Genadeloze zelfontleding

Fictie The New York Times haalde hem uit de vergetelheid. Terecht. Want Hans Keilson en zijn roman uit 1959 hebben de tand des tijds glansrijk doorstaan....

Een groep Duitse jongens komt in de jaren dertig van de vorige eeuw op een nacht bijeen om een geheime missie uit te voeren. Ze kennen elkaar niet en weten tevoren niet wat er van ze verwacht wordt. Wat hen bindt zijn de idealen van het opkomend nationaal-socialisme. De missie blijkt een joodse begraafplaats te betreffen: die moet vernield, en liefst grondig.

Sommige van de jongens deinzen in eerste instantie voor deze opdracht terug. Omdat ze begraafplaatsen associëren met hun overleden ouders, omdat het ze misselijk maakt, omdat ze de er de zin niet van inzien of omdat ze bang zijn dat ze voor een dergelijke daad zullen moeten boeten. Bovendien is het aardedonker en zijn de loodzware grafstenen niet van hun plek te krijgen. Ze beginnen dan ook, aarzelend en zonder bezieling, met de gemakkelijk te vernielen kindergrafjes. Hekjes worden losgetrokken en weggesmeten, stenen omgeduwd, planten en bloemen losgewroet en vertrapt.

Gaandeweg verdwijnen de bedenkingen en werken ze zich op tot een razende drift. Ze stormen over de begraafplaats, vernielen wat ze vernielen kunnen en graven met blote handen in de aarde alsof ze de botten naar boven willen halen. Als het licht begint te worden, zijn ze vermoeid, ongemakkelijk en niet langer eensgezind. Ruziënd en vloekend gaan ze ieder hun weg.

Een van de grafschenners vertelt later aan een groepje gelijkgestemde vrienden met een zekere trots hoe de missie verlopen is. Wat hij niet weet is dat een toevallig aanwezige bezoeker, meegekomen met een vriendinnetje, joods is. Deze jongen blijft luisteren met onverschillige blik, alsof het verhaal hem niet aangaat. Maar zwijgend analyseert hij ieder woord en ieder gebaar. Wat bezielt de grafschenners? Zijn ze behalve slecht en onmenselijk, niet op even zoveel momenten goedmoedig en vriendelijk? En waar richt de haat van deze trouwe volgelingen van Hitler zich precies op?

Zijn ze misschien zo bang voor de dood ‘dat ze hem ’s nachts vol haat en angst naar buiten moeten trappen?’ Haten ze hem, hun vijand, omdat ze diep verborgen waarheden over zichzelf in hem herkennen en vechten ze in feite tegen zichzelf? En blijft hij, de gehate joodse jongen, luisteren naar het walgelijke verhaal van de grafschenner omdat hij in de schofterigheid van zijn tegenstanders iets van zichzelf herkent?

Deze joodse jongen is de hoofdpersoon van In de ban van de tegenstander van Hans Keilson. Hij stelt vragen over het wezen van de haat die met een zekere empathie voor de vervolger en een genadeloze zelfontleding van de vervolgde gepaard gaan. Met die analyserende houding wees Keilson, die in de oorlog aan zijn boek begon, niet alleen vooruit naar zijn toekomst als psychiater, maar trok hij ook conclusies die wat genuanceerdheid betrof voor hun tijd opmerkelijk waren. De hoofdpersoon van In de ban van de tegenstander is toegerust met veel van Keilsons eigen ervaringen.

Keilson werd in 1909 in het Oost-Duitse Bad Freienwalde geboren. Hij studeerde in 1934 in Berlijn als arts af maar mocht vanwege de net ingevoerde rassenwetten zijn vak niet uitoefenen. Ook de autobiografische roman die hij in 1933 schreef, Das Leben geht weiter, werd door de nazi’s verboden. Hij verdiende de kost als sportleraar op vijf joodse scholen en vluchtte in 1936 naar Nederland, waar hij de oorlogsjaren op verschillende plaatsen als onderduiker doorbracht. Zijn ouders werden in Nederland opgepakt en in Auschwitz vermoord. Keilson raakte betrokken bij het verzet, en bood in dat verband psychotherapeutische hulp aan ondergedoken joodse kinderen.

Na de oorlog specialiseerde hij zich als psychiater en psychoanalyticus en bleef zijn aandacht uitgaan naar getraumatiseerde kinderen. In diezelfde tijd vond hij aansluiting bij de Nederlandse literaire wereld. Onder pseudoniem stelde hij een aantal Nederlandse bundels samen. Zijn ervaringen met het naziregime verwerkte hij in de romans Comedie in mineur (1947) en In de ban van de tegenstander, die hij in 1959 voltooide.

Beide boeken verschenen zowel in het Duits, de taal waarin hij bleef schrijven, als in het Nederlands. In Duitsland werd In de ban van de tegenstander als te mild over de nazi’s beoordeeld, in Nederland kende het een bescheiden succes en in Amerika rekende Times Magazine het in 1962 tot de beste boeken van het jaar.

Er volgden jaren van literaire vergetelheid, ondanks een herdruk van de Nederlandse editie van In de ban van de tegenstander in 1982. Ook de recente herziene uitgave, naar aanleiding van Keilsons honderdste verjaardag in december, leek niet veel stof te doen opwaaien. Tot een paar weken geleden Francine Prose, de Amerikaanse biografe van Anne Frank, de in Amerika heruitgegeven boeken van Keilson in de New York Times meesterwerken noemde en hun schrijver een genie. Daarop sprongen de schijnwerpers van de hype in Nederland aan.

We hadden een genie in huis en wisten het niet. Dat althans was de strekking van De Wereld Draait Door, waar Keilson de opgewonden stemming met de nodige ironie en rust relativeerde.

Dat neemt niet weg dat niet alleen Keilson, maar ook In de ban van de tegenstander de tand des tijds glansrijk heeft doorstaan en dat we alleen maar dankbaar mogen zijn dat de hype ertoe geleid heeft dat Van Gennep inmiddels aan de vijfde druk werkt en nog dit najaar met een heruitgave van Comedie in mineur hoopt te komen.

Keilson schreef In de ban van de tegenstander met een strekking die nadrukkelijk uitstijgt boven de eigen ervaringen met nazi-Duitsland. De woorden ‘nazi’ en ‘jood’ komen in het boek niet voor, Hitler wordt aangeduid met B. ‘Ik ben me ervan bewust’, schrijft hij aan het begin, ‘dat ik een heel oude waarheid verkondig als ik zeg dat er altijd vijanden en haters op aarde zullen blijven. Zij rekruteren zichzelf uit vroegere vrienden.’

Dat het wegzetten van een bevolkingsgroep als de vijand, op grond van religie, afkomst of ras, onverminderd en ongehinderd voortgaat, kan iedereen dagelijks constateren. Je zou willen dat het analyseren van de eigen haat even vanzelfsprekend was.

CV
1909

geboren op 12 december 1909 in Bad Freienwalde, Brandenburg

1928-1934

studie geneeskunde in Berlijn

1936

vlucht voor de nazi’s naar Nederland

1940

duikt onder, betrokken bij het verzet

1945

werkt als arts, behandelt getraumatiseerde joodse weeskinderen

1947

publiceert Komödie in Moll (uitgeverij Querido)

1959

publiceert het tijdens zijn onderduik geschreven Der Tod des Widersachers, hetzelfde jaar vertaald als In de ban van de tegenstander (uitgeverij De Tijdstroom). Hervat de studie psychiatrie, vestigt zich daarna als psychoanalyticus, gespecialiseerd in oorlogstrauma’s

1978

promoveert op Sequentielle Traumatisierung bei Kindern, gebaseerd op onderzoek onder Joodse weeskinderen

2009

Heruitgave In de ban van de tegenstander (uitgeverij Van Gennep); bij zijn honderdste verjaardag benoemd tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau

2010

De Engelse vertaling van Der Tod des Widersachers (The Death of the Adversary) wordt evenals Komödie in Moll (Comedy in a Minor Key) zeer lovend besproken in de New York Times

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden