achtergrond het einde van de brief

Gemeende verjaardagswensen, verrassingen en een belangrijke bron: wat we verliezen met het einde van de brief

Eeuwenlang ging alles per brief: nieuwtjes, goede raad, geroddel. De nieuwe communicatierevolutie heeft een wereld gecreëerd waarin voor de brief geen plaats meer lijkt te zijn. Schrijfster Jet Steinz onderzoekt in zes afleveringen wat daarmee verloren gaat. Vandaag een inleiding en aflevering 1.

Wat weet u eigenlijk van... Johannes Gutenberg? Duitser, uitvinder van de boekdrukkunst, wetenschappelijke revolutie, 15de eeuw – stop. En van Francisco de Tassis? Eh, geen idee. Of toch – nee, niet.

Wat onterecht is. Want de Italiaan Francisco de Tassis (1459-1517) was de grondlegger van het Europese postwezen: eind 15de eeuw zorgde hij voor regelmatige verbindingen tussen de belangrijkste steden op het continent, wat het mogelijk maakte vanuit Brussel een brief te versturen die in maximaal vijftien dagen (in de winter achttien) werd bezorgd in Toledo. En in 44 uur (54 in de winter) in Parijs. Voor die tijd moest je maar afwachten of, en zo ja wanneer, je brief aankwam.

Daarmee werd de afstand tussen Europeanen onderling – op economisch, cultureel en persoonlijk vlak – ineens een stuk kleiner. Met een brief kon iemand in Granada een inwoner van Rome binnen afzienbare tijd op de hoogte stellen van een wetenschappelijke ontdekking, politieke ontwikkelingen, een geboorte of een sterfgevallen, en bovendien rekenen op een antwoord – een cruciaal verschil met het boek, dat per definitie eenrichtingsverkeer was. Er zijn historici die daarom spreken van een omwenteling waarin de brief centraal stond en waarvan de consequenties belangrijker waren dan die van de boekdrukkunst: post als aanjager van een communicatierevolutie die het besef van tijd, ruimte en individualiteit voorgoed veranderde.

Eeuwenlang zou alles dan ook per brief gaan: nieuwtjes, kennisuitwisseling, goede raad, hofmakerij, geroddel. Maar toen kwamen het telegram en de telefoon, en later internet. Inmiddels zijn de geheime boodschappen die briefschrijvers overbrachten door een postzegel op een bepaalde manier te plakken (op z’n kant in de linkerhoek: mijn hart is al vergeven, overdwars op dezelfde plek: ik heb een hekel aan je, in het midden aan de rechterkant: schrijf me snel!) vervangen door de zorgvuldige plaatsing van tags op Instagram (tieners taggen beste vrienden in het oog, hun love interest in de mond en alle anderen aan de rand van de foto). De verjaardagskaart is een Facebook-felicitatie geworden; de potjes correspondentieschaak die Multatuli en Antonius van der Linde speelden, zouden tegenwoordig verlopen via Chess. Afspraken worden gemaakt per WhatsApp, bijkletsen gebeurt op Skype. Met de komst van internet heeft een nieuwe communicatierevolutie plaatsgevonden, die een wereld heeft gecreëerd waarin voor de brief geen plaats meer lijkt te zijn.

Onverwacht cadeau

En dat is jammer, want niemand vindt het níét leuk om er een te krijgen. Een brief die ineens op de mat of in de bus ligt, heeft een hoog verrassingsgehalte: het is een soort onverwacht cadeautje, inclusief de spanning die het uitpakken ervan met zich meebrengt – vaak weet je niet wie de afzender van de brief is voordat je hem opent, alhoewel het eventuele retouradres en soms het handschrift aanwijzingen kunnen zijn. En ook als de herkomst wel meteen duidelijk is, blijft de verwachtingsvolle spanning over de inhoud. Wat wil hij of zij mij vertellen? Is er nieuws? Staat er iets te gebeuren? Een brief betekent bovendien dat iemand gedurende een bepaalde tijd aandacht heeft besteed aan jou – niet aan vier andere openstaande WhatsApp-gesprekken, een YouTube-filmpje of een potje Wordfeud, alleen aan jou. Zoals je je gewaardeerd voelt als een ander lekker voor je heeft gekookt, zo is het fijn te merken dat iemand de tijd genomen heeft om jou een brief te schrijven.

Het was dan ook een van mijn favoriete spelletjes als kind: ‘postje’. Mijn beste vriendin zat in de ene kamer, ik achter een deur aan de andere kant van de gang, allebei voorzien van een stapel A4’tjes en een pen. En dan: brieven schrijven. Als er een af was, speelden we voor postbode en schoven het papier dubbelgevouwen onder de deur door, een verzonnen naam bij wijze van adres, afhankelijk van wie we die dag waren.

Nu woont die vriendin in Duitsland. We zien elkaar eens in de zoveel tijd en houden elkaar verder van ons leven op de hoogte door middel van WhatsApp, heel soms een ouderwetse e-mail – maar een paar maanden geleden besloot ik haar een brief te schrijven. In een dure boekhandel had ik door een Japanse kunstenaar vormgegeven briefpapier gekocht, inclusief bijpassende enveloppen, plus tientallen postzegels, voor de zekerheid maar meteen voor Nederland, Europa én De Wereld. Ik probeerde verschillende pennen, koos de lekkerst schrijvende en installeerde me achter mijn speciaal voor dit moment opgeruimde bureau.

Wat gek om te beginnen met een plaats, een datum en een aanhef. Wat officieel ineens. Ik informeerde hoe het met haar ging, vertelde kort wat ik die week had gedaan en waar ik verder mee bezig was, en toen was ik nog niet eens op de helft van de voorkant van het velletje en keken de abstracte ijsberen op het lichtblauwe papier me vragend aan. Afronden, nu al, was beneden mijn waardigheid. En bovendien: ik had dat papier gekocht en zelfs de postzegel, ik had er tijd en mijn bureaublad voor vrijgemaakt, nu ging ik er iets van maken ook.

Dus ging ik uitgebreider in op mijn werk, vertelde ik wat ik van dit vond, wat ik had gedacht toen dat gebeurde, hoe ik me voelde over zus, dat ik me zorgen maakte om zo. Het maakte me duidelijk hoe oppervlakkig ik normaal gesproken was in een app of sms. Een paar regels op een smartphone lijken al snel een enorm verhaal, maar op briefpapier met ijsberen blijft er weinig van over. Na drie kwartier had ik meerdere vellen volgeschreven en sloot ik af – tot ik bedacht dat ik nog iets was vergeten te vertellen over dat ene, maar met de cursor teruggaan om het ertussen te zetten kon niet. Dan maar een P.S.

En toen was ik klaar. Het had even geduurd, maar in plaats van slap babbelen op de app, had ik echt iets gedaan: een brief geschreven. En vervolgens naar de brievenbus gelopen om hem te posten. Het was een magische gedachte dat allemaal mensen aan het werk waren om de brief die ik bij mij thuis had geschreven een paar dagen later heel ergens anders te laten opduiken.

Theoretisch gezien is het magischer dat de e-mail die je verstuurt vanaf een laptop ergens in Nederland binnen een fractie van een seconde in de inbox van een New Yorker zit. En dat een sms altijd aankomt bij de juiste persoon, ook al heb je geen idee waar die ander zich bevindt. Zo is het eigenlijk ook ongelooflijk dat we met een smartphone de mooiste foto’s kunnen maken, met effecten waarvoor vroeger lichtmeters, sluitertijden en verschillende lenzen nodig waren – en toch spreekt de onopgesmukte afdruk die uit een polaroidcamera komt rollen meer tot de verbeelding. Niet alleen vanwege de verrassing (het langzaam verschijnen van het beeld, het dan pas zien hoe we er eigenlijk op staan), maar vooral omdat er direct iets is wat je kunt vasthouden (en vervolgens aan de muur hangen of in een agenda plakken) en waar er maar één van bestaat.

Tastbaar object

Ook de brief is, anders dan zijn digitale vervangers, een uniek en tastbaar object. Met een geschiedenis bovendien. Want voordat de brief in handen van de ontvanger kwam, was hij bij de schrijver van de brief – die het papier heeft aangeraakt, zijn gedachten eraan toevertrouwd, een woord erop doorgestreept. Of er misschien wel tranen op heeft achtergelaten, zoals de intens bedroefde Aagje Luijtsen die haar echtgenoot eind 18de eeuw op de hoogte stelde van de dood van hun zoontje; of de brief heeft ondertekend met zijn eigen bloed, wat P.C. Hooft in 1627 deed toen hij zijn buurvrouw Heleonora Hellemans smeekte om toch alsjeblieft met hem te trouwen.

Litteris absentes videmus, luidt een aan Cicero ontleend Latijns spreekwoord: door brieven zien we de afwezigen. Zowel de inhoud zorgt daarvoor – een teken van leven van de ander, de ene helft van een gesprek – als het object zelf, met al zijn fysieke kenmerken die iets van de afwezigen prijsgeven. Die afwezigen kunnen vrienden zijn die je lang niet hebt gesproken of familieleden op vakantie. Of mensen zelfs die niet meer leven, of om een andere reden zijn opgehouden te bestaan. (Toen ik 16 was, kreeg ik een brief van mijn 14-jarige ik. Het was een opdracht geweest tijdens een zomerkamp: schrijf een brief naar jezelf van over twee jaar – de kampleiding zou hem zolang bewaren. En dus ontving ik twee zomers later een brief van een vroegere versie van mezelf. Een rare gewaarwording: ik had iets in handen wat er tegelijkertijd niet meer was.) Maar ook historische figuren: personen die je nooit in het echt zult ontmoeten, omdat ze vijftig, honderd, vierhonderd jaar geleden leefden, maar bij wie je, door hun overgeleverde brieven, toch heel dicht in de buurt kunt komen.

Dan blijkt bovendien dat er vroeger wel degelijk werd getreurd om overleden kinderen, terwijl lang is gedacht dat ouderliefde een 19de-eeuwse uitvinding is. Of kom je erachter dat 17de-eeuwse vrouwen uit lagere sociale klassen actief kranten lazen en knipsels meestuurden met hun brieven. Dat de progressieve dichter Lucebert in zijn jonge jaren sympathiseerde met de nazi’s – wat hij zijn leven lang verzweeg – en dat Anna van Saksen, de tweede vrouw van Willem van Oranje, een stuk minder gestoord was dan sommige geschiedenisboeken beweren.

Belangrijke bron

Brieven zijn dan ook een belangrijke bron voor historici, biografen, taalkundigen en sociologen. Zo heeft de vondst van de Prize Papers, duizenden gekaapte Nederlandse brieven uit de 17de en 18de eeuw, in The National Archives in Kew (een buitenwijk van Londen) tal van onderzoeksprojecten, dissertaties en non-fictieboeken opgeleverd over, onder veel meer, de Vereenigde Oost-Indische Compagnie, het dagelijks leven tijdens het Rampjaar 1672 (door de ogen van ‘gewone’ mensen) en de ontwikkeling van de Nederlandse taal. En de recente ontdekking van brieven van Mata Hari uit de tijd dat ze nog Margaretha Zelle heette en alleenstaand moeder was, heeft een nieuw licht geworpen op haar uiteindelijke keuzen.

Dat er steeds minder brieven worden geschreven, baart onderzoekers daarom zorgen. Al in 1976 verzuchtte Jan Hulsker, de oprichter van wat nu het Literatuurmuseum heet (dat talloze schrijverscorrespondenties herbergt), dat ‘wat de letterkunde en haar geschiedenis betreft, een van haar belangrijkste bronnen dreigt op te drogen’. Hij zag destijds de telefoon als grootste bedreiging, onwetend van wat er allemaal nog zou volgen. Je zou zelfs kunnen zeggen dat de opkomst van de e-mail de hoop eventjes deed opflakkeren, omdat er weer eens wat werd neergeschreven en gesprekken niet in het luchtledige verdwenen. Maar mailboxen worden eens in de zoveel tijd opgeschoond, om nog maar te zwijgen van sms’jes die achterblijven na het wisselen van telefoon en appjes die op den duur automatisch worden verwijderd.

Natuurlijk zijn er in de loop van de geschiedenis ook heel wat brieven verloren gegaan. Ze zijn uit schaamte vernietigd, in een vlaag van woede verscheurd, verbrand omdat de ander dat vroeg, teruggegeven nadat het uitging, weggegooid als er geen belang aan werd gehecht. Of gewoon verdwenen. De brieven die er nog wel zijn, zijn zorgvuldig gearchiveerd (met name wanneer de schrijver ervan een belangrijk persoon was of afkomstig uit een gegoede familie) of min of meer per toeval bewaard gebleven, zoals de door de Britse kapers in beslag genomen brieven of de 2.600 onbestelbare (en dus nog nooit geopende) brieven die de 17de-eeuwse postmeester Simon de Brienne opsloeg in een kist. Zo zijn er honderdduizenden overgeleverd, die zich tegenwoordig in publieke archieven en privécollecties bevinden, verspreid door heel Nederland.

Om te onderzoeken wat er verloren gaat nu de brief aan het uitsterven is – tijd en aandacht, diepgang, puzzelstukjes geschiedenis – heb ik honderdvijftig bijzondere Nederlandse brieven verzameld. De komende weken bespreek ik op deze plek zes van deze brieven. En op 19 september verschijnt een boek. P.S. heet het, want terwijl we tekst inmiddels kunnen deleten, kopiëren en verslepen naar waar we maar willen en het dus eigenlijk helemaal niet meer nodig is, lijkt het postscriptum te blijven bestaan – als anachronisme in een digitale wereld en als aandenken aan de brief.

Op 19/9 verschijnt P.S. Van liefdespost tot hatemail: de 150 opmerkelijkste Nederlandse brieven. De komende weken kiest en bespreekt Jet Steinz in de Volkskrant zes brieven uit haar boek.

Op 19 september verschijnt ‘P.S. Van liefdespost tot ­hatemail: de 150 opmerkelijkste Nederlandse brieven’ van Jet Steinz.

Post, aflevering 1: Gemeende verjaardagswensen

Goede mensen herken je aan een verjaardagskalender op de wc (of waar dan ook, maar meestal daar). Die ook nog eens op de juiste maand hangt. Zo’n beschreven ding aan de muur boezemt ontzag in: deze mensen houden zélf bij wanneer iemand jarig/getrouwd/bevallen/overleden is, denk je bewonderend, waarschijnlijk sturen ze zelfs een kaart, een echte.

Dit in tegenstelling tot de horden die van Facebook een melding krijgen – ‘Melle is vandaag jarig. Laat weten dat je aan hem denkt!’ – en vervolgens een obligaat ‘gefeliciteerd!’ op Melles tijdlijn plaatsen, of in een goede bui een vrolijke afbeelding en misschien zelfs een gifje, ook al hebben ze Melle maar één keer in hun leven ontmoet en boeit die hele verjaardag van Melle hun niets, maar het kost een paar seconden, dus hé. Dat weet Melle natuurlijk ook wel, maar toch is hij blij met elk ‘Have an ABSOLUTELY FABULOUS birthday, sweetie darling!’-plaatje dat hij krijgt. ‘Lieve Facebook-vrienden’, is het volgende bericht die je wist dat zou komen, ‘dank voor alle felicitaties. Ik voelde me extra jarig gisteren!’

Maar dat is onzin, want extra jarig voel je je pas met een verjaardagswens per post, van iemand die zonder hulp van een sociaal medium aan je dacht, en dat ook nog eens een dag van tevoren.

Zoals Pieter Jelles Troelstra (de socialist), die zijn zoon Jelle Pieters (de schilder) op 17 januari 1912 een brief schreef: ‘Nu word je vandaag eenentwintig jaar – meerderjarig. Ik weet nog zo goed, wat voor een brief ik van mijn vader kreeg, toen ik drieëntwintig werd. In mijn tijd werden de mensen twee jaar later wijs dan tegenwoordig. Mijn vader hoopte, dat ik nu ook in mijn daden blijken zou geven van mijn meerderjarigheid. Nou, ik heb na die tijd nog menige stomme zet uitgehaald […].’ 

Van die brief is alleen de vertaling uit het Fries overgeleverd; het origineel van de brief die Pieter Jelles op 20 april 1883 van zíjn vader kreeg – toen Troelstra student was in Groningen en het nog elf jaar zou duren voordat de SDAP werd opgericht – is er nog wel.

Jelle Pieters Troelstra aan Pieter Jelles Troelstra (1883)

Leeuwarden, 19 April 1883

Waarde Zoon!

Heden is het den geboortedag uwer moeder; morgen de uwe. Beide gedenkdagen herinneren mij aan veel lief en leed.

Morgen wordt ge dan meerderjarig.

De wet erkent u dan als zelfstandig, als iemand die in staat is zijne eigene belangen intezien en

te kunnen behartigen. Dat dit zoo zijn moge!

Als ik er niet meer zijn zal zijt gij het hoofd der familie; mocht ge u daarvoor voorbereiden!

Reeds thans rust de plicht op u voor hare eer en belangen te waken.

Gij hebt onmiskenbare talenten die, zoo gij ze juist aanwend en wijs en verstandig handelt u tot de kroon en het sieraad der familie kunnen maken.

Dat die verwachting niet beschaamd moge worden!

Heilwenschend

Uw belangstellende en u zeer toegenegen vader

J. Troelstra

Overleeft een liefde ziekte, een miskraam of vreemdgaan? In Van Twee Kanten interviewt Corine Koole twee partners apart van elkaar over een heftige gebeurtenis in hun relatie.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden