeiden ordehandhavers enzedenmeesters, het duister verdoezelt. Licht kon de nacht zichtbaar maken.Maar tegelijk worden in onze tijd van 'lichtvervuiling' veel anderefenomenen minder zichtbaar, zegt Ekirch, zeker als je naar het uitspanselkijkt.

We kennen allang niet meer die fantasmagorie van een inktzwarte nacht.Donkerte wekt niet langer alleen maar vrees en angsten op; ook deduisternis heeft een geschiedenis. Opvattingen en mentaliteiten veranderen.De scherpe lijn die in de Genesis-verhalen en nog tot diep in deMiddeleeuwen tussen dag en nacht werd getrokken, tussen goed en kwaad,discipline en chaos, vervaagde in de vroegmoderne tijd.

In zijn eind vorig jaar verschenen filosofisch essay over de duisternis,L'envers du visible, schetst Max Milner die veranderende opvattingen, inde filosofie, in de literatuur, in de schilderkunst en in de film. Hetduister was voor antieke volkeren het terrein van de dood, voor bangemiddeleeuwers een afspiegeling van Gods toorn, voor verlichte 18de-eeuwersde andere zijde van de rede, voor verwarde romantici een plek voor hevigeontboezemingen of drama, en voor positivisten een natuurkundigverschijnsel. In de 24-uurs-economie is er schijnbaar geen onderscheid meertussen dag en nacht.

Anders dan Milner, die zich in theologie, filosofie en kunst verdiepte,ging de mentaliteitshistoricus Ekirch op zoek naar verhalen. Hij speurdenaar de etymologie van volkse uitdrukkingen en woorden, naar de herkomstvan oude gezegden en uitspraken, naar dat grote aantal beeldendeuitdrukkingen voor de avondstond. Milner schrijft over Goya's schilderijenvan het grauw dat in de volslagen duisternis ronddwaalt, over hetclair-obscur van een in de nacht ronddolende Rembrandt en Caravaggio (dieooit tijdens een ruzie een lid van een andere nachtbende had gedood), ofover het bijzondere kaarslicht op schilderijen van Georges de La Tour.Ekirch daarentegen drentelt achter het gespuis aan, boeven en oplichters,die een stad in het donkerste van de nacht overspoelen.

Het lezen van die beide boeken over de duisternis is een oefening inacrobatiek: bij Milner gaat het over metaforen, diep gepeins engefilosofeer, bij Ekirch over belevenissen en herinneringen. Ze hebben hetallebei over de Parijse escapades van Restif de la Bretonne, over de nightthoughts van de dichter Edward Young, over de dag die ogen en de nacht dieoren heeft. Ze komen tot een eenstemmige conclusie: niet de duisternis maarhet licht maakt ons blind.

Bij Ekirch gaat het over de verstoring van het bioritme, het tekort aanslaap dat het zachte dromen verdringt; bij Milner over de 'lof derschaduw', een interpretatie van het duister. De Japanse schrijver JunichiroTanizaki (die Milner ter sprake brengt) pleit ervoor om de dingen die alte zichtbaar zijn in een interieur terug te duwen in de schaduw. Het isbeter het elektrisch licht uit te doen om eens te kijken hoe het er danuitziet. In het donker vind je schoonheid, uiteindelijk hangt de schoonheidvan een Japanse kamer af 'van een hele verscheidenheid aan schaduwen: zwareschaduwen tegenover lichte schaduwen - er is eigenlijk niets anders',schrijft Tanizaki in zijn bekende essay Lof der schaduw, het meestverhelderende traktaat over de duisternis. Wie zich wil verdiepen in hoehet gewone volk of vorstelijke gezelschappen tegen obscure nachtenaankeken, grijpt naar Ekirch; wie van de metaforiek van het duister houdt,leest Milner.

Paul Depondt

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden