Geluk kun je alleen schilderen

Minutieus en onverschrokken

Is ruim 600 pagina's over F.B. Hotz te veel van het goede? Welnee, vindt schrijver Maarten 't Hart. 'Zelfs ik die reeds veel wist, heb deze biografie domweg verslonden.'

Vrij snel na de dood van Frits Hotz, op 5 december 2000, polsten Theo Sontrop en Martin Ros van De Arbeiderspers mij voorzichtig of ik er niet voor zou voelen een biografie te schrijven. Ik zag er tegenop. Ik had al gehoord dat zijn zuster Atie, op last van Frits, direct na de dood van haar broer, de onmisbare bescheiden voor een biograaf, nagelaten brieven, agenda's, dagboeken etc. had vernietigd. En wat te vermelden over iemand die na zijn scheiding weer bij zijn zuster was ingetrokken en nauwelijks zijn kamer verliet? Het echte schrijversbestaan was immers pas begonnen in 1976, toen Hotz debuteerde met Dood weermiddel, maar over dat schrijversleven viel niet veel meer te vertellen dan dat de auteur met zekere regelmaat een verhalenbundel had gepubliceerd, en de ruime halve eeuw daarvoor zou dus gaan over zijn kindertijd, zijn opleiding tot automonteur, de korte periode dat hij werktuigbouwkunde had gestudeerd, zijn kuurperiode als tuberculosepatiënt, zijn baantje bij de bibliotheek van de psychiatrische kliniek Rhijngeest, en zijn wilde jaren als trombonist in diverse jazzbands, met als schrijnend slotakkoord daarvan zijn gruwelhuwelijk, zijn scheiding, en de moord van zijn ex-vrouw op de ex-man van Helga Ruebsamen.

Mij leek dat het een geweldige klus zou zijn om dat vrij lange leven te reconstrueren met als eigenaardig resultaat dat je dan eerder het leven van de musicus Hotz dan van de auteur Hotz in kaart bracht. Aleid Truijens, onverschrokkener dan ik, heeft het werk echter volbracht. Zeven jaar heeft ze erover gedaan. Met behulp van de zuster van Frits, die vier jaar ouder was dan Hotz en in 2008 overleed, heeft Aleid Truijens minutieus die kinderijd weten te reconstrueren, zo minutieus zelfs dat we als in 1940 de oorlog uitbreekt op pagina 148 zijn aangeland. Gelet op het feit dat Hotz voor een flink aantal verhalen op die kindertijd teruggreep, acht ik deze precieze reconstructie gerechtvaardigd. Wel valt daarbij op dat Truijens vrij onbekommerd put uit wat zijzelf 'een bedenkelijke en beslist onwetenschappelijke fundgrube' noemt: Hotz' min of meer autobiografische verhalen. Na 1940 voert Truijens het tempo op, en heeft ze, ook stilistisch, meer greep op haar materiaal. Ongelooflijk, vind ik, dat het haar zo goed gelukt is die bonte, wilde jaren van Hotz als jazzmusicus in kaart te brengen, en dat schrijnend ongelukkige huwelijk, en die verbijsterende anticlimax daarvan, de moord op jazztrompettist Serein Pfeiffer. De laatste 25 jaar van Hotz' leven heb ik van nabij meegemaakt, en ook die jaren heeft Truijens uitmuntend gedocumenteerd.

Vrijwel altijd klinkt hier in Nederland bij verschijning van een schrijversbiografie het verwijt op dat het werk te volumineus is, en dat de auteur ervan zichzelf geen beperkingen heeft opgelegd bij de verwerking van zijn materiaal. Dat was onder meer het geval bij de schitterende biografie van Kees Snoek over Du Perron, en dit jaar klonk het verwijt bij de Vasalis-biografie en het eerste deel van de biografie van Theun de Vries.

Ook Truijens zal vermoedelijk verweten worden dat zij haar materiaal niet beknopter heeft samengevat. Maar voor wie wordt zo'n biografie geschreven? Niet voor de recensent, maar voor de oprechte bewonderaar. En de bewonderaar wil nu eenmaal alles weten, of het nu Du Perron, Vasalis, Gerard Reve dan wel Hotz betreft. Welnu, de bewonderaars van Hotz worden door Truijens op hun wenken bediend met deze uiterst degelijke biografie. Zelfs ik die reeds veel wist, heb het boek domweg verslonden.

Aleid Truijens heeft overigens de verleiding niet kunnen weerstaan om de levens van de vele familieleden van Hotz, zijn zuster en daar de kinderen van, zijn halfbroer en halfzus, en nog diverse neefjes en nichtjes, een aangetrouwd

e oom, alsmede de echtgenote en de zoon van Hotz, ook beknopt te behandelen in de biografie.

Bij haar eindigt de biografie niet met de dood van Hotz in 2000, maar met de dood van de zuster van Hotz in 2008, zoals de biografie ook begint met het verhaal hoe de 4-jarige Atie Hotz er een broertje bij krijgt. Daardoor heeft haar biografie verwantschap met De eeuw van mijn vader van Geert Mak, het is welhaast een familieroman met Frits Hotz als hoofdpersoon, met een glansrol ernaast voor Atie Hotz.

Gelet op het feit dat het leven van Hotz weinig veelbelovend begon, in 1970 als gevolg van een passiemoord zelfs een dramatische wending nam, en bovendien verduisterd werd door de toenemende blindheid van de protagonist, mag het een wonder heten dat er in de jaren 1976 tot en met de uitreiking van de P.C. Hooft-prijs in 1998 sprake is van een miraculeuze nabloei. Veel voorbeelden zijn er niet van een schrijver die pas op zijn 54ste debuteert en met zulke eigenzinnige, onmodieuze thematiek en stilistiek zozeer weet te overtuigen dat niet slechts de hoogste literaire onderscheiding hem te deel valt, maar dat er ook nog iemand opstaat die met zoveel volharding, liefde en toewijding de biografie vervaardigt, zonder daarbij in de hagiografische valkuil te tuimelen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden