GELUKKIG! IK DROOM!

Honderd jaar geleden tekende Winsor McCay de eerste avonturen van kleine Nemo. Aanleiding tot boeken en tentoonstellingen over de man die een vermogen verdiende aan zijn strips en de animatie ervan.' Jammer dat Michael J....

De legende wil dat hij zijn allereerste tekening met een muntje krastein de ijsbloemen op een raam van zijn ouderlijk huis, dat later in vlammenopging: Winsor McCay (1867-1934) Als Zenas McKay kwam hij ter wereld in hetCanadese Spring Lake en in het Amerikaanse Ypsilanti kreeg hij de naam waarhij beroemd mee werd. Maar veel beroemder dan hijzelf is zijn Little Nemoin Slumberland, de acrobatische Jugendstil-strip die vanaf 1905 op dekleurenpagina's van The New York Herald verscheen. Het honderdjarig bestaanvan deze klassieker wordt gevierd met ambitieuze tentoonstellingen en eenheel groot boek.

De strip had twee voorgangers: Little Sammy Sneeze en Dreams of theRarebit Fiend, die al net zo aan een vaste formule waren gebonden als hunopvolger. Little Sammy Sneeze was een reeks voor kinderen waarbij hetniezen van de hoofdpersoon steevast een vernietigend effect had. McCay liethet niet bij anekdotiek, maar experimenteerde ook met de wetten van zijnmedium. Zo is er een aflevering waarin zelfs de kaderrand om de tekeningaan diggelen wordt geniest. Dreams of the Rarebit Fiend was een strip voorvolwassenen en bracht in beeld welke nachtmerries je krijgt als je vóórhet slapen nog iets eet. Rarebit is gebakken kaas, een Fiend is eenplaaggeest. Voorbeeldje: een heer met hoge hoed holt over straat om de tramte halen maar komt niet vooruit doordat het trottoir hardnekkigomhoogkrult. 'Ren ik, of draait deze straat?' vraagt hij zich moedeloos af.Tot hij in het laatste plaatje ontdekt dat het maar een nachtmerrie was.

Voeg het dwangmatige dromen en het ontsporende jongetje samen en je bentbij Little Nemo in Slumberland, waarin een kind duizelingwekkende avonturenbeleeft in het koninkrijk van Morpheus en op het angstige hoogtepunttelkens ontwaakt in zijn houten ledikant. Het 5-jarige ventje wasgemodelleerd naar McCays zoontje Robert en had dezelfde bruine krullenbos.Toevallig publiceerde Freud in 1909 zijn Analyse der Phobie einesfünfjährigen Knaben en dit knaapje noemt hij Kleine Hans. Natuurlijk ishet verleidelijk om in hem Little Nemo in te zien, maar het is de vraagof de Weense dokter bekend was in niet-wetenschappelijke kringen; zijnTraumdeutung werd tenslotte pas in 1913 in het Engels vertaald.Onmiskenbaar is daarentegen de invloed van Lewis Carroll: niet alleen detitel van zijn meesterwerk echoot in Nemo in Slumberland, ook het eten vanhapjes die leiden tot groei of krimp vind je terug bij beide auteurs. Eenandere overeenkomst is het goochelen met de eigen kunstvorm. In Alice inWonderland staat het beroemde gedicht in de vorm van een muizenstaart, bijMcCay belanden Nemo en zijn vriendjes in de lachspiegelzaal van BefuddleHall waar ze worden uitgerekt als kauwgom, wat een lsd-achtig effectopleverde ver voordat de drug was uitgevonden.

Die lachspiegel was geen toeval, want McCay is zijn leven lang in de bangeweest van circus, kermis en vaudeville. Misschien mag je concluderen datde tekenaar, die zelf nooit groter dan 1 meter 60 is gegroeid, altijd kindis gebleven. Maar hij was méér dan liefhebber: McCay trad veelvuldig opin theaters en vermaakte het publiek als sneltekenaar, waarbij hij alpratend zijn virtuositeit met een krijtje toonde. Tussen de bedrijven doorwerkte hij ook nog actief mee aan de realisatie van de musical Little Nemoin Slumberland die vanaf 1908 met veel succes op Broadway stond. Hijverdiende met al die bezigheden een vermogen. John Canemaker becijfert inzijn biografie Winsor McCay - his life and art dat er jaarlijks alleen almet de strips 50 duizend dollar werd omgezet, en daar kwamen de revenuenuit de theaterwereld nog bij. Dat moest ook wel, want McCay's vrouw Maudewas ernstig verslaafd aan het dragen van extravagante hoeden, die speciaaluit Parijs werden overgevaren. Uit wraak heeft McCay ooit een nachtmerriegetekend waarin New York wordt aangevallen door een dameshoed zo groot alseen vliegende schotel.

Zijn vingervlugheid kwam hem goed van pas bij een andere passie: deanimatiefilm. Al in 1911 ging Little Nemo in première, een film diebestond uit vierduizend tekeningen, met de hand ingekleurd door WinsorMcCay. Hij had meteen door dat er een grote toekomst was weggelegd voor detekenfilm en grapte: 'Jammer dat Michael J. Angelo niet voor de filmtekende. Toekomstige kunstenaars zullen hun faam vestigen met bewegendeplaatjes, niet met stilstaande.' Ook beweerde hij dat hij de uitvinder wasvan het nieuwe medium, maar daarin vergiste hij zich, want Blackton en Cohlwaren hem voor. McCay verschilde echter van deze pioniers door zijntechniek en zijn tekentalent, dat hem in staat stelde levendige enkaraktervolle lijnen op papier te zetten. Er volgde een film van zesduizendtekeningen, How A Mosquito Operates, maar het meest ambitieus enbaanbrekend was Gertie the Dinosaur, die nog altijd wordt vertoond. McCaystreefde naar een zo werkelijkheidsgetrouw mogelijke weergave en maaktebijvoorbeeld een aparte studie van de ademhaling van de dinosaurus:inademen kostte zesenveertig tekeningen, uitademen tweeëndertig. Detitanenarbeid die bij het maken van deze film gemoeid was parodieerde hijdoor zich te laten filmen met arbeiders die tonnen vol inkt en zware pakkenpapier bij hem naar binnen sjouwen.

Wie met eigen ogen wil zien wat McCay vervolgens met al die inkt gedaanheeft, kan terecht in het Maison d'Autrique in Brussel, waar tot halffebruari een tentoonstelling is ingericht in een van de oudste huizen vanarchitect Victor Horta. Het Art Nouveau-interieur zit de strips alsgegoten, want ze spreken dezelfde vloeiende vormtaal. Op de bovensteverdieping hangen hoogst zeldzame originelen van Little Nemo, rondom eenhouten replica van het beroemdste bedje uit de geschiedenis van hetbeeldverhaal. Dit is het ledikant van de grote opluchting: ik droomde!

Ook de Amerikanen hebben ingezien dat McCay een monumentale bijdrageheeft geleverd aan de ontwikkeling van de populaire kunsten - the livelyarts noemde criticus Gilbert Seldes ze al in 1922 - en nemen hem alsstartpunt voor de tweedelige tentoonstelling Masters of American Comics.In het UCLA Hammer Museum en het MOCA in Los Angeles hangen sinds enkeleweken honderden van de opmerkelijkste pagina's die in de afgelopen eeuwzijn getekend door Winsor McCay, George Herriman, Robert Crumb, Chris Wareen zes andere mannen. Het accent ligt op het artwork, want de verhaallijnenlaten zich moeilijk tentoonstellen. Zoals altijd wordt ook nu weer geroependat strips überhaupt niet te exposeren zijn. Raymond Pettibon heeft eenvan de catalogusteksten geschreven en zegt daarin dat de strip helemaalgeen museale rechtvaardiging nodig heeft. 'Strips zijn boeken. Strips aande muur zijn geen strips. Ze hangen pas goed als ze omkaderd worden doortwee duimen aan beide zijden.' Een beetje flauw argument, want wat aan demuseumwand komt te hangen zijn dingen die de gemiddelde lezer nooit te zienkrijgt: originele pagina's met dekwit, slecht uitgegumde potloodstrepen,notities en plakbandjes. Bovendien is op tekeningen zonder inkleuringvéél beter te zien hoe goed de tekenaars eigenlijk zijn.

Maar om het werk van Winsor McCay te savoureren kun je ook gewoonthuisblijven, want een Amerikaanse uitgever heeft een boek uitgebracht dat50 centimeter hoog en 32,5 centimeter breed is, zo groot als de honderdtienkrantenpagina's die er opnieuw in zijn afgedrukt. Digitaal gerestaureerd,zodat de zuurtjesachtige kleurendruk van een eeuw geleden zo authentiekmogelijk overkomt. En dan te bedenken dat Nemo Latijn is voor: niemand.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden