Geloof in de wetenschap

Constantijn Huygens opent het boek Het Boeck der Natuere van Eric Jorink. Hij opent ook voor ons meteen het boek van de natuur, die schitterende metafoor voor de schepping waarin zich Gods grootheid laat aflezen....

Zijn wetenschappelijke nieuwsgierigheid is maar ten dele te verklaren uit de wetenschappelijke revolutie die zich voltrok. Ze had als belangrijkste drijfveer zijn geloof. Kennen is God beter leren kennen. ‘De hemelen vertellen Gods eer en het uitspansel verkondigt het werk Zijner handen’, staat aan het begin van de negentiende psalm. De regel heeft voor eeuwen en eeuwen Gods openbaring in de schepping verwoord. Huygens keek niet alleen omhoog, wandelend in zijn tuin overdenkt hij Gods Openbaring:

dit Boeck, dit Boeck der Boecken,

Is so voll van ondersoecks, so voll van soete hoecken,

Als Hofwijck bladeren aen Boom en kruyden telt.

Hij benoemt het boek van de natuur met het voor de Bijbel gereserveerde ‘Boek der boeken’, lijkt het, maar hij speelt natuurlijk een vernuftig dubbelspel. De breuk tussen geloof en wetenschap die zich gaat voltrekken, is niet de zijne. Wetenschap verdiept het geloof, de luis onder de microscoop verkondigt Gods glorie. Het Boek van de Natuur, die natuurbijbel, staat naast het Boek van de genade, de Bijbel. Het is niet de geringste wetenschappelijke (en gelovige) prestatie geweest te pogen het Boek van de Natuur in de Bijbel terug te vinden en de twee in elkaar te verklaren.

Huygens was een dubbellezer, levend in een grote traditie die inzet met het psalmvers en voor het eerst scherp wordt verwoord door Augustinus. Hij heeft heel veel geestgelijken in de 17de eeuw, waardoor hij voor het geestesleven in die eeuw in Nederland representatiever is dan zijn geniale zoon, de natuurkundige Christiaan, dan Descartes en Spinoza ook. Zijn geloofsbelijdenis – en die van vele geleerden en predikanten uiteraard – is die van het tweevoudige boek. De interpretatie van dat tweevoud is ruimer en beperkter. Maar niet ontkend kan worden – voor de moderne lezer een schitterende paradox – dat geloofsgedrevenheid en hang naar openbaring de wetenschap hebben vooruitgeholpen.

Nederland was in de 17de eeuw traditioneler dan men aanneemt. Wat tekenen van de Verlichting lijken, zijn symbolen en – later – rationele kennis, gezien onder Gods licht. Dat Huygens op heel veel plaatsen in de omvangrijke studie van Jorink voorkomt, is terecht. Hij is als het ware de metafoor van de Nederlandse 17de eeuw. (Ervan afgezien dat hij heel veel van de in het boek genoemde geleerden persoonlijk kende en met hen over wetenschap correspondeerde.)

In het eerste hoofdstuk wordt het Nederlandse geestesleven in de 17de eeuw beschreven. Zichtbaar wordt al meteen de visie die de hele studie zal beheersen: er is, behalve bij enkelingen, geen breuk tussen geloof en wetenschap, er kan ook alleen onder voorbehoud van een wetenschappelijke revolutie worden gesproken, het dubbelboek, Bijbel en natuur, beheerst in Nederland het geestesleven. Met die visie is de studie van Jo-rink voor de Gouden Eeuw een correctie op de visie van wat met een geleende uitdrukking ‘de mechanisering van het wereldbeeld’ heet.

Uitzicht over de grenzen geeft het boek niet, maar het lijkt niet onverantwoord te zeggen dat in Nederland een schot in de ontwikkeling is geplaatst. Het moest wijken voor problematiseringen in de gezaghebbende teksten – Bijbel en klassieke schrijvers – voor de verzelfstandiging van het onderzoek (dat zich niet met de Bijbel meer liet verzoenen). De langzame bevrijding uit het dubbelboek (dat niet het gevolg is van vrijheid van geest, maar zichtbaar geworden tekorten in het bewijsmateriaal) wordt ook in het boek steeds zichtbaar.

Na het algemene en briljante eerste hoofdstuk wordt in het tweede, al even goede, hoofdstuk de interpretatie van het boek van de natuur behandeld, met uitstekende pagina’s over de natuurbijbel en de reformatie: die zag het boek open voor iedereen, maar voor het begrip ervan is de ‘bril van het geloof’ noodzakelijk. Waarmee alle diepgelovige onderzoekers – Swammerdam bijvoorbeeld, hij krijgt een prachtig portret – letterlijk begenadigd zijn. De wetenschap als een vorm van met Gods genade meewerken! Die andere grote onderzoeker, Antoni van Leeuwenhoek, gelooft het wel.

In de volgende hoofdstukken worden gebieden van onderzoek behandeld: de hemel en zijn wondertekenen, met grote aandacht voor de kometen in hun materiële samenstelling en in hun betekenis. Het indrukwekkende gedachtegoed, als beschreven in de eerste twee hoofdstukken, krijgt van nabij in de ‘praktijk’ naïeve trekken. En het boek van de natuur wordt door de auteur misschien op te veel plaatsen ontdekt ; ook in de volgende hoofdstukken is dat soms het geval.

Een heel goed hoofdstuk is het vierde, dat over de insecten handelt. (Men leest ook de ‘kleine lettertjes’ in het boek van de natuur, zoals de auteur het heel geestig zegt.) Mooi is de zich steeds opdringende opvatting dat het allerkleinste van de schepping het allergrootste het scherpst laat zien. Onder de microscoop zullen wij overal stoten ‘op dezelfde onuitsprekelijke Majesteit’, schreef Huygens. In dit hoofdstuk staan ook de portretten van Swammerdam en Van Leeuwenhoek. De eerste heeft mooie variaties op Huygens’ net geciteerde uitspraak geschreven. Kijken en ontleden – God openbaart zich steeds meer, ook in wat hij als symbool voor de menselijke samenleving schiep: de bij bijvoorbeeld (een woord dat eens Gods inspiratie zou verraden!).

De toonkasten Gods worden in het vijfde hoofdstuk beschreven. Het handelt over de rariteitenkabinetten, ‘een Boeck, daarin zich God zelfs heerlijk heeft beschreven’. De geschiedenis van de verzamelingen – altijd aanwezig in de nabijheid van de bibliotheken, weten en kennen samen – is ook een ontwikkelingsgeschiedenis, die, naar de aard van de voorwerpen (niet altijd naar de intentie), een vorm van secularisering kan worden genoemd. Swammerdam (en zijn vader) treedt opnieuw op, en hoe! Hoogtepunt van het hoofdstuk is het wetenschappelijk en geestelijk portret van Nicolaes Witsen.

Het zal duidelijk zijn: de studie verloopt na het tweede hoofdstuk in deelstudies, die, ook om de beschreven figuren, zeer boeiend zijn, maar toch te fragmentarisch blijven De allesbezielende geest keert weer terug in het zevende en laatste hoofdstuk: een algemene samenvatting van al het voorgaande, waarin de auteur het gangbare beeld van de 17de eeuw heeft veranderd: de grote tradities zijn in de beoefening van de wetenschap door blijven gaan, zoals Boudewijn Bakker dat in zijn in 2004 verschenen Landschap en wereldbeeld – van Van Eyck tot Rembrandt voor de 17de-eeuwse landschapsschilderkunst heeft gedaan. De ‘voorgeschiedenis’ van zijn studie is alleen veel groter dan bij Jorinks studie, een dissertatie die in dit geval echt een meesterproef is. Een overvol boek ook en een indrukwekkende cultuurgeschiedenis.

Eric Jorink: Het Boeck der Natuere – Nederlandse geleerden en de wonderen van Gods schepping 1575-1715Primavera Pers510 pagina’seuro 34,50ISBN 90 5997 036 5Primavera Pers510 pagina’seuro 34,50ISBN 90 5997 036 5

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden