Genadeloos geflopt

Popproducer Phil Spector is de bedenker van de Wall of Sound, het kamerbrede geluid dat hits maakte van liedjes als Da Doo Ron Ron en Be My Baby....

Nog geen 30 jaar oud was Phil Spector, toen de Britse journalist Nick Cohn hem in de lente van 1969 de vraag voorlegde of hij nog wel iets verwachtte van het leven. Of was hij er eigenlijk al klaar mee?

Ja, zou Spector toegeven, nadat hij zijn verbazing over de vraag had overwonnen: hij vermoedde inderdaad dat het er voor hem wel zo ongeveer op zat.

In december 2002 kreeg Spector, die tegen die tijd een kasteel buiten Los Angeles had betrokken, opnieuw bezoek van een Britse journalist, Mick Brown. In de tussenliggende decennia had Spector nauwelijks interviews gegeven; Brown wilde een verhaal maken over de man die in de jaren zestig popmuziek van een ander geluid voorzag, en van wie sinds die tijd nog maar zo weinig was vernomen.

Brown trof een man aan die zichzelf ‘emotioneel verlamd’ en ‘manisch depressief’ noemde. ‘Ik ben zelf mijn grootste vijand.’

Vijf uur lang sprak Brown met Spector over diens leven en werken. Het relaas werd gepubliceerd in de Daily Telegraph op 1 februari 2003. Twee dagen later vernam Brown dat Phil Spector was gearresteerd op verdenking van moord op Lana Clarkson, model en actrice. Ze werd dood aangetroffen in Spectors huis.

Brown – per slot van rekening de laatste journalist die Spector vóór het drama sprak – besloot zijn krantenartikel uit te bouwen tot een complete biografie. Tearing Down the Wall of Sound – The Rise and Fall of Phil Spector verscheen tegelijk met het begin van de rechtszaak tegen Spector, vorige week. Aanklacht: moord.

In zijn knap gedocumenteerde biografie komt Brown met voor Spector flink wat belastende feiten, zonder daar overigens conclusies uit te trekken. Maar dat Spector het lastig zal krijgen met zijn verdediging, lijdt geen twijfel. Wat Brown in elk geval feilloos duidelijk maakt, is dat de man die in vijf jaar tijd, tussen 1961 en 1966, de popmuziek van een nieuw geluid voorzag, eigenlijk al sinds 1966 – drie jaar nog voordat hij Cohn op bezoek kreeg – zijn prestatiedrang en het plezier in zijn werk kwijt was. Bijna veertig jaar lang leidde een uitgebluste en verveelde Spector een teruggetrokken leven – badend in luxe, maar verstoken van liefde. Een isolement, vergelijkbaar met dat van Elvis.

Wat ging er mis met de man die in 1965 door Tom Wolfe nog tot The First Tycoon of Teen gedoopt werd? Eigenlijk ligt het antwoord besloten in de ontvangst van een van Spectors beste producties: River Deep, Mountain High, van Ike and Tina Turner, uit maart 1966. Spector was ervan overtuigd dat hij zichzelf met dit nummer had overtroffen, maar het liedje flopte in de Verenigde Staten genadeloos. Dat het in Europa wel een grote hit werd, bood geen troost. Spector begreep er niets van, trok de deur achter zich dicht en zou nooit meer dezelfde zijn.

De spaarzame producties die hij daarna nog zou doen, voerde hij uit in opdracht. De man die het vak van producer binnen de popindustrie een ander aanzien had gegeven, juist door alles zelf onder controle te houden, zou alleen nog maar in loondienst produceren.

De knauw die zijn zelfvertrouwen kreeg met deze flop – eigenlijk zijn eerste – moet immens zijn geweest. Wat Spector echter weigerde onder ogen te zien, was de complete verandering van de popmuziek, die hij in de vroege jaren zestig eigenhandig vorm had gegeven met hits als Be My Baby, Da Doo Ron Ron en You’ve Lost that Loving Feeling.

Zijn eerste plaatje, To Know Him Is To Love Him, nam Spector op in 1958. Hij was toen 18 en vormde met twee van school geplukte medevocalisten de groep The Teddy Bears. Het werd zijn eerste million seller, een nummer dat hem in contact bracht met belangrijke platenbobo’s uit die tijd. Nieuwe hits bleven uit, maar via-via belandde Spector in New York op kantoor van de toen belangrijke songschrijvers Jerry Leiber en Mike Stoller. Met Leiber zou hij voor Ben E. King een van zijn mooiste liedjes componeren: Spanish Harlem.

‘Alles in dit vak komt aan op geluk en een goed gevoel voor timing’, zou Spector geregeld zeggen. Geluk had hij door zijn contacten, en de timing was goed, want popmuziek bevond zich rondom 1960 in een merkwaardig vacuüm. De rebellerende eerste rock-’n-rollexplosie was voorbij, en het zou nog tot pakweg 1963 duren voordat de Beatles de popgeschiedenis deden kantelen.

Precies in deze periode kon Spector floreren en de fundamenten van zijn Wall of Sound neerleggen. Producers waren tot die tijd hooguit een veredeld soort technicus, iemand die precies deed wat de platenbaas wilde. Ook de artiest zelf had weinig te zeggen. Liedjes moesten vooral goedkoop worden opgenomen, met weinig muzikanten.

Spector brak met alle gewoonten. Met vooraanstaande componisten schreef hij de liedjes, en hij zocht er zelf de vocalisten bij. Hij wilde in zijn studio het liefst zo veel mogelijk muzikanten tegelijk inzetten, want het geluid dat hij in zijn hoofd had, was vooral hard – groots, maar keihard. Om dat te verwezenlijken, huurde hij de beste muzikanten in, zoals gitarist Barney Kessel, wiens spel Spector tot muziek maken had bekeerd, en drummer Hal Blaine, die op alle Spector-producties is te horen.

Voor het eerst volledig is de Wall of Sound te horen in 1962, op He’s A Rebel van The Crystals, dat verscheen op Spectors eigen Philles Records. Want hij had, controlfreak als hij was, ook zijn eigen platenlabel. Het enige dat hij niet zelf kon, was het persen en distribueren van zijn platen.

The Crystals zetten de standaard, maar niet zij – of The Ronettes, of Darlene Love, wier namen prijkten op de hoezen van de platen – waren de sterren. Nee, dat was Phil Spector zelf. Hij zou zich uitdossen als excentrieke popster en zich alleen nog in dure auto’s met chauffeur laten vervoeren.

Maar zijn liedjes strekten iedere ambitieuze muzikant tot voorbeeld, en iemand als Brian Wilson houdt tot op de dag van vandaag vol dat het horen van Be My Baby van The Ronettes in 1963 hem een eeuwigdurend minderwaardigheidscomplex bezorgde.

Maar andere bewonderaars als The Beatles, The Rolling Stones en Bob Dylan waren inmiddels zelf doorgebroken, en de smaak van het publiek veranderde. Rockmuziek verdrong de tienerpop en Spector moest zich aanpassen aan de tijd. En dat was precies wat hij niet kon – of wilde.

Even fleurde hij op toen hij in 1969 door The Beatles gevraagd werd het vastgelopen Let It Be-project vlot te trekken. Hij werkte vervolgens mee aan uiterst succesvolle soloplaten van George Harrison (All Things Must Pass) en John Lennon (Imagine), maar zijn producties klonken anoniem.

En waar hij in de loop der jaren opdrachten met wat meer zeggenschap kreeg, liep het mis. Zoals in 1978 bijvoorbeeld met Leonard Cohen, in 1979 bijna met The Ramones en, door Brown knap onthuld, met de zangeres Celine Dion. Spector zou uiteindelijk ontheven worden uit zijn functie en zonder hem voltooide Dion met Falling Into You in 1996 haar bestverkochte plaat.

Op aanraden van zijn dochter Nicole ging Spector in 2002 nog met de Britse rockgroep Starsailor in zee. Ook dit liep uit op een drama. Spector werd naar huis gestuurd, na slechts twee liedjes naar behoren te hebben afgewerkt.

Het zou zijn laatste productieklus worden. De reputatie van zijn ooit fameuze Wall of Sound is door al die fiasco’s inmiddels verkruimeld. Spector had de deur na 1966 gewoon dicht moeten laten. Alles wat hij hierna ondernam, zou uiteindelijk alleen maar afbreuk doen aan zijn reputatie.

Dus had hij het, in het voorjaar van 1969, toch goed gezien: het was op bij hem.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden