Geheimen van het betere uitgeven

Van Toorn vertelt over Querido een compact verhaal met groot inlevingsvermogen

Van twee essentiële figuren uit de literaire geschiedenis zijn zojuist biografieën verschenen: Emanuel Querido en Geert van Oorschot, de uitgevers die midden twintigste eeuw de Nederlandse literatuur op een hoger plan brachten. Hoe deden ze dat?

Ze hebben veel gemeen, de naamgevers van twee grote, chique Amsterdamse uitgevershuizen, Emanuel Querido (1871-1943) en Geert van Oorschot (1909 -1987). Allebei werden ze geboren in een arbeidersgezin, Emanuel in Amsterdam, Geert in Vlissingen. Ze groeiden op in arme, maar niet cultuurarme gezinnen; van jongs af werd hun voorgehouden dat ze door veel te lezen en goed hun best te doen op school hogerop konden komen; beide jongens maakten gretig gebruik van de door de linkse arbeidersbeweging geboden mogelijkheden tot 'verheffing'.

Colporteurs

Het kan geen toeval zijn dat ze allebei begonnen als colporteur van boeken. Boeken verkopen, liefst meer dan de afnemer van plan was, dat konden ze voortreffelijk. Dit talent vormde de basis van twee succesvolle bedrijven. Ze combineerden een neus voor goede literatuur met een commercieel instinct. Opvallend is ook dat beide uitgevers hielden van mooi vormgegeven boeken, en daarvoor de beste ontwerpers aantrokken. Mooie dingen maken: misschien de beste manier om een armoedige jeugd af te schudden. Niettemin bleven ze 'geëngageerd' uitgever, betrokken bij de wereld en de politiek.

Gemankeerde schrijvers, ook dat nog. Liever dan uitgever waren ze schrijver geworden. Dat werden ze ook, maar voor de buitenwacht bleef het bijzaak. Querido schreef de tiendelige autobiografische geschiedenis Het geslacht der Santeljano's, onder het pseudoniem Joost Mendes. Tot zijn verdriet werd zijn gehate broer Israël als schrijver veel beroemder. Van Oorschot schreef als jongeling beroerde, pathetische gedichten. Proza lag hem beter. Hij publiceerde onder de naam R.J. Peskens vier autobiografische boeken, waarvan de verhalenbundel Twee vorstinnen en een vorst en de roman Mijn tante Coleta eventjes echte sellers werden in zijn eigen fonds.

Zeer verschillend

De karakters van de twee uitgevers contrasteerden als dag en nacht. Querido was een rustige, tamelijk vormelijke, gesloten en kritische heer, Van Oorschot een drukke, flamboyante en theatrale brulboei, gul met zijn affecties en al even snel gekwetst. Querido was als het nodig was ruimhartig met geld, Van Oorschot op het knieperige af zuinig. Dat kunnen we lezen in de biografieën van beide uitgevers. Schrijver en dichter Willem Toorn schreef het levensverhaal van Querido, Arjen Fortuin, redacteur van NRC Handelsblad, boog zich over dat van Van Oorschot, en promoveerde vorige week op deze biografie.

De biografieën zijn zeer verschillend. Dat komt vooral doordat Fortuin de beschikking had over een gigantisch archief: de duizenden brieven die de uitgever wisselde met zijn auteurs en vrienden (de correspondentie met Gerard Reve, W.F. Hermans en Vasalis werd al eerder gepubliceerd), en de administratieve boeken van het bedrijf. Veel mensen die Van Oorschot hebben gekend, zijn nog in leven. Zijn zoon Wouter zette de uitgeverij na zijn dood voort, samen met Gemma Nefkens; onlangs werd het bedrijf overgedaan aan zes nieuwe eigenaren.

Van Toorn kon over veel minder bronnen beschikken. Querido's zoon Arie schreef herinneringen aan zijn vader, en de gevluchte Duitse uitgever Fritz Landshoff schreef over hem in zijn memoires. Kleindochter Lotte Hellinga is nog in leven; Van Toorn had verhelderende gesprekken met haar. Er dook ook nieuw materiaal op: in 2013 vond Wouter van Oorschot op zijn kantoor een pak met persoonlijke documenten van Querido; documenten uit de Tweede Wereldoorlog van Joodse instanties en de gruweladministratie van de bezetter. Met die bronnen moest Van Toorn het zo'n beetje doen. Daarom leunt hij zwaar op de geromantiseerde Santeljano-boeken, en de 'who is who' die de schrijver er zelf bij verschafte.

Mooie verhalen

De biografieën passen bij hun onderwerp, en zijn elk op hun manier geslaagd. Van Toorn vertelt over Querido een compact verhaal, rustig en ingetogen, met groot inlevingsvermogen in de man die Querido geweest moet zijn en de tijd waarin hij leefde. Erg braaf was Querido nu ook weer niet: hij liet zijn secretaresse en latere mede-uitgever Alice van Nahuys, met wie hij een verhouding had, jarenlang bij hem inwonen en door zijn vrouw verzorgen, en stelde haar aan anderen voor als 'mijn aangenomen dochter'.

Fortuins boek is nog rijker aan mooie verhalen, en uit alle brieven kon hij de mooiste citaten plukken. Dit leven was een aaneenrijging van heftige vriendschappen, liefdes, teleurstellingen en conflicten. Van Oorschots successen waren ongekend groot, maar de dieptepunten in zijn leven ook. Fortuin beschrijft hem als een man met een groot hart en oprechte voorkeuren, maar ook als een enorm ego, dat geen tegenspraak duldde en goed zijn eigenbelang diende. Alles moest draaien om hem, de zon. Aantrekkelijke vrouwen moesten worden ingelijfd.

Relaties

Dichteres Hanny Michaelis zei, uit ervaring sprekend, dat haar uitgever verwachtte dat al 'zijn' dichteressen met hem naar bed gingen, 'maar alleen Elisabeth Eybers dacht dat het ook echt moest'. Met deze Zuid-Afrikaanse dichteres had hij een vooral van haar kant hartstochtelijke verhouding. Als vrouwen al te graag wilden, deinsde hij terug. Fortuin schrijft het met voelbaar plezier op. Soms hoor je hem bijna zuchten: wát een man. Hij valt hem niet af en hemelt hem niet op, maar analyseert hem wel; een bewonderenswaardig evenwicht.

Bijna alle relaties eindigden bij Van Oorschot in ruzie en vijandschap: die met zijn eerste vrouw en de twee zoons uit zijn eerste huwelijk, en de vriendschap met zijn 'aangenomen zoons' Gerard van het Reve en 'Wim' Hermans, met zijn favoriete vormgever Helmut Salden en vele anderen. Zijn tweede huwelijk, met Hillie, was weer een vechthuwelijk. Het grootste drama van hun leven was de zelfmoord van hun 19-jarige zoon Guido, die niet goed met zijn vader overweg kon. De relatie met de jongste, zijn opvolger Wouter, liep ook moeizaam. In de laatste jaren van Van Oorschots leven spraken ze amper met elkaar.

Beide uitgevers wandelen ook rond in elkaars verhaal, en de biografen schreven eerder samen (en met Hugo van Doornum) Verborgen boeken, over de geschiedenis van uitgeverij Querido in 1940-1945. Van Oorschot beschouwde Querido als zijn leermeester. Querido richtte in 1915 zijn uitgeverij op - die nu dus 100 jaar bestaat - en bracht die in de vooroorlogse jaren tot grote bloei. Van Oorschot werkte er van 1939 tot 1944 als bedrijfsleider en plaatsvervangend directeur. Het waren droevige jaren. De echte directeur/eigenaar mocht zijn zaak niet meer bestieren, omdat hij joods was; alles wat hij lief had en met zorg had opgebouwd werd hem afgepakt. Ook Van Nahuys, die halfjoods was, moest haar werk staken. De ondergedoken Querido en zijn vrouw werden verraden en weggevoerd. Ze stierven in 1943 in Sobibor. Van Oorschot loodste de uitgeverij de oorlog door, onder curatele van een door de bezetter aangestelde Verwalter. Na de oorlog herrees de uitgeverij glorieus. Van Oorschot richtte zijn eigen uitgeverij op.

Leven en werk

Het is zowel Van Toorn als Fontein gelukt een biografie te schrijven waarin leven én werk mooi met elkaar vervlochten zijn. De nadruk ligt terecht op de grootste verdiensten van de uitgevers. Voor Querido was dat het nevenbedrijf Querido Verlag, waarin hij vanaf 1933 samen met Landshoff literatuur van gevluchte, joodse Duitse schrijvers uitgaf.

Bij Van Oorschot is het de kwaliteit van zijn fonds. Hij had een scherp oog voor de allerbeste dichters: Vasalis, Judith Herzberg, Jan Emmens, Hans Lodeizen, Jan Hanlo, Rutger Kopland. Hij was uitgever van Reve, Hermans en Voskuil toen die nog geen bestsellers schreven. Hij herontdekte het werk van Belle van Zuylen. Hij gaf schrijvers uit als Poesjkin, Gogol, Dostojevski, Toergenjev, Tolstoj en Tsjechov in de schitterende 'Russische Bibliotheek', en het verzameld werk van Couperus, Multatuli, Ter Braak en Du Perron, onze eigen klassieken, in fraaie dundrukdelen. Zonder deze twee grote uitgevers was de Nederlandse literatuur een stuk provincialer geweest.

Pseudoniem

Onder het pseudoniem R.J. Peskens publiceerde Van Oorschot in 1976 Mijn tante Coleta. De roman, over een 15-jarige jongen die zijn hart verliest aan zijn mooie, verleidelijke tante, werd een groot succes, net als de verhalenbundel Twee vorstinnen en een vorst (1975), een liefdesverklaring aan een onbevreesde, tirannieke moeder. Samen vertellen ze het verhaal van zijn jeugd in Vlissingen. Tegelijk met de biografie is nu het Verzameld proza van R.J. Peskens verschenen met daarin deze twee boeken en andere verhalen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.